Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:747

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
09-04-2019
Zaaknummer
200.248.693/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

2018 uitlevering; onrechtmatige overheidsdaad? Bloedwraak? artikelen 2 en 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0591
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.248.693/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/552464/KG ZA 18/438

arrest van 5 februari 2019

inzake

[appellant] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.G. Kabalt te Breukelen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 19 oktober 2018 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen op 2 oktober 2018 in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, team handel. [appellant] heeft één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grief bestreden. Op 20 december 2018 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, [appellant] door mr. Kabalt en de Staat door mr. Ten Broeke, beiden aan de hand van pleitnota’s. Beide partijen hebben bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Tot slot is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

1.1

Bij diplomatieke nota van 14 september 2016 hebben de Albanese autoriteiten om de uitlevering van [appellant] gevraagd met het oog op de tenuitvoerlegging van een (bij verstek) aan [appellant] voor vrouwenhandel opgelegde gevangenisstraf van vijftien jaren.

1.2

Bij uitspraak van 8 augustus 2017 heeft de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam de uitlevering toelaatbaar verklaard. Bij advies aan de Minister van gelijke datum heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor het verweer van [appellant] dat bij uitlevering een reëel risico bestaat dat hij slachtoffer zal worden van bloedwraak.

1.3

De Hoge Raad heeft het door [appellant] tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep op 20 maart 2018 verworpen.

1.4

Bij beschikking van 17 april 2018 heeft de Minister de uitlevering aan Albanië toegestaan. Ten aanzien van het beroep van [appellant] op een dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) in verband met bloedwraak heeft de Minister als volgt overwogen:

“(…)

4.3 (...)

De raadsman heeft echter nagelaten concrete informatie in te dienen waaruit

valt op te maken dat de opgeëiste persoon betrokken is bij een bloedwraakvete.

4.4

De Minister onderkent dat het fenomeen bloedwraak nog steeds bestaat in Albanië, zij het als marginaal verschijnsel. Zo blijkt uit de periodieke rapportage van 2011 van Albanië aan het VN Mensenrechtencomité dat Albanië werk heeft gemaakt van het terugdringen van bloedwraak, en dat het aantal bloedwraak gerelateerde moorden in Albanië over de gerapporteerde periode drastisch is gedaald. Ook heeft de Minister informatie ontvangen uit Albanië, zij het met betrekking tot een ander uitleveringsverzoek, waaruit blijkt dat deze daling zich heeft voortgezet in de periode na 2011, tot 1 bekend geval van een bloedwraak gerelateerde moord in 2016.

4.5

Bloedwraak zou moeten worden uitgesproken of voltrokken door een familielid van het slachtoffer en moord is in Albanië strafbaar. Dat tegen iemand die bloedwraak (probeert) te voltrekken geen bescherming zou worden geboden door de Albanese autoriteiten is onvoldoende gebleken.

4.6

De Minister overweegt verder dat uit algemene rapportages zoals die van de US

State Department 2016 het beeld bestaat dat weinig sprake is van (dodelijk) geweld

in Albanese gevangenissen.

4.7

Op basis van de bovenstaande overwegingen acht de Minister de vrees van de opgeëiste persoon dat juist hij slachtoffer kan worden van bloedwraak onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat zelfs indien de opgeëiste persoon het risico op bloedwraak tegen juist hem voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt, uitlevering naar Albanië niet zou leiden tot een reëel risico op schending van artikel 2 EVRM. Immers wordt de opgeëiste persoon uitgeleverd aan de Albanese autoriteiten en dient de opgeëiste persoon een straf uit te zitten in een Albanese gevangenis. Opgemerkt wordt dat het tussen Nederland en Albanië geldende vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat de Minister er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat Albanië de in het EVRM neergelegde rechten en verplichtingen - waaronder het zorgdragen voor de veiligheid van gevangenen - jegens de opgeëiste persoon zal nakomen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet de Minister onvoldoende grond om van het tussen Nederland en Albanië geldende vertrouwensbeginsel af te wijken.

(…)"

1.5

In de Engelse vertaling van een document van de Albanese Ombudsman staat, voor

zover nu relevant, het volgende vermeld:

"Overview of cases of violence addressed by the People's Advocate Institution in the role of the MKPT during 2012-2017

(…)

Cases of family blood feuds of convicted or accused persons on trial and the inability to secure their life, such as the case of citizen [appellant] of birth date [geboortedatum] , removed from Albania in 2006 for revenge reasons, referred to the local police of Lezhedistrict.

