Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:75

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
200212509-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overheidsaansprakelijkheid; nadeelcompensatie. I.c. geen schadevergoeding voor tuincentrum wegens (rechtmatige) herinrichting van een straat; het omzetverlies valt binnen het normaal aanvaardbaar ondernemersrisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.212.509/01
Rolnummer rechtbank : C/09/505102 / HA ZA 16-159

Arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

de Gemeente Katwijk,

zetelende te Katwijk,

appellante,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. F.P. van Galen te Leiden,

tegen

[Tuincentrum X B.V.] ,

gevestigd te Rijnsburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [het tuincentrum] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 3 maart 2017 is de Gemeente in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 december 2016 dat de rechtbank Den Haag, team handel, heeft gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft zij zes grieven ingediend. Bij memorie van antwoord heeft [het tuincentrum] de grieven bestreden en een productie overgelegd. Vervolgens hebben beide partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De vaststaande feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

1.1

[het tuincentrum] exploiteert een tuincentrum. Dit is gelegen in de gemeente Katwijk in de noordelijke buitenrand van Rijnsburg aan de Noordwijkerweg 36. Het bedrijf bestaat uit een overdekt winkelgedeelte van 3.500 m2 en een buitenterrein van 700 m2, waar een uitgebreid assortiment voor huis, tuin en dier wordt aangeboden. Het tuincentrum is zes dagen per week vanaf 8.30 uur geopend, tot 18.00 uur op maandag tot en met donderdag, tot 20.30 uur op vrijdag (koopavond) en tot 17.00 uur op zaterdag. De belangrijkste toegangsweg tot het tuincentrum vanuit het zuiden en het centrum van Rijnsburg loopt via de Brouwerstraat, die uitmondt in de Noordwijkerweg.

1.2

In 2009 heeft de gemeenteraad van de Gemeente besloten tot het treffen van een aantal maatregelen ter verbetering van de hoofdinfrastructuur in Rijnsburg in verband met een aantal bestemmingsplannen en bouwplannen. Een van de maatregelen is de herinrichting van de Brouwerstraat tot 30 km-weg.

1.3

In april 2012 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarin het ontwerp voor de herinrichting van de Brouwerstraat aan omwonenden en bedrijven is gepresenteerd. Op 22 mei 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) het definitieve herinrichtingsplan voor de Brouwerstraat vastgesteld. Er is toen vanuit gegaan dat de werkzaamheden in het eerste kwartaal van 2013 kunnen starten en ongeveer een half jaar in beslag zullen nemen. Nadat een aanbestedingsprocedure had plaatsgevonden, is het werk in december 2012 gegund.

1.4

Bij brief van 28 januari 2013 heeft het college aan (de rechtsvoorganger van) [het tuincentrum] geschreven dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de Brouwerstraat op 4 februari 2013 starten en dat de Brouwerstraat vanaf 11 februari 2013 – in drie fasen, steeds een gedeelte – volledig wordt afgesloten tijdens de werkzaamheden. Dit heeft de Gemeente 30 januari 2013 op een informatieavond met [het tuincentrum] en andere ondernemers besproken.

1.5

De herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat zijn uitgevoerd in de periode van 12 februari 2013 tot en met 19 juli 2013. Gedurende deze periode is de Brouwerstraat op doordeweekse dagen van 07:00 uur tot 17:00 uur in beide richtingen afgesloten geweest voor doorgaand verkeer.

1.6

[het tuincentrum] heeft in voornoemde periode een deel van haar bedrijf overgeplaatst naar een door haar gehuurde locatie in Oegstgeest.

1.7

Een aantal vennootschappen, waaronder [het tuincentrum] , heeft op 19 februari 2013 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht, om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 12 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

1.8

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft mw. mr. Ch. Lagerweij-Duits, juriste bij Rechtklus.nl (hierna: Rechtklus) namens [het tuincentrum] , met een beroep op het égalitébeginsel, aan de Gemeente verzocht om vergoeding van de door [het tuincentrum] geleden schade als gevolg van de volledige afsluiting van de Brouwerstraat (nadeelcompensatie). Voor de hoogte van de schade is in het verzoek verwezen naar een erbij gevoegd rapport van [naam] AA dat namens Confianza Accountants (hierna: de financieel deskundige) in opdracht van [het tuincentrum] was uitgebracht. Daarin was de schade begroot op € 161.900,-.

