Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:699

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
09-04-2019
Zaaknummer
200.233.484/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leidingschade; abstracte schadeberekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2019/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.233.484/01

Zaaknummer rechtbank : 5430195 CV EXPL 16-41621

arrest van 9 april 2019

inzake

Glazen Maas Infrastructuur B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

nader te noemen: Glazen Maas,

advocaat: mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen:

A. Hak Rijnmond B.V.,

gevestigd te Tricht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Hak,

advocaat: mr. M.P. Vink te Amsterdam.

1 Het geding

1.1.

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de hogerberoepdagvaarding van 6 oktober 2017 en het herstelexploot van 11 oktober 2017;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    het arrest van 20 maart 2018;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 28 februari 2019 en de pleitnota’s van mr. F.I.S.A.L. van Velsen (voor Glazen Maas) en mr. Vink voornoemd.

1.2.

Ten slotte is arrest bepaald op heden.

2 De beoordeling van het hoger beroep

korte aanduiding van de zaak

2.1.

Glazen Maas is eigenares en beheerder van glasvezelnetwerken in het gebied (groot) Rotterdam. Het beheer van deze netwerken heeft zij uitbesteed aan de firma [X B.V.] (hierna: [X B.V.] ).

2.2.

Op 1 april 2016 zijn er onder verantwoordelijkheid van Hak graafwerkzaamheden uitgevoerd op de locatie Wilhelminakade (hoek Edam) in Rotterdam. Daarbij is schade toegebracht aan een glasvezelkabel (met toebehoren) van Glazen Maas.

2.3.

Aegon, de werkmateriaalverzekeraar van de bij het incident gebruikte graafmachine, heeft namens Hak aansprakelijkheid voor de schade erkend.

2.4.

Bij brief van 12 juli 2016 heeft [X B.V.] een schadeopstelling aan Hak gestuurd met daarin de volgende posten:

  1. eigen personeel (€ 1.950), materiaal (exclusief toeslag inkoop en logistiek) (€ 1.532,23), aannemer (€ 6.017,84), KLIC-graafmelding (€ 30);

  2. toeslag inkoop en logistiek (10% op materiaal) ten bedrage van € 153,22;

  3. consignatiekosten ten bedrage van € 840,00;

  4. degeneratiekosten gemeente Rotterdam ten bedrage van € 110,43;

  5. leges gemeente Rotterdam ten bedrage van € 1.153,80;

  6. reparatiegebonden bijkomende kosten ten bedrage van € 615,00;

  7. vaststelling aansprakelijkheid, schade en invordering ten bedrage van € 800,00.

2.5.

Bij e-mailbericht van 13 september 2016 heeft Aegon [X B.V.] gevraagd de gevorderde posten met betrekking tot de KLIC-graafmelding, de leges, de degeneratiekosten, de consignatiekosten en de reparatiegebonden bijkomende kosten aan te tonen en te onderbouwen.

2.6.

Bij e-mailbericht van 14 september 2016 heeft [X B.V.] Aegon geantwoord. Ten aanzien van de degeneratiekosten en de leges heeft [X B.V.] verwezen naar websites van de gemeente Rotterdam. Ten aanzien van de consignatiekosten heeft [X B.V.] vermeld dat schadeveroorzakers een evenredig deel dienen mee te betalen aan de door de netbeheerder op permanente basis in stand te houden – in de e-mail nader toegelichte – storingsdienst, waarbij er gestaffeld is. Over de – in de e-mail nader omschreven – reparatiegebonden bijkomende kosten heeft [X B.V.] opgemerkt dat dit kosten zijn van noodzakelijke bijkomende werkzaamheden die voortvloeien uit iedere storing, waarbij eveneens gestaffeld is.

2.7.

Bij e-mailbericht van 20 september 2016 heeft Aegon nogmaals verzocht om bewijs voor de schadeposten; zij vroeg daarbij om facturen. Glazen Maas heeft hierop geantwoord dat de schade abstract dient te worden berekend en dat het dossier inmiddels uit handen was gegeven aan de deurwaarder.

2.8.