(….)”

1.6

Bij brief van 17 mei 2018 heeft de Minister (mede naar aanleiding van het hierboven onder 1.5. geciteerde document van de Albanese Ombudsman) bij de Albanese autoriteiten geïnformeerd of zij bekend zijn met een jegens [appellant] uitgesproken bloedwraak en een bestaande bedreiging jegens hem. De Albanese autoriteiten hebben op 28 juni 2018 gereageerd en daarbij een brief van "the General Directorate of Prisons" van 4 juni 2018 en een brief van de Albanese Ombudsman van 27 juni 2018 toegezonden.

In de Engelse vertaling van de brief van “the General Directorate of Prisons” staat, voor zover nu relevant:

“(...)

(…) the Institutions for the Enforcement of Criminal Judgments in the Republic of Albania guarantee fundamental rights of the Albanian and foreign citizens serving their punishment, affording them security, fair, equal, human and non-discriminating treatment for their life, in conformity with the Law and bylaws in force "On the rights and treatment of prisoners and pre-trial detainees".

Regarding the specific request of Dutch authorities on the awareness of any risk against the personal security of the citizen [appellant] , at present we cannot state our opinion as currently we do not accurately know the map of criminal activity for that person.

We stress that our institutions house a large number of persons sentenced for the same criminal offence and treated under special security measures. Our authorities apply all procedures to guarantee life security for this category, putting in place the mechanisms and plan of measures drafted for that purpose. At the same time, we stress that Institutions for the Enforcement of Criminal Judgements are situated all over the national territory, giving us flexibility of action to better secure their life and activity during the sentence serving term.

(…)"

In de Engelse vertaling van voormelde brief van de Albanese Ombudsman staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Subject: Reply on the extradition from the Netherlands to Albania of the Albanian

citizen [appellant]

(...)

Secondly, we inform you that the Institution of the Ombudsman has not investigated or reviewed any cases or issues posed by that citizen or his lawyer concerning the risk to his life or health due to bloodfeud grounds.

As above, the Ombudsman cannot confirm the risk threatened or that may be previously threatened to this citizen, because the State Police or the Prosecutor's Office bodies have the functional duties to verify and investigate such allegations.

As regards the documents attached to your letter, referring to the reports of the National Mechanism for the Prevention of Torture of the period 2012-2017, we clarify these are excerpts from our reports concerning the NMPT activity and its findings on the treatment of persons deprived of liberty, but which never confirm special cases of threat due to bloodfeud grounds, which also differ from bloodfeud cases. Additionally, these cases identified, investigated and referred to the competent bodies, followed by the disciplinary measure requested from the NMPT against the State Police or Prison personnel, do not constitute a phenomenon, but there are rare cases and subject to work of the NMPT, however unfortunately present in most MPT reports of the European Council countries and also in CPT reports after the monitoring of state parties.

(…)”

1.7

In het dossier bevindt zich een aantal prints van artikelen van de website “Albanian Daily News”.

In een artikel van 14 december 2016 staat vermeld dat [appellant] in Nederland is aangehouden. Voorts vermeldt het artikel onder meer het volgende:

“Police declared that [appellant] , born on [geboortedatum], left Albania due to blood feud reasons on 2006. Firstly he went to Italy when he was condemned for a criminal offense and then left to Netherlands trying to hide from his enemies in Albania.”

In een artikel van 4 juni 2018 wordt teruggeblikt op de moord op een politiechef, genaamd [politiechef] . Deze man zou 15 jaar eerder zijn doorgeschoten, samen met zijn chauffeur, [X] , door een man genaamd [Y] . Het artikel maakt melding van een aantal moorden die sindsdien hebben plaatsgevonden en vermeldt voorts onder meer het volgende:

“(…)

Meantime, another cousin of [X] , [appellant] was threatened to death in Italy and Albania.

Despite the fact that 15 years ago was killed the hero, colonel [politiechef] , the series of murders between the families [X] , [Y] , (….) and [appellant] from Lezha city goes on due to the state incompetence. The history of blood feud that already claim 10 victims continues.”

Een artikel van 13 september 2018 bevat een interview met de coördinator van het “Center of Interreligious Cooperation”, een in 2006 opgerichte NGO. In het artikel staat dat de interviewer onder meer het volgende aan de coördinator heeft voorgehouden:

“(…) There have been many cases of blood feud victims in the recent days throughout Albania. (….) In such cases, just to mention here the [Y] ’ in Kurbin; such as [appellant] in Lezha district (…)”.

De andere overgelegde artikelen van “Albanian Daily News” betreffen wel bloedwraakkwesties maar maken geen melding van [appellant] .

1.8

In een werkinstructie van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken van mei 2013 ten behoeve van douanemedewerkers (in verband met asielaanvragen) staat onder meer het volgende (p. 6, 7, 13 en 14):

“(…)

1. While there remain a number of active blood feuds in Albania, they are few and declining. (…)

8. Attestation letters from Albanian non-governmental organisations (NGOs) should

not in general be regarded as reliable evidence of the existence of a feud.

9. Documents originating from the Albanian Courts, police or prosecution service, if

genuine, may assist in establishing the existence of a blood feud at the date of the

document relied upon, subject to the test of reliability set out in (….).

10.Unless factual, prompt and consistent, Albanian press reports will add little or no

evidential weigh in considering whether a feud exists.

(….)

3.9.5

According to the Immigration and Refugee Board of Canada in a statement

prepared by the Albanian MOI for the Research Directorate, an official indicated that

some NGOs in Albania have issued certificates or attestation letters to people

involved in blood feuds, but these organisations do not have any "legal right" to

issue such certificates. Similarly, in correspondence with the Research Directorate,

the Executive Director of the Albanian Foundation for Conflict Resolution and

Reconciliation of Disputes (AFCR), an Albanian NGO established in 1995 for the

purpose of conflict resolution and the promotion of tolerance and understanding,

stated that some NGOs have issued attestation letters about blood feuds, but that

they do not have any official authority to act in this capacity.

3.9.6

The official of the Albanian MOI indicated that the police, prosecution office and the

Courts are the state institutions that handle blood feud problems and that the Courts

and Prosecution Office are the only agencies authorised by the Government to

issue certificates related to blood feuds. Without providing details, the official

indicated that these certificates can be issued after authorities "evaluate whether a

case requires further legal protection or not." In contrast to the official's statement,

two NGOs active in blood-feud mediation indicated that, to their knowledge, there are no governmental agencies that issue attestation letters about blood feuds.

(…..)

3.9.10 (…)

However, according to the UN expert, the number of

blood feud has decreased significantly over the past 5 years and civil society

organisations and some media reports have clearly exaggerated the extent of blood

feud killings.

(…)”

1.9

In een document van de “Immigration and Refugee Board of Canada” van 1 februari 2012 staat onder meer vermeld:

“In a statement prepared by the Albanian Ministry of Interior for the Research Directorate, an official indicated that some non-governmental organizations (NGOs) in Albania have issued certificates [or attestation letters] to people involved in blood feuds, but these organizations do not have any "legal right" to issue such certificates (….).

(…) The official of the Albanian Ministry of Interior indicated that the police, prosecution office, and the courts are the state institutions that handle blood feud problems, and that the courts and prosecution office are the only agencies authorized by the government to issue certificates related to blood feuds (….)”

1.10

In een rapport van 13 december 2018 van de “Committee of Nationwide Reconciliation” (hierna: CNR), staat, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat bloedwraak nog steeds een actueel probleem is in Albanië. Voorts vermeldt het rapport onder meer het volgende:

“On 14 July 2018, after the refusal of the petition for asylum and the return to Albania, were murdered in the presence of their child, the former police officer (….) and his partner (…). These murders are similar to other murders for blood feud after the return to Albania of emigrants who did not find the necessary protection outside Albania, as [appellant] , (…)”

1.11

In een mail van de Nederlandse ambassade in Albania van 3 oktober 2017 staat onder meer het volgende vermeld:

“Wij kunnen bevestigen dat de NGO ‘Committee of Nationwide Reconciliation’ een organisatie met een zeer kwalijke reputatie is. Ze was betrokken bij de opmaak en verkoop van valse certificaten die moesten bewijzen dat asielzoekers slachtoffers waren van bloedwraak (….). De voorzitter van de ngo belandde hiervoor in Albanië in de gevangenis. De problematiek van deze valse certificaten wordt aangehaald in de recente studie gemaakt door het Belgisch Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (….). Ook de Canadese overheden informeerden reeds hierover (…)”.

2. [appellant] vordert in dit geding een verbod aan de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, om [appellant] aan Albanië uit te leveren, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. Daartoe voert [appellant] aan dat er een grote kans bestaat dat hij in Albanië zal worden vermoord in verband met een jegens hem uitgesproken bloedwraak. Uitlevering is daarom onrechtmatig wegens strijd met zijn fundamentele rechten, als neergelegd in de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM; recht op leven en recht op bescherming tegen foltering en onmenselijke behandeling).

3. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van bloedwraak.

4. In appel vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering. Met zijn grief voert [appellant] aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn uitlevering aan Albanië een reëel risico op schending van artikel 2 en/of artikel 3 EVRM oplevert. [appellant] meent dat de bloedwraak-kwestie bekend is bij de Albanese autoriteiten, maar dat zij hiermee niets doen en het bewust niet in de stukken vermelden. Gelet op het feit dat hij thans gedetineerd is in Nederland, wordt het hem onmogelijk gemaakt om de bloedwraak jegens hem aannemelijk te maken met nadere stukken, aldus [appellant] . Hij wijst op de berichten van de Albanian Daily News (in het bijzonder die van 14 december 2016 en 4 juni 2018), waarin hij met voor- en achternaam wordt genoemd in verband met bloedwraak. Daarnaast wijst [appellant] erop dat de Albanese autoriteiten in reactie op de brief van de Minister van 17 mei 2018 niet uitdrukkelijk hebben betwist dat de bloedwraak is uitgesproken jegens [appellant] , maar slechts hebben verwezen naar de meegestuurde informatie van het Albanese gevangeniswezen en van de Albanese Ombudsman, waarin de gestelde bloedwraak evenmin wordt betwist. [appellant] stelt dat uit de stukken daarom wel degelijk blijkt dat sprake is van bloedwraak en dat [appellant] in Albanië voor zijn leven moet vrezen. [appellant] voert aan dat de Albanese autoriteiten niet duidelijk hebben aangegeven hoe zij hem zullen beschermen. In de gevangenis is hij extra kwetsbaar doordat hij zichzelf niet kan beschermen, aldus [appellant] , en de corruptie in Albanië is wijdverbreid, juist in instellingen ter bestrijding van misdaad. De Albanese autoriteiten bieden geen concrete garanties, maar volstaan met algemeenheden en houden bewust stukken achter waaruit de bloedwraak jegens [appellant] en zijn familie kan blijken.

5. [appellant] heeft tevens gevorderd dat het hof een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv zal treffen en de Staat zal verbieden over te gaan tot daadwerkelijke uitlevering totdat onherroepelijk zal zijn beslist over de rechtmatigheid van de uitlevering, althans totdat het hof een beslissing zal hebben genomen. Nu de Staat bij memorie van antwoord heeft toegezegd te wachten met uitlevering totdat in appel zal zijn beslist, heeft het hof geen aanleiding gezien eerder op deze vordering te beslissen. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, is de vordering niet toewijsbaar. Nu de Staat geen (extra) kosten heeft hoeven te maken in verband met deze vordering, bestaat dus ook geen aanleiding voor een kostenveroordeling in dit incident.

6. De beantwoording van de vraag of de uitlevering zal leiden tot een schending van fundamentele rechten, zoals de rechten die zijn neergelegd in de artikelen 2 en 3 EVRM, is voorbehouden aan de Minister. Indien tegen een besluit van de Minister om uitlevering toe te staan wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient de toetsing van die beslissing een volledige te zijn (HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387).

7. De artikelen 2 en 3 EVRM staan aan uitlevering in de weg als er gegronde redenen (‘substantial grounds’) zijn om aan te nemen dat juist de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar (‘real risk’) loopt om te worden onderworpen aan een met die artikelen strijdige behandeling. Als zo’n situatie zich voordoet, kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel (inhoudende dat, indien zowel de verzoekende als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal respecteren), maar moet duidelijk blijken op welke manier de verzoekende Staat – in dit geval Albanië – de opgeëiste persoon tegen dit risico zal beschermen.

8. Ook het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat jegens hem en/of zijn familie de bloedwraak is uitgesproken en dat juist hij daarom een reëel risico op schending van artikel 2 en/of artikel 3 EVRM loopt. [appellant] heeft (in eerste aanleg) verklaard dat in 1999 jegens hem en zijn familie een bloedwraak is uitgesproken en dat hij een neef is van de man met wie de bloedwraak is aangevangen. [appellant] heeft echter nagelaten deze – zeer algemene – stelling nader toe te lichten; een concreet, coherent verhaal ontbreekt.

9. Daar komt bij dat uit het vonnis blijkt dat [appellant] in eerste aanleg tevens heeft verklaard dat hij sinds zijn vertrek uit Albanië, jaren geleden, nog diverse malen terug is geweest in Albanië. Hoewel de voorzieningenrechter uitdrukkelijk heeft overwogen dat [appellant] niet heeft geconcretiseerd dat toen sprake is geweest van een daadwerkelijke dreiging, is [appellant] ook in appel hier niet meer op ingegaan. Evenmin heeft [appellant] gereageerd op de overweging van de voorzieningenrechter dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat zijn mannelijke familieleden ook risico lopen, noch dat [appellant] en/of zijn familieleden ooit de bescherming van de autoriteiten heeft/hebben ingeroepen, en zo nee, waarom niet.

10. [appellant] heeft bovendien geen overtuigende stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. In drie van de door hem in het geding gebrachte berichten van de site “Albanian Daily News” wordt weliswaar de naam van [appellant] genoemd (zie hierboven onder 1.7), maar dit volstaat niet. [appellant] bestrijdt niet dat de bron van deze berichten niet kan worden geverifieerd en hij heeft ook niet weersproken dat sprake is van corruptie in relatie tot de Albanese pers. De rapporten van de Albanese Ombudsman en van de CNR vormen evenmin een voldoende onderbouwing. In het rapport van de Ombudsman wordt de naam van [appellant] genoemd, maar zonder enige context of toelichting. Bovendien heeft de Ombudsman in zijn brief van 27 juni 2018 (zie hierboven onder 1.6) bericht dat hij met betrekking tot [appellant] en het risico op bloedwraak niets heeft onderzocht of beoordeeld en dus niet kan bevestigen dat [appellant] het risico loopt slachtoffer te worden van bloedwraak. Voorts maakt de omstandigheid dat in het rapport van CNR staat dat [appellant] is vermoord – hetgeen evident niet juist is – reeds dat dit rapport niet als doorslaggevend bewijs kan worden gebruikt, nog daargelaten dat in meerdere stukken (zie onder 1.6, 1.9 en 1.11 hierboven) vraagtekens worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van verklaringen van NGO’s zoals de CNR.

11. [appellant] stelt dat hij geen officiële bewijsstukken kan bemachtigen omdat hij gedetineerd is en voorts dat de Albanese autoriteiten bewust stukken achterhouden omdat zij uit zijn op zijn uitlevering. De stelling dat de Albanese autoriteiten opzettelijk stukken achterhouden is echter niet gesubstantieerd, nog daargelaten dat niet duidelijk is op welke stukken [appellant] doelt. Bovendien valt niet in te zien waarom [appellant] niet tijdens zijn detentie, al dan niet met behulp van zijn advocaat, verklaringen van bij de gestelde bloedwraak betrokken familieleden zou kunnen laten opstellen.

12. [appellant] voert nog aan dat Albanië niet uitdrukkelijk betwist dat sprake is van bloedwraak jegens hem, maar slechts verwijst naar brieven van het gevangeniswezen en van de Ombudsman. [appellant] miskent hiermee dat het aan hem is om zijn stellingen te onderbouwen en aannemelijk te maken.

13. De verwijzing van [appellant] naar het arrest van dit hof van 25 november 2014 in een andere Albanese uitleveringszaak baat [appellant] evenmin, aangezien in die zaak niet in geschil was dat sprake was van een risico op bloedwraak.

Conclusie

14. De conclusie luidt dat het appel geen succes heeft en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in appel worden veroordeeld. Conform de vordering van de Staat zal het hof bepalen dat de aan de Staat te betalen proceskosten dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente, met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest. Voorts zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door de Staat is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vordering tot schorsing ex artikel 223 Rv af;

in de hoofdzaak:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 2 oktober 2018;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 726,- voor griffierecht en € 3.222,- voor salaris van de advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van dit arrest moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag van voldoening;

- verklaart deze procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, S.A. Boele en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2019, in aanwezigheid van de griffier.