1.9

Namens de Gemeente is voorgesteld een advies over eventuele nadeelcompensatie te laten opmaken. Daartoe heeft [het tuincentrum] Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) als adviseur voorgedragen. Vervolgens heeft de Gemeente aan Lengkeek opdracht gegeven de omvang van de schade van [het tuincentrum] in het licht van het stelsel van nadeelcompensatie te onderzoeken en haar daarover te adviseren.

1.10

Op 24 december 2014 heeft Lengkeek een (concept)rapport uitgebracht (hierna ook: het eerste expertiserapport). Daarin is het verlies aan omzet bij [het tuincentrum] ten gevolge van de afsluiting van de Brouwerstraat begroot op € 159.201 (exclusief btw). Dit was volgens Lengkeek 6,75% omzetverlies. Lengkeek heeft in dit rapport geadviseerd geen vergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie toe te kennen, omdat het omzetverlies onder een drempel van 15% ligt en binnen het normaal aanvaardbaar ondernemersrisico is gebleven. Daarbij heeft Lengkeek ook opgemerkt dat indien de gehuurde locatie in Oegstgeest buiten beschouwing wordt gelaten, het omzetverlies (van alleen de vestiging Rijnsburg) 11,69% bedraagt. Voorts heeft Lengkeek pro forma berekend dat de schade van [het tuincentrum] ten gevolge van de wegafsluiting € 109.004 bedraagt en na aftrek van een korting van 25% wegens normaal maatschappelijk risico: € 81.753 (alles exclusief btw).

1.11

Nadat [het tuincentrum] tijdens een hoorzitting op dit eerste expertiserapport had gereageerd, heeft Lengkeek op 9 maart 2015 een tweede (concept)rapport uitgebracht. Daarin is wederom gerapporteerd dat de omzetderving € 159.201 bedraagt, onder de drempel van 15% is gebleven (ook als alleen de vestiging in Rijsburg in aanmerking wordt genomen) en niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts heeft Lengkeek gerapporteerd dat [het tuincentrum] haar vestiging in Oegstgeest pas op 6 april 2013 heeft geopend en dat als [het tuincentrum] eerder dan eind januari 2013 zou zijn geïnformeerd dat de Brouwerstraat volledig zou worden afgesloten, zij deze locatie per 12 februari 2013 al ter beschikking had kunnen hebben. Daarnaast had [het tuincentrum] als zij eerder was geïnformeerd, bij het inkopen voor het nieuwe seizoen rekening kunnen houden met een lagere omzet en aldus kunnen voorkomen dat een deel van de voorraad incourant zou worden. De schade in verband hiermee heeft Lengkeek begroot op € 24.030 (margederving door incourante voorraad, en de gemiste omzet in Oegstgeest in februari en maart minus de kostenbesparing doordat Oegstgeest later is geopend). Na aftrek van een korting van 25% voor normaal maatschappelijk risico heeft Lengkeek de Gemeente geadviseerd voor dit schadedeel € 18.022 toe te kennen.

1.12

Nadat [het tuincentrum] haar schriftelijk commentaar op dit tweede expertiserapport had gegeven, heeft Lengkeek haar advies in het definitieve rapport van 1 juni 2015 gehandhaafd.

1.13

Bij brief van 8 juli 2015 heeft het college aan [het tuincentrum] meegedeeld dat op grond van het advies van Lengkeek een schadevergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie van

€ 18.022,- zal worden uitgekeerd, welk bedrag vervolgens aan [het tuincentrum] is betaald.

Bij de rechtbank

2.1

[het tuincentrum] heeft de Gemeente gedagvaard en betaling gevorderd van (na eisvermindering) € 69.813,- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, met € 5000,- aan buitengerechtelijke rechtsbijstand kosten en met € 2.500,- voor de kosten van de financieel deskundige.

2.2

Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door slechts een klein gedeelte te vergoeden van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat.

2.3

De Gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.4

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen en de Gemeente veroordeeld in de proceskosten. Zij heeft daartoe het volgende overwogen – zeer kort gezegd:

- [het tuincentrum] is in vergelijking met andere nabij gelegen tuincentra onevenredig zwaar getroffen, zodat sprake is van een speciale last.

- Bij de beoordeling of ook sprake is van een abnormale last in die zin dat de geleden schade buiten het normale ondernemersrisico valt, heeft Lengkeek alleen gekeken of de omvang van de schade uitstijgt boven een drempel van 15% omzetverlies. Die omzetdrempel is niet gerechtvaardigd gelet op de van belang zijnde feiten en omstandigheden. Een deugdelijke motivering ontbreekt; de Gemeente mocht het advies van Lengkeek niet volgen.

- Het is onbegrijpelijk hoe het eerste expertiserapport zich verhoudt tot het tweede, omdat voor het bepalen van het normaal maatschappelijk risico in het eerste expertiserapport de drempelmethode is gehanteerd en in het tweede de kortingsmethode.

- De afweging van feiten en omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat de door [het tuincentrum] geleden schade ten gevolge van de afsluiting van de Brouwersstraat het normale ondernemersrisico overschrijdt.

De rechtbank heeft de aanvullend te betalen vergoeding aan de hand van de aangedragen, onbetwiste cijfers begroot op € 69.813, zijnde de schade minus een al uitgekeerde post van € 15.920 (margederving incourante voorraad) en minus 25% aftrek wegens normaal ondernemersrisico. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de buitengerechtelijke kosten ad € 5.000,- en € 2.500,- voldoende zijn onderbouwd en dienen te worden vergoed. Zij heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De grieven in hoger beroep

3.1

De Gemeente heeft in hoger beroep bestreden dat [het tuincentrum] recht heeft op een hoger bedrag dan Lengkeek heeft geadviseerd. Met grief I richt zij zich tegen het oordeel dat sprake is van een speciale last. Het tuincentrum in Rijnsburg was niet als enige vrijwel geheel afhankelijk van de bereikbaarheid via de Brouwersstraat; er was een verminderde bereikbaarheid voor circa 50% van de klantenkring en alle ondernemers in het gebied waren getroffen, aldus de Gemeente. Met grief II komt de Gemeente op tegen het oordeel dat de toepassing van een omzetdrempel niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens de Gemeente is er geen sprake van een abnormale last. De werkzaamheden aan de Brouwerstraat vallen niet buiten het normale ondernemersrisico en [het tuincentrum] is niet zodanig zwaar getroffen dat zij haar nadeel redelijkerwijs niet zelf moet dragen. Ook grieven III en IV zien daarop. De Gemeente komt ook op tegen het oordeel dat het advies van Lengkeek niet begrijpelijk is en dat de keuze voor een omzetdrempel niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens de Gemeente heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de feiten en omstandigheden het hanteren van een omzetdrempel niet rechtvaardigen en had zij dienen te oordelen dat de Gemeente geen aanvullend bedrag aan [het tuincentrum] verschuldigd is. Grief V richt zich tegen de wijze waarop de rechtbank de (aanvullende) vergoeding heeft berekend. Met haar laatste grief, grief VI, bestrijdt de Gemeente de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten.

3.2

[het tuincentrum] heeft de grieven gemotiveerd bestreden en bekrachtiging van het vonnis gevorderd.

Ontvankelijkheid

4. Tussen partijen is niet in geschil dat [het tuincentrum] ontvankelijk is in haar vordering bij de burgerlijke rechter omdat er aan de (wijze van) uitvoering van de werkzaamheden aan de Brouwerstraat geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit van de Gemeente ten grondslag ligt en er evenmin een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan tegen de beslissing van de Gemeente tot toekenning van het aan [het tuincentrum] betaalde bedrag aan nadeelcompensatie. Het onderhavige geschil over de nadeelcompensatie kan daarom aan de civiele rechter, en in hoger beroep dit hof, worden voorgelegd.

Nadeelcompensatie

5.1

De eerste vier grieven betreffen alle de vraag of [het tuincentrum] nadeelcompensatie van de Gemeente kan vorderen, omdat zij schade heeft geleden door de wegreconstructie van de Brouwerstraat in 2013. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2

Door partijen is niet bestreden het oordeel van de rechtbank (in overweging 4.7) dat de vordering tot nadeelcompensatie is gebaseerd op het égalité-beginsel, waarbij geldt dat de onevenredig nadelige – dat wil zeggen buiten het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – gevolgen van rechtmatig overheidshandelen niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld. Tussen partijen staat dus (terecht) vast dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt, die valt buiten het normaal ondernemersrisico van [het tuincentrum] .

5.3

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in overweging 4.9) dat voor de vraag of een getroffen onderneming door de in het geding zijnde wegreconstructie een speciale last heeft moeten dragen, de onderneming moet worden vergeleken met andere nabij gelegen tuincentra. Deze grief wordt in zoverre terecht aangevoerd dat bij de vraag of [het tuincentrum] een speciale last heeft moeten dragen, relevant kan zijn hoe het nadeel zich verhoudt tot dat van de andere ondernemingen die met deze wegreconstructie te maken hebben gekregen. Hiertoe is van belang dat [het tuincentrum] (als tuincentrum) in het voorjaar de hoogste omzet behaalt, dat haar klanten veelal met de auto komen, dat zij haar inkopen een half jaar voor het seizoen placht te doen en dat zij met de volledige afsluiting van een toegangsroute is geconfronteerd op een moment waarop het voor haar te laat was om daar al bij de aanvang van de werkzaamheden optimaal op in te spelen.

5.4

Echter, dergelijke omstandigheden alléén, leiden niet tot nadeelcompensatie. Vereist is tevens dat [het tuincentrum] door de wegreconstructie buiten haar normale ondernemersrisico schade heeft geleden. Dit moet worden beoordeeld met inachtneming van alle in dit verband van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de aard, duur en voorzienbaarheid van de (rechtmatige) wegreconstructiewerkzaamheden en de aard en omvang van de daardoor geleden schade. In dit kader acht het hof de volgende omstandigheden van belang (5.5 - 5.11).

5.5

De reconstructie van de Brouwerstraat is niet het gevolg van enig ongewoon voorval en het betreft geen omlegging of permanente afsluiting. Het gaat om een reconstructie ter beperking van de maximale snelheid van het (auto)verkeer (invoering van 30 km/uur). Dit is een infrastructurele maatregel die op grond van normale maatschappelijke ontwikkelingen plaatsvindt (de hoge kosten daarvan en de subsidie van de provincie daarvoor maken dat niet anders). Zo’n maatregel met de daarbij behorende werkzaamheden zal elke ondernemer in een groeigemeente op enig moment in zijn nabije omgeving kunnen tegenkomen. Hij zal met zo’n tegenslag dus in beginsel rekening moeten houden, ook al is er nog geen concreet zicht op de omvang, de plaats en het moment van reconstructie. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de ondernemers in Rijnsburg, waar al in 2009 duidelijk was dat het treffen van verkeersmaatregelen noodzakelijk zou worden vanwege de bevolkingsgroei en de geplande woningbouw, met de daarmee gepaard gaande verkeersknelpunten.

5.6

Het was al geruime tijd (in elk geval vanaf mei 2012) bekend dat de reconstructiewerkzaamheden in de Brouwerstraat zouden plaatsvinden en dat zij begin 2013 zouden aanvangen. Echter, dat de Brouwerstraat daartoe gedurende werktijden volledig zou worden afgesloten voor doorgaand verkeer, is pas heel kort van te voren bekend gemaakt en te laat om daar tijdig op in te spelen.

5.7

Het tuincentrum is niet gelegen aan de Brouwerstraat. Het ligt aan de Noordwijkerweg die aan de zuidkant uitmondt in de Brouwerstraat. Aan de Noordwijkerweg zelf vonden geen reconstructiewerkzaamheden plaats en deze weg bleef toegankelijk vanuit de noordelijke richting, via de N206. Dus vanuit onder meer Noordwijk, Katwijk aan Zee, Katwijk aan den Rijn en Voorhout is [het tuincentrum] op dezelfde wijze als altijd bereikbaar gebleven voor alle (auto)verkeer. De omleiding door de afsluiting van De Brouwerstraat trof daarmee ongeveer 50% van de klanten.

5.8

Er is niet gesteld dat het tuincentrum voor deze (50% van de) klanten onbereikbaar was en dat blijkt ook niet uit de stukken; het was verminderd bereikbaar in die zin dat het autoverkeer tijdens de werkzaamheden moest omrijden. Buiten de tijden waarop de werkzaamheden plaatvonden, was de gehele Brouwerstraat opengesteld. Daardoor was er voor doorgaand verkeer geen beperking om het tuincentrum vanaf 17.00 uur en op de zaterdagen en de koopavonden te bereiken.

5.9

De werkzaamheden hebben geruime tijd geduurd, namelijk vijf maanden. De omleidingsbebording voor doorgaand (auto)verkeer met de tekst ‘Brouwerstraat dicht’ en de vermelding dat de weg in het weekend niet dicht was, bleven gedurende deze gehele periode staan.

5.10

[het tuincentrum] heeft zelf borden geplaatst om haar bereikbaarheid gedurende weekenden en koopavonden onder de aandacht te brengen. [het tuincentrum] heeft haar schade (verder) kunnen beperken door in haar vestiging in Rijnsburg twee extra koopavonden in te stellen en door op 12 april 2013 een vestiging in Oegstgeest te openen.
Het hof overweegt dienaangaande hier, dat er geen recht op nadeelcompensatie bestaat voor zover uit (rechtmatig) overheidshandelen schade is ontstaan die de benadeelde redelijkerwijs (binnen redelijke grenzen) zelf kon voorkomen of beperken. Omdat de borden, de extra koopavonden en het openen van een tweede vestiging in Oegstgeest dergelijke schadebeperkende maatregelen waren en [het tuincentrum] deze maatregelen, zo blijkt uit hetgeen zij heeft gesteld, naar aanleiding van de reconstructiewerkzaamheden heeft getroffen en redelijkerwijs heeft kunnen treffen, mag de Gemeente voor het (laten) bepalen van de omvang van de nadeelcompensatie met deze maatregelen rekening houden. Dat betekent in deze zaak dat de cijfers van de vestigingen in zowel Rijnsburg als Oegstgeest (samen) bepalend zijn voor het vaststellen van de omvang van de schade.

5.11

De omzet van [het tuincentrum] in 2013 bleef achter bij die van de jaren daarvoor. Deze omzetdaling is deels veroorzaakt door andere omstandigheden dan de reconstructie van de Brouwerstraat; met name het slechte weer in het voorjaar van 2013 speelde een rol. De omzetdaling ten gevolge van de werkzaamheden in de Brouwerstraat bedroeg volgens de expertiserapporten 6,75%. Hiertoe heeft Lengkeek de normomzet in de periode van de afsluiting (vijf maanden) berekend op € 1.115.120 (exclusief btw) – als zijnde de omzet die [het tuincentrum] in de periode van de vijf maanden van de afsluiting gehad zou hebben indien de afsluiting er niet zou zijn geweest. De in die periode gerealiseerde omzet heeft Lengkeek berekend op € 955.919 (exclusief btw). Daarmee komt Lengkeek op een omzetverlies van € 159.201 ten gevolge van de afsluiting van de Brouwerstraat. Omdat de gemiddelde jaaromzet over de voorgaande drie jaren € 2.358.941 (exclusief btw) bedraagt, is het omzetverlies door de reconstructiewerkzaamheden 6,75%, aldus Lengkeek. De Gemeente gaat eveneens van dit omzetverlies uit. Het hof overweegt dat een omzetdaling van 6,75% niet uitstijgt boven hetgeen in beginsel mag worden aangemerkt als een normaal ondernemersrisico.

5.12

[het tuincentrum] heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar omzetdaling veel groter moet zijn geweest. Zij heeft daartoe verwezen naar haar bedrijfsresultaat, dat in 2013 – anders dan in andere jaren – negatief was. Dit baat [het tuincentrum] niet. Immers, daarmee zijn de omzetcijfers niet weerlegd. [het tuincentrum] heeft de becijfering aangaande het omzetverlies, welke cijfers zijn overgenomen door de Gemeente, uitdrukkelijk niet betwist.

[het tuincentrum] heeft ook niet voldoende concreet aangevoerd welke extra kosten zij heeft moeten maken om het omzetverlies te beperken. Het hof kan daarom niet aannemen dat dergelijke kosten bijzonder hoog – en dan gerechtvaardigd – waren, te meer niet nu het omzetverlies zonder (de kosten voor) de vestiging in Oegstgeest niet hoger dan 11,69% was.

Het past in een gebruikelijke en geaccepteerde methode voor de bepaling van het normaal ondernemersrisico om naar het omzetverlies te kijken voor beantwoording van de vraag hoe hard een bedrijf daadwerkelijk financieel door de (rechtmatige) infrastructurele werken is getroffen. De Gemeente was bij de nadeelcompensatie dus niet verplicht om in plaats daarvan de totale bedrijfsresultaten (die van allerlei bedrijfshandelingen afhankelijk zijn) in aanmerking te nemen.

5.13

Lengkeek heeft in haar (definitieve) rapport tevens geadviseerd een deel (€ 18.022,-) van het door [het tuincentrum] geleden nadeel wel te vergoeden, namelijk het nadeel dat er mogelijk niet geweest zou zijn als [het tuincentrum] tijdig zou zijn geïnformeerd over de wegafsluiting. In hoger beroep is deze toekenning van € 18.022,- niet bestreden.

5.14

Nu uit de expertiserapporten blijkt dat Lengkeek met alle omstandigheden rekening heeft gehouden alvorens te concluderen dat het nadeel van [het tuincentrum] niet (verder) voor nadeelcompensatie in aanmerking komt, mocht de Gemeente, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dit advies volgen.

5.14

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de eerste vier grieven doel treffen. Het vonnis zal worden vernietigd. Het hof moet de vordering tot betaling van een (hoger) bedrag aan nadeelcompensatie afwijzen. Dat betekent dat de vijfde grief, die ziet op de berekening van de vergoeding, geen bespreking behoeft.

Buitengerechtelijke kosten

6.1

De zesde grief van de Gemeente richt zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de buitengerechtelijke kosten. Dit betreft € 5.000,- die Rechtklus bij factuur van 11 september 2015 aan [het tuincentrum] in rekening heeft gebracht voor de werkzaamheden in verband met de gevorderde nadeelcompensatie en € 2.500,- voor de kosten van de financieel deskundige. Volgens de Gemeente zijn deze kosten onnodig gemaakt en bovendien niet voldoende concreet onderbouwd (rechtsbijstand van Rechtklus) of berekend aan de hand van een hoger dan redelijk uurtarief (financieel deskundige).
heeft de grief bestreden. Zij heeft erop gewezen dat niet het Besluit proceskosten bestuursrecht, maar het Burgerlijk Wetboek (in het bijzonder artikel 6:96, lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek) hier leidend is. Het hof overweegt het volgende.

6.2

Het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat het rechtmatige handelen van de Gemeente niet heeft geleid tot schade bij [het tuincentrum] die valt buiten het normaal ondernemersrisico, zodat de Gemeente geen nadeelcompensatie hoefde toe te kennen. Dit betekent dat er geen sprake is van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Er is daarom ook geen grond voor toepassing van artikel 6:95 en daarmee 6:96 lid 2 sub b BW. De door [het tuincentrum] gevorderde buitengerechtelijke kosten komen dus (ook) niet voor vergoeding in aanmerking. Grief VI is gegrond.

Slot

7.1

Omdat de grieven slagen, zal het hof het vonnis vernietigen.

7.2

Bij die uitkomst dient [het tuincentrum] als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep. Deze kosten begroot het hof aan de zijde van de Gemeente op € 1.929,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat in de eerste aanleg (twee punten, eerste aanleg tarief IV, conform het liquidatietarief voor vorderingen boven de € 40.000,- dat gold vóór 14 december 2016) en voor de procedure in hoger beroep op € 2.055,10 aan dagvaardingskosten en griffierechten en € 1.959,- aan salaris voor de advocaat (één punt, hoger beroep, huidig tarief IV), met rente en nasalaris omdat dat is gevorderd en toewijsbaar is.

7.3

De door de Gemeente ter uitvoering van het vonnis betaalde bedragen moeten worden terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, zoals in hoger beroep gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 december 2016;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [het tuincentrum] af;

- veroordeelt [het tuincentrum] om al hetgeen de Gemeente ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [het tuincentrum] heeft voldaan, aan de Gemeente terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

- veroordeelt [het tuincentrum] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Gemeente tot op 14 december 2016 begroot op € 1.929,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 14 dagen na de dag van dit arrest;

- veroordeelt [het tuincentrum] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op € 2.055,10 aan verschotten en op € 1.959,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen.

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, H.J.M. Burg en B.J. Schueler en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.