Aegon heeft medio oktober 2016 een bedrag van € 9.530,07 overgemaakt naar (de incassogemachtigde van) Glazen Maas, welk bedrag op 24 oktober 2016 is teruggestort, waarbij een beroep is gedaan op artikel 6:44 BW. Het bedrag van € 9.530,07 had betrekking op de posten genoemd onder i. in 2.4 hiervoor. Op 17 november 2016, nadat Glazen Maas op 16 november 2016 de legesnota van de gemeente Rotterdam in het geding had gebracht, heeft Aegon een bedrag overgemaakt van € 10.817,59 (het eerdergenoemde bedrag van € 9.530,07 plus de legeskosten ad € 1.153,80 en wettelijke rente). Ook dit bedrag heeft (de incassogemachtigde van) Glazen Maas teruggestort.

de vorderingen en het vonnis in eerste aanleg

2.9.

In eerste aanleg heeft Glazen Maas veroordeling van Hak gevorderd tot betaling van € 13.321,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding en met veroordeling van Hak in de kosten.

2.10.

Hak heeft deze vordering betwist voor zover het ging om de hiervoor in 2.4 onder ii.-iv. en vi.-vii. vermelde posten (en de daarover gevorderde rente) en de proceskosten. Voor het overige (posten i. en v.) heeft zij de vordering erkend. Haar eerdere betwisting van post v. (leges gemeente Rotterdam) heeft zij tijdens de procedure in eerste aanleg opgegeven, nadat Glazen Maas de legesnota van de gemeente Rotterdam in het geding had gebracht.

2.11.

Met het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering zoals erkend toegewezen, alsmede de hiervoor in 2.4 vermelde post vi. en de daarop gevallen wettelijke rente, en de daar vermelde post vii. tot een bedrag van € 400: in totaal € 11.817,76, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 11.298,87 vanaf 26 september 2016. De overige posten werden daarbij afgewezen. De proceskosten heeft de kantonrechter gecompenseerd.

de vorderingen in het hoger beroep

2.12.

Bij hogerberoepdagvaarding heeft Glazen Maas vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en integrale toewijzing van haar vordering in eerste aanleg gevorderd. Bij memorie van grieven heeft Glazen Maas haar eis verminderd, omdat Aegon het bedrag tot betaling waarvan de kantonrechter Hak had veroordeeld, op 13 juli 2017 had betaald. In hoger beroep vordert zij thans nog vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Hak tot betaling van € 1.503,82, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.103,82 vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, met veroordeling van Hak in de kosten van beide instanties.

2.13.

Hak verweert zich tegen deze (verminderde) eis. In incidenteel hoger beroep vordert zij vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de door haar bestreden posten (hiervoor, 2.10) daarin zijn toegewezen, en alsnog afwijzing van deze posten, met veroordeling van Glazen Maas in de kosten van beide instanties.

2.14.

De grieven van beide partijen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

beoordeling van de vorderingen in het hoger beroep

ii. toeslag inkoop en logistiek (10% op materiaal) (€ 153,22) en iii. consignatiekosten (€ 840)

2.15.

Bij deze posten gaat het om kosten voor inkoop en logistiek en voor het in stand houden van een 24/7 storingsdienst. Dit zijn kosten van gewone bedrijfsuitoefening van een netbeheerder/beheersorganisatie (als Glazen Maas/ [X B.V.] ). Volgens Glazen Maas is het redelijk dat schadeveroorzakers hun deel daaraan meebetalen, want de voorzieningen strekken ook tot het (onverwijlde) herstel van de door hen veroorzaakte schades.

2.16.

Glazen Maas heeft post ii. nader toegelicht met haar productie E17. Daarin stelt Glazen Maas wat volgens haar de jaarlijkse kosten van [X B.V.] voor huisvesting, algemene facilitaire zaken en inkoop zijn, de toerekening daarvan aan magazijn, de toerekening daarvan aan storingen, en de toerekening daarvan weer aan door derden veroorzaakte schades. Deze berekening komt uit, na laatstbedoelde toerekening, op een bedrag van € 6.066. Glazen Maas brengt de betreffende kosten forfaitair bij schadeveroorzakers in rekening door middel van een toeslag van 10% op de inkoopprijs van het voor de betreffende reparaties gebruikte materiaal. In het laatste referentiejaar (medio 2015-medio 2016) is volgens Glazen Maas in het kader van schadeverhaal van infraschades, met deze 10%-toeslag een nominaal bedrag van nog geen € 1.000 aan schadeveroorzakers in rekening gebracht. De toeslag dekt volgens haar bij lange na dus niet de werkelijke kosten van [X B.V.] voor inkoop en logistiek, die aan schades door derden is toe te rekenen.

2.17.

Post iii. heeft Glazen Maas nader toegelicht met productie E18. Daarin stelt Glazen Maas wat volgens haar de jaarlijkse kosten van [X B.V.] en haar eigen kosten voor de in stand gehouden storingsdienst zijn, en de toerekening daarvan aan door derden veroorzaakte schades. Deze berekening komt uit, na deze toerekening, op een bedrag van € 20.700. Glazen Maas brengt de betreffende kosten evenredig gestaffeld (tot een bepaald maximum) bij schadeveroorzakers in rekening. In het laatste referentiejaar (medio 2015-medio 2016) is volgens Glazen Maas in het kader van schadeverhaal van infraschades, met deze post een nominaal bedrag van € 7.050 aan schadeveroorzakers in rekening gebracht. De toeslag dekt volgens haar dus maar ongeveer een derde van de werkelijke kosten van [X B.V.] en haarzelf voor het in stand houden van de storingsdienst.

2.18.

Hak heeft tegen deze posten samengevat de volgende verweren aangevoerd:

  1. De door Glazen Maas berekende opslag vormt geen objectieve maatstaf voor de reparatiekosten van de schade; het zijn immers de kosten waarvan Glazen Maas stelt dat haar eigen beheerder deze (concreet) heeft gemaakt. De schades waarom het hier gaat zijn ook te divers om met uniforme/objectieve maatstaven of tarieven te kunnen afdoen. Voor abstracte schadeberekening is daarom geen plaats, en in elk geval is de geclaimde schade niet abstract berekend.

  2. Uitgaande van abstracte schadeberekening: de kosten van inkoop en logistiek behoren volgens de eigen stellingen van Glazen Maas tot de algemene bedrijfskosten van (een beheersorganisatie als) [X B.V.] . Ook zonder schades door derden worden deze gemaakt. Er is dus geen causaal verband tussen het schadevoorval en de betreffende kosten.

  3. Uitgaande van concrete schadeberekening: Glazen Maas heeft niet onderbouwd dat de betreffende kosten bij haar in rekening zijn gebracht of anderszins voor haar rekening komen.

  4. Ten aanzien van post iii. nog: deze kosten heeft Glazen Maas reeds in rekening gebracht met de – door Hak erkende – post “kosten eigen personeel”.

2.19.

De kantonrechter heeft ten aanzien van post ii. verweren b. en c. gehonoreerd, en ten aanzien van post iii. (slechts) verweer b. De grieven van Glazen Maas richten zich tegen de honorering van verweer b. Omdat, zoals hierna (2.22) zal blijken, de grieven in zoverre slagen, dient het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep ook verweer a. te beoordelen. Ook verweer d. moet het hof beoordelen. Omdat ook verweren a. en d. falen (2.20-21 en 2.23), kan de vordering van Glazen Maas worden begroot op basis van de gestelde abstracte schadeberekening en wordt aan verweer c. (geen onderbouwing van concrete schade) niet toegekomen.

2.20.

Ad verweer a. Uitgangspunt bij zaakschade is dat deze, ter keuze van de benadeelde, abstract mag worden begroot: wat naar objectieve maatstaven de reparatiekosten zijn, geldt als schade. In het onderhavige geval heeft Glazen Maas een begroting gegeven van de concrete kosten die haar eigen beheersorganisatie volgens haar maakt ter zake van inkoop en logistiek en het in stand houden van een 24/7 storingsdienst in verband met schades door derden, en toegelicht hoe zij een deel van deze kosten bij schadeveroorzakers in rekening brengt in de vorm van een 10%-opslag op voor de betreffende reparaties gebruikt materiaal respectievelijk een gestaffelde post consignatiekosten. Haar stelling luidt intussen dat zij de betreffende posten volgens een objectieve maatstaf berekent. Zij bedoelt daarmee klaarblijkelijk dat de volgens haar door [X B.V.] gemaakte kosten representatief zijn voor dergelijke kosten van een bekwaam reparateur – de maatman die voor het begroten van deze kosten in aanmerking moet worden genomen –, of in elk geval dat een bekwaam reparateur niet minder in rekening zal brengen voor de dekking van deze kosten. Glazen Maas wijst er in dit verband nog op dat Hak een partij is die goed in staat moet worden geacht om de door Glazen Maas opgevoerde kosten en in rekening gebrachte tarieven op waarde te schatten: zij zal als aannemer vaker te maken hebben met leidingschades, en een zusterorganisatie van haar oefent zelf beheertaken uit voor een netbeheerder.

2.21.

Tegen deze achtergrond verwerpt het hof verweer a. Naar zijn aard leent leidingschade zich voor abstracte begroting, en dat geldt ook voor de hier aan de orde zijnde kosten. Glazen Maas heeft deze kosten ook abstract begroot. Dat wordt niet anders doordat zij zich daarbij baseert op wat volgens haar de concrete bedrijfseconomische gegevens van haar eigen beheersorganisatie zijn. Die zijn niet onbruikbaar op grond van de (enkele) stelling van Hak dat Glazen Maas dusdoende een “slager” is “die zijn eigen vlees keurt”. Hak stelt niet dat er voor het abstract begroten van deze kosten betrouwbaarder kengetallen voorhanden zijn, terwijl zij wel – gegeven de aard van haar onderneming en het concern waartoe zij behoort – tot beoordeling daarvan in staat moet worden geacht. Hak stelt ook niet dat [X B.V.] geen bekwaam reparateur is. Zij stelt evenmin, althans niet concreet, dat er iets schort aan de door Glazen Maas gepresenteerde cijfers en berekeningen, of anderszins dat de door Glazen Maas opgevoerde kosten van [X B.V.] niet marktconform zijn. Dat kan dan ook niet gelden voor de door Glazen Maas ter zake van deze kosten in rekening gebrachte tarieven, in de zin dat de markttarieven lager zouden liggen, nu volgens de onweersproken berekeningen van Glazen Maas de op basis van die tarieven in rekening gebrachte bedragen de gepresenteerde kosten bij lange na niet dekken. De redelijkheid van de door Glazen Maas gehanteerde staffel voor post iii. en het daarin opgenomen maximum heeft Hak niet concreet ter discussie gesteld. Wel heeft zij er terecht op gewezen dat de in dit geval in rekening gebrachte € 840 als zodanig niet voorkomt in de door Glazen Maas gepresenteerde staffel. Gegeven echter het bedrag van de directe schade, waarop de staffel is gebaseerd, komt dit incident in die staffel uit op een aanzienlijk hogere vergoeding voor deze post, zodat dit door Hak genoemde punt verder zonder consequenties kan blijven.

2.22.

Ad verweer b. Met dit verweer miskent Hak – en dit heeft ook de kantonrechter miskend – dat de enkele omstandigheid dat de hier aan de orde zijnde kosten tot de normale bedrijfskosten van een beheersorganisatie als [X B.V.] behoren, niet maakt dat deze niet mede worden gemaakt met het oog op reparaties van schades door derden. Gegeven het veelvuldig voorkomen van leidingschades veroorzaakt door derden behoort tot beheer als hier aan de orde mede het (onverwijld) repareren van deze schades. De desbetreffende normale bedrijfskosten worden dus ook mede met het oog daarop gemaakt. Tussen storingen en schade voor Glazen Maas (ter beperking waarvan onder meer materiaalvoorraad wordt aangehouden en een 24/7 storingsdienst in stand wordt gehouden) bestaat een lineair verband. Onder deze omstandigheden is het redelijk de aan de materiaalvoorraad toe te rekenen overhead (inkoop en logistiek) en de kosten van de 24/7 storingsdienst aan de schades door derden toe te rekenen overeenkomstig het aandeel van deze schades in de totale schade door storingen.. Omdat de instandhouding van een storingsdienst mede met het oog op leidingschades veroorzaakt door derden gerechtvaardigd is, is het niet van belang of de betreffende kosten ook zouden zijn gemaakt indien geen sprake zou zijn geweest van schades door derden (HR 23 september 1988, NJ 1989/743 (Kalimijnen)). Het hof verwerpt daarom ook dit verweer.

2.23.

Ad verweer d. Glazen Maas heeft met productie E18 een onderbouwing gegeven van haar consignatiekosten: het betreft (slechts) kosten om een storingsdienst permanent beschikbaar te houden. De als “kosten eigen personeel” in rekening gebrachte kosten betreffen concrete werkzaamheden (op uurbasis berekend) voor het concrete schadegeval. Dat het hier (dus) om verschillende posten gaat, heeft Hak niet voldoende gemotiveerd betwist.

2.24.

Het voorgaande betekent dat posten ii. en iii. alsnog dienen te worden toegewezen.

iv. degeneratiekosten gemeente Rotterdam (€ 110,43)

2.25.

Op grond van de Schaderegeling Ingravingen Rotterdam 2015 dienen kort gezegd voor het openbreken van wegen degeneratiekosten te worden betaald aan de gemeente Rotterdam, ter dekking van de kosten van de gemeente voor het herstel daarvan. Glazen Maas stelt dat de door [X B.V.] ingeschakelde aannemer voor de reparatie van het schadevoorval in kwestie zogenaamde handholes heeft moeten graven, dat deze daarvoor op twee plaatsen (op ruime afstand) ter weerszijden van het schadevoorval het wegdek heeft moeten openbreken, en dat zij daarom zulke degeneratiekosten, tot het gevorderde bedrag, verschuldigd is geworden.

2.26.

Hak heeft de volgende verweren gevoerd:

  1. Het wegdek was al opengebroken, er werden dus geen (nieuwe) degeneratiekosten verschuldigd.

  2. Glazen Maas heeft niet met een nota onderbouwd dat deze kosten aan haar in rekening zijn gebracht; daarom kan de gestelde schade niet worden vastgesteld.

2.27.

De kantonrechter heeft verweer a. gehonoreerd. Daartegen richten zich de grieven van Glazen Maas.

2.28.

Ad verweer a. In haar processtukken heeft Hak aangevoerd dat “het complete wegdek in de betreffende straat” was opengebroken, maar op de pleidooizitting van 28 februari 2019 geconfronteerd met de omstandigheid dat de locatie van het schadevoorval zich bevond op de T-splitsing Wilhelminakade-Edam, terwijl (de aannemer van) Glazen Maas het wegdek van de Wilhelminakade ruim voorbij die T-splitsing (aan weerszijden) had moeten openbreken, kon Hak niet nader aanduiden van welke straat (Edam, wat niet relevant zou zijn, of Wilhelminakade, wat wel relevant zou zijn) volgens haar het complete wegdek was opengebroken. Ook weersprak zij niet de stelling van Glazen Maas dat de (graaf)werkzaamheden van Hak blijkens de daarvoor gedane KLIC-melding uitsluitend ter hoogte van de Edam plaatsvonden. Bij deze stand van zaken kan niet (langer) worden gezegd dat Hak de door Glazen Maas gestelde grondslag van deze post (dat voor de reparatie het wegdek moest worden opengebroken) gemotiveerd heeft betwist. Dit betekent dat verweer a. faalt.

2.29.

Ad verweer b. Dit faalt ook. Uit voormelde Schaderegeling vloeit voort dat bij openbreken van het wegdek, de in die regeling genoemde vergoedingen verschuldigd worden. Deze aldus verschuldigde vergoedingen kwalificeren daarom in het kader van een abstracte schadeberekening als schade, ook al is in het onderhavige geval niet onderbouwd of zelfs maar gesteld dat de verschuldigde vergoeding (al) daadwerkelijk in rekening is gebracht. Dat het door Glazen Maas voor deze post in rekening gebrachte bedrag gelijk is aan (of althans niet hoger is dan) wat in dit concrete geval op grond van de Schaderegeling verschuldigd is geworden, heeft Hak niet betwist.

2.30.

Het voorgaande betekent dat post iv. alsnog dient te worden toegewezen.

vi. reparatiegebonden bijkomende kosten (€ 615)

2.31.

Bij deze post gaat het om kosten die rechtstreeks verband houden met het afhandelen van storingen. Glazen Maas heeft deze post nader toegelicht met haar productie E19 en in haar e-mail die is overgelegd als productie E10. Daarin stelt zij dat bij [X B.V.] twee storingsleiders en één administratief medewerker deze werkzaamheden verrichten. Bij de storingsleiders gaat het om werkzaamheden waarvoor zij niet uren schrijven (in gevallen waarin zij optreden als toezichthouder of projectleider bij concrete storingen). In haar toelichting noemt Glazen Maas de kosten van deze medewerkers, het aandeel van deze taken in het totaal van hun werkzaamheden, de omslag van deze kosten over Glazen Maas (t.o.v. overige netbeheerders die [X B.V.] bedient), de toerekening van deze omslag aan schades door derden (op jaarbasis € 11.640), en ten slotte de staffel waarmee Glazen Maas deze post bij schadeveroorzakers in rekening brengt. In het laatste referentiejaar (medio 2015-medio 2016) is volgens Glazen Maas in het kader van schadeverhaal van infraschades, met deze post een nominaal bedrag van € 4.815 aan schadeveroorzakers in rekening gebracht. De toeslag dekt volgens haar dus maar ongeveer de helft van de werkelijke “reparatiegebonden bijkomende kosten” van [X B.V.] .

2.32.

De kantonrechter heeft deze post toegewezen. Hak heeft in hoger beroep betwist dat Glazen Maas behalve de door [X B.V.] aan haar in rekening gebrachte “kosten eigen personeel” (€ 1.950) ook nog andere kosten heeft gemaakt, die [X B.V.] over haar en andere netbeheerders zou hebben omgeslagen. In eerste aanleg heeft Hak gesteld dat sprake is van een driedubbeltelling, naast de “kosten eigen personeel” en de consignatiekosten. Verder heeft Hak de gestelde kosten van een administratief medewerkster van € 60.000 (op jaarbasis) “niet realistisch” genoemd.

2.33.

Glazen Maas heeft dit verweer gemotiveerd weersproken door erop te wijzen dat, mede blijkens de specificatie van de post “kosten eigen personeel”, die werkzaamheden anders zijn dan die van de werkzaamheden onder de “reparatiegebonden bijkomende kosten”. Dat de onder “kosten eigen personeel” in rekening gebrachte werkzaamheden niet (mede) zijn besteed aan wat Glazen Maas in rekening brengt als “reparatiegebonden bijkomende kosten”, heeft Hak niet voldoende gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van de door Hak aangevoerde dubbeltelling met de consignatiekosten verwijst het hof naar het hiervoor in 2.23 overwogene: de consignatiekosten betreffen slechts de kosten van het beschikbaar hebben van een 24/7-storingsdienst, geen kosten voor (kantoor)werkzaamheden zoals Glazen Maas die voor deze post heeft beschreven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het hof evenmin aannemen dat totale werkgeverslasten van € 60.000,- voor een administratief medewerkster “niet realistisch” zijn, daargelaten nog dat ook als zou worden uitgegaan van wat lagere kosten, deze volgens de berekening van Glazen Maas nog steeds niet worden gedekt door wat hiervoor aan schadeveroorzakers in rekening wordt gebracht (hiervoor, 2.31 (slot)). Ook post vi moet dus worden toegewezen.

vii. vaststelling aansprakelijkheid, schade en invordering (€ 800)

2.34.

Deze post betreft kosten voor het vaststellen van aansprakelijkheid en schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW) (hierna: b-kosten) en voor buitengerechtelijke incasso (artikel 6:96 lid 2 sub c BW) (hierna: c-kosten). Glazen Maas heeft een toelichting gegeven op de betreffende werkzaamheden (conclusie van repliek, 28). Glazen Maas stelt dat haar werkelijke kosten veel hoger zijn, maar zij brengt hiervoor niet meer in rekening dan het tarief dat voor de betreffende hoofdsom ter dekking van (slechts) de c-kosten in rekening kan worden gebracht volgens het rapport Voorwerk II.

2.35.

Hak heeft de volgende verweren gevoerd:

  1. De betreffende kosten houden geen rechtstreeks verband met de geleden zaakschade; er is daarom ook geen grond om ze abstract te berekenen.

  2. Uitgaande van concrete schadeberekening: de betreffende kosten zijn gemaakt door [X B.V.] , niet door Glazen Maas, terwijl niet is gesteld dat [X B.V.] deze aan Glazen Maas heeft doorbelast.

  3. Ten aanzien van de c-kosten: Glazen Maas heeft slechts geringe werkzaamheden behoeven te verrichten voor buitengerechtelijke incasso. Deze verschieten op grond van artikel 241 Rv van kleur in proceskosten, en kunnen om die reden niet separaat in rekening worden gebracht.

  4. Ook ten aanzien van de c-kosten: Glazen Maas heeft zich in het traject van buitengerechtelijke incasso bovendien onredelijk opgesteld. Hak is steeds bereid geweest de door haar veroorzaakte schade te betalen. Glazen Maas weigerde echter om bepaalde posten deugdelijk te onderbouwen. Glazen Maas moet de door haar gemaakte c-kosten, voor zover van toepassing, daarom voor eigen rekening nemen (artikel 6:2 en 101 BW).

2.36.

De kantonrechter heeft verweer b. (en daarmee impliciet verweer a.) gehonoreerd ten aanzien van de b-kosten. Ten aanzien van de c-kosten heeft de kantonrechter de verweren van Hak gepasseerd, en de betreffende post toegewezen tot de helft van het totaal voor de b- en c-kosten geclaimde bedrag. De grieven van Glazen Maas richten zich tegen de gedeeltelijke afwijzing van deze post, die van Hak tegen de gedeeltelijke (complementaire) toewijzing ervan.

2.37.

Ad verweren a. en b. Onweersproken is dat [X B.V.] de betreffende werkzaamheden (ter zake van de b- en c-kosten) heeft verricht, