Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:757

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
200.225.262/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit VvE in strijd met redelijkheid en billijkheid. In incidenteel appel aangevoerde vernietiging is in principaal appel niet (tijdig) aangevoerd en kan daarin dan ook niet in aanmerking worden genomen (2.10). In incidenteel appel kan deze grondslag er niet toe leiden dat de incidenteel appelland in een slechtere positie komt te verkeren dan waartoe de bestreden beschikking leidde (2.21). Vordering tot medewerking aan het besluit had bij dagvaarding moeten worden ingesteld; hof geeft toepassing aan artikel 69 Rv (2.22).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.225.262/01

Zaaknummer rechtbank : 4761961 RP VERZ 16-50043

beschikking van 16 april 2019

inzake

1 [naam 1] ,

wonende te Delft,

2. [naam 2] ,

wonende te Delft,

verzoekers,

hierna te noemen: [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , en gezamenlijk ook [appellanten] ,

advocaat: mr. H.J. Deinum te Delft,

tegen

[de VvE] ,

gevestigd te Delft,

verweerster,

hierna te noemen: de VvE,

advocaat: mr. A. Ramsoedh te Delft.

1 Het geding

1.1.

Voor het verloop van de procedure tot aan de beschikking van 12 juni 2018 (hierna: de tussenbeschikking) verwijst het hof naar die beschikking. Bij de tussenbeschikking is een voortgezette mondelinge behandeling gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 24 september 2018, ter plaatse [adres] te Delft: de woningen van [appellanten] Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft partijen vervolgens medegedeeld voornemens te zijn toepassing te geven aan artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op het tegenverzoek van de VvE, en hen gevraagd of zij het nodig achten om, wat dat tegenverzoek van de VvE betreft, op de voet van artikel 69 lid 4 Rv hun stellingen aan te passen aan de regels voor de dagvaardingsprocedure. Partijen hebben zich daarop gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

inleiding

2.1.

De verzoeken van [appellanten] in eerste aanleg richtten zich op vernietiging van diverse besluiten van de VvE van 16 december 2015, 16 juni 2016 en 17 oktober 2016. In hoger beroep zijn slechts nog de in 2.6 en 2.7 van de tussenbeschikking genoemde besluiten van 16 juni 2016 en 17 oktober 2016 van belang, hierna besluit I en besluit II.

2.2.

Besluit I strekte, samengevat, tot het vervangen van de houten schroten aan de [straatnaamzijde] van het appartementengebouw – waarvan de appartementen van [appellanten] deel uitmaken – door Trespa, een kunststof. Aan de andere zijden van het appartementengebouw is het hout al door Trespa vervangen. Besluit II strekte ertoe, samengevat, het voorstel van [appellanten] om zijn appartementen van besluit I uit te sluiten, onder de verplichting van [appellanten] om het onderhoud van de houten gevelbekleding van zijn appartementen op eigen kosten te (blijven) verzorgen, te verwerpen.

2.3.

De kantonrechter heeft met zijn beschikking van 12 september 2017 (hierna: de bestreden beschikking) besluit I en besluit II vernietigd voor zover deze ertoe strekten de door [appellanten] aan de voorgevel en de dakopbouwen van zijn appartementen aangebrachte houten schroten vóór 1 juli 2020 of (indien dit tijdstip eerder valt:) vóór het tijdstip waarop [appellanten] (een van) zijn appartementen heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen, te vervangen door Trespa platen. Redengevend voor deze beslissing was het oordeel van de kantonrechter dat de aangebrachte schroten niet in slechte staat verkeren terwijl uitvoering van deze besluiten [appellanten] voor kosten zal stellen vanwege zijn ingebouwde zonwering.

principaal hoger beroep

2.4.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat een besluit van de vergadering van eigenaars kan worden vernietigd wanneer dit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Wat betreft de inhoud van het besluit komt het daarbij aan op de vraag of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het hof moet bij het toetsen aan deze maatstaf terughoudendheid in acht nemen.

2.5.

Het hof overweegt dat de VvE een redelijk belang heeft bij het vervangen van de houten schroten aan het appartementengebouw door Trespa platen, namelijk het beperken van onderhoudskosten. Daarvan uitgaande is het op zichzelf ook niet onredelijk dat de VvE de uitvoering van de gevelafwerking en het aanzicht daarvan uniform wil houden.

2.6.

Dakopbouwen. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat besluit I tevens ziet op de dakopbouwen, nu deze dakopbouwen, ook al staan ze er haaks op, zich (ook) aan de [straatnaamzijde] van het appartementengebouw bevinden.

2.7.

Toestemming VvE 1999 voorgevel; technische bezwaren. [appellanten] bestrijdt besluit I van de VvE ook in het principaal hoger beroep met de stelling dat de VvE hem in 1999 toestemming had gegeven zijn voorgevel (aan de [straatnaamzijde] ) naar voren te verplaatsen en van (specifieke) zonwering te voorzien. Uitvoering van besluit I zou volgens [appellanten] impliceren dat schade wordt toegebracht aan deze goedgekeurde constructie. Dat maakt besluit I volgens [appellanten] in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Volgens [appellanten] kan Trespa niet duurzaam en niet demontabel worden aangebracht, terwijl de voor Trespa voorgeschreven schroeven de zonwering zouden kunnen beschadigen.

2.8.

Op de voortgezette mondelinge behandeling heeft de door de VvE ingeschakelde aannemer [de aannemer 1] deze bezwaren beoordeeld. Volgens hem kan het Trespa op rachels aan het bovenste deel van de dakrand worden geschroefd, boven de zonwering; het deel ter hoogte van het onderste deel van de dakrand, ter hoogte van (de rol van) de zonwering, wordt aldus niet ter plaatse van die zonwering geschroefd. De rachels zorgen voor ventilering, en de (thorax)schroeven kunnen worden uit- en ingeschroefd, waardoor de constructie ook demontabel is, aldus [de aannemer 1] . De door [appellanten] ingeschakelde aannemer [de aannemer 2] heeft verklaard het hiermee eens te zijn. Bij deze stand van zaken moeten naar het oordeel van het hof de door [appellanten] aangevoerde technische bezwaren worden verworpen. De stelling van [appellanten] dat hij in 1999 toestemming van de VvE heeft gekregen voor niet alleen het verplaatsen van de voorgevel maar ook voor het inbouwen van een zonwering daarin, en dat hij daaraan ook de nu door hem geclaimde rechten tot het ongemoeid laten daarvan kan ontlenen – de VvE bestrijdt dit alles –, kan daarom in het midden blijven.

2.9.

Ten aanzien van de dakopbouwen heeft [appellanten] in hoger beroep geen technische bezwaren geformuleerd.

2.10.

Spreektijd vergadering 16 juni 2016. Op de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellanten] aangevoerd dat hij geen spreektijd heeft gekregen op de laatste vergadering van de VvE. Voor zover hij daarmee doelde op de vergadering van 16 juni 2016, waar besluit I werd genomen, en bedoelde te refereren aan zijn in eerste aanleg aangevoerde argument dat besluit I om die reden in strijd is met artikel 35 van het Model Reglement 1973 (MR 1973), wat volgens hem grondslag geeft voor de verzochte vernietiging, geldt dat hij dit argument in hoger beroep niet in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, en dat zijn beroep daarop tijdens de voortgezette mondelinge behandeling, voor zover daarvan al sprake was (zie hiervoor), daarom tardief is voor het principaal hoger beroep. De VvE heeft niet ondubbelzinnig doen blijken dat zij de rechtsstrijd op dit punt (alsnog) in het principaal hoger beroep wilde aanvaarden.

2.11.

Esthetische argumenten. [appellanten] heeft in zijn beroepschrift nog aangevoerd dat de door de VvE aangevoerde esthetische (eenheids)argumenten niet opgaan, vanwege diverse aanpassingen aan het appartementengebouw waarvoor de VvE toestemming heeft gegeven (waaronder het terugplaatsen van hout door [appellanten] aan de patio-zijde van zijn woningen), en die de eenheid van het aanzicht van het gebouw al hebben doorbroken. Dit argument faalt. Het hof heeft tijdens de voortgezette mondelinge behandeling waargenomen dat aan de [straatnaamzijde] van het gebouw weliswaar verschillen bestaan, met name wat betreft de balkonhekken, maar dat de gevel toch nog een enigszins uniforme aanblik biedt. Bovendien wordt met uitvoering van besluit I in ieder geval wel eenheid bereikt wat betreft de gevelpanelen aan deze zijde van het gebouw.

2.12.

[appellanten] heeft nog aangevoerd dat het aanbrengen van Trespa op de koofconstructie van zijn voorgevel zou maken dat de nu daarin voorkomende naden niet op de betreffende plaatsen zouden kunnen worden gehandhaafd, wat volgens hem tot esthetische bezwaren leidt. [de aannemer 1] heeft hiertegen ingebracht dat in plaats van Trespa ook ander materiaal kan worden gebruikt met dezelfde uiterlijke en technische eigenschappen; dat andere materiaal is in platen van grotere lengte beschikbaar, waardoor de naden wel op de oorspronkelijke plek kunnen worden gehandhaafd. Het hof overweegt dat besluit I erop neerkomt dat de houten schroten worden vervangen door kunststof platen die duurzamer en goedkoper zijn. Uit de opstelling van de VvE tijdens de voortgezette mondelinge behandeling concludeert het hof dat de VvE bereid is bij de koofconstructie te kiezen voor een met Trespa in technisch en optisch opzicht vergelijkbaar ander kunststofmateriaal dat wel in de juiste lengte beschikbaar is. Het bedoelde bezwaar levert daarom geen vernietigingsgrond op.

2.13.

Vergunningsvoorschriften. Op de voortgezette mondelinge behandeling heeft [appellanten] nog aangevoerd dat de vergunningsvoorschriften bepalen dat het Trespa wordt verlijmd, en dus niet mag worden geschroefd, terwijl dit laatste wel de bedoeling van de VvE is. Dit argument vormt een nieuwe grond voor het verzoek van [appellanten] tot vernietiging van de bestreden beschikking en toewijzing van zijn oorspronkelijke verzoek. Dit argument had [appellanten] evenwel in zijn beroepschrift moeten noemen, en is daarom te laat in de procedure aangevoerd. Op de voortgezette mondelinge behandeling heeft de VvE niet ondubbelzinnig doen blijken dat zij de rechtsstrijd op dit punt (alsnog) wilde aanvaarden. Ten overvloede overweegt het hof dat het bezwaar van de zijde van [appellanten] onvoldoende onderbouwd is, nu hij, tegenover de mededeling van de VvE op de voortgezette mondelinge behandeling dat zij dat gestelde vergunningsvoorschrift nergens kon terugvinden, niet heeft aangewezen wáár in de vergunningsvoorschriften is voorgeschreven dat het Trespa moet worden verlijmd.

2.14.

Toestemming VvE 2014 patiozijde; eenheid van aanzicht. [appellanten] heeft in 2014 toestemming gevraagd en gekregen om de door de VvE aan de patiozijde van zijn woning aangebrachte Trespa platen te vervangen door houten schroten (zoals vóór de plaatsing van het Trespa). Hij stelt dat hij bij zijn verzoek als reden had opgegeven: herstel van de oorspronkelijke eenheid in de gevels. Aan de gegeven toestemming stelt [appellanten] het gerechtvaardigd vertrouwen te hebben ontleend dat mét die toestemming ook de eenheid behouden zou blijven. Besluit I, waarmee die eenheid weer zou worden doorbroken, is volgens hem in strijd met dit gerechtvaardigd vertrouwen.

2.15.

[appellanten] heeft in zijn brief van 19 oktober 2014, waarmee hij de hiervoor bedoelde toestemming heeft gevraagd, onder meer een beroep gedaan op herstel van de oorspronkelijke eenheid in de gevels. Dit maakt echter niet dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de houten schroten aan de [straatnaamzijde] nimmer opnieuw door Trespa vervangen zouden worden. In de bedoelde brief heeft [appellanten] immers ook een beroep gedaan op andere argumenten en de VvE heeft het herstel van de eenheid ook niet genoemd als reden voor honorering van het verzoek.

2.16.

Slotsom besluit I; betekenis besluit II. Het voorgaande betekent dat de door [appellanten] (tijdig) in hoger beroep aangevoerde gronden voor vernietiging van besluit I falen. Besluit II heeft in dit verband geen zelfstandige betekenis. Op de vergadering van 16 juni 2016 is immers besluit I zonder voorbehoud of voorwaarden genomen. Een besluit over de werking ervan ten opzichte van de appartementen van [appellanten] is toen niet aangehouden tot de volgende vergadering, of iets dergelijks. De ongeldige verwerping van het voorstel van [appellanten] om de werking van besluit I te beperken, op de vergadering van 17 oktober 2016 (besluit II), heeft besluit I niet veranderd.

2.17.

Slotoverweging; proceskosten. [appellanten] heeft er ook nog bezwaar tegen gemaakt dat de kantonrechter de werking van besluit I in tijd heeft uitgesteld. Dit bezwaar strekte er echter toe dat, uitgaande van de door de kantonrechter aanvaarde vernietigingsgrond, besluit I integraal had moeten worden vernietigd, niet partieel. Nu het hof in het principaal hoger beroep geen enkele vernietigingsgrond aanvaardt, heeft dit bezwaar in dit principaal hoger beroep dus ook geen betekenis. Zonder vernietigingsgrond kan het besluit niet (nader) ten gunste van [appellanten] worden gewijzigd. Het bezwaar van [appellanten] strekt er kennelijk niet toe dat het besluit niet of minder vergaand in tijd wordt uitgesteld dan de kantonrechter heeft gedaan. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. [appellanten] heeft geen bewijs aangeboden van concrete feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Aan nadere bewijslevering wordt om deze reden niet toegekomen. Het principaal hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hof zal [appellant sub 1] veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van de VvE tot op heden op € 716 voor het griffierecht en € 2.148 voor het salaris van de advocaat. Gelet op de uitkomst van het incidenteel hoger beroep (hierna, 2.18 e.v.) zal het hof de beslissing in de bestreden beschikking over de kosten van de eerste aanleg ongemoeid laten.

incidenteel hoger beroep

2.18.

Uit het hiervoor in 2.8 overwogene vloeit voort dat het oordeel van de kantonrechter tot uitgestelde werking van besluit I in verband met kosten voor [appellanten] vanwege zijn ingebouwde zonwering, onjuist is; de grieven van de VvE zijn in zoverre gegrond.

2.19.

In hoger beroep heeft [appellanten] als verweer tegen het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat hij tijdens de bijzondere ledenvergadering op 16 juni 2016 niet zijn belangen naar voren heeft kunnen brengen en dat besluit I om die reden vernietigd dient te worden (verweerschrift incidenteel appel, nr. 2). Daarmee sloot [appellanten] blijkbaar aan bij de vernietigingsgrond die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd (bij brief van zijn gemachtigde van 14 juli 2016) dat hij tijdens de vergadering van 16 juni 2016 geen spreektijd heeft gekregen en dat dit in strijd is met art. 35 MR 1973. De VvE heeft het verweer niet (voldoende gemotiveerd) tegengesproken, ook niet met de opmerking tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling dat het voorstel van [appellanten] al bij iedereen bekend was omdat hij dit bij iedereen in de brievenbus had gegooid (voor zover die opmerking al betrekking had op de vergadering van 16 juni 2016). Het gevolg daarvan is dat besluit I vernietigbaar is zowel omdat dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid tot stand is gekomen als wegens een schending van artikel 35 MR 1973 (zie wat betreft dit laatste artikel 2:15 lid 1 onder c BW).

2.20.

Het door de VvE ingestelde incidenteel hoger beroep mag de VvE echter niet in een nadeliger positie brengen dan waartoe de bestreden beschikking leidde. De vernietiging respectievelijk ongeldigheid werken aldus niet verder dan voor zover besluit I en besluit II ertoe strekken de door [appellanten] aan de voorgevel en de dakopbouwen van zijn appartementen aangebrachte houten schroten vóór 1 juli 2020 of (indien dit tijdstip eerder valt:) vóór het tijdstip waarop [appellanten] (een van) zijn appartementen heeft verkocht en heeft overgedragen, te vervangen door Trespa platen. Het hof zal de beschikking daarom in zoverre (wat de verzoeken van [appellanten] betreft) bekrachtigen, met verbetering van gronden.

2.21.

In haar verweerschrift van 23 maart 2016 heeft de VvE “als tegeneis” de kantonrechter verzocht [appellant sub 1] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van Trespa, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof begrijpt de bestreden beschikking aldus dat de kantonrechter dit tegenverzoek van de VvE heeft afgewezen, gezien haar beslissing tot afwijzing van hetgeen meer of anders is verzocht. De herhaling van het tegenverzoek in het verweerschrift/incidenteel beroepschrift begrijpt het hof als een incidentele grief van de VvE tegen deze (niet nader gemotiveerde) beslissing. De veroordeling tot het verlenen van bedoelde medewerking had in eerste aanleg echter niet met een tegenverzoek moeten worden verzocht, maar met een dagvaarding moeten worden gevorderd (vgl. art. 3:296 lid 1 BW). Het hof zal daarom op voet van artikel 69 Rv de zaak in zoverre naar de rolzitting van heden verwijzen voor arrest. Aanpassing van stellingen aan de procedureregels voor de dagvaardingsprocedure (artikel 69 lid 4 Rv) is naar het oordeel van het hof niet nodig. Voor de duidelijkheid: de hierna aan het slot van het dictum uitgesproken afwijzing van het in hoger beroep meer of anders verzochte, omvat niet deze “tegeneis”.

2.22.

De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. De VvE heeft geen bewijs aangeboden van concrete feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Aan nadere bewijslevering wordt om deze reden niet toegekomen. De VvE zal als de in het incidenteel hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof begroot deze aan de zijde van [appellanten] , tot op heden, op € 1.074 voor het salaris van de advocaat.

3 Beslissing

Het hof

  • -

    verwijst de zaak wat betreft het in 2.21 bedoelde tegenverzoek van de VvE naar de rol van heden voor arrest (zaaknummer 200.257.023/01);

  • -

    bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, met verbetering van gronden;

  • -

    veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 716 voor het griffierecht en € 2.148 voor het salaris van de advocaat;

  • -

    veroordeelt de VvE in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 1.074 voor het salaris van de advocaat;

  • -

    wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.W. Frieling, A. Dupain en C.T.C. Welters en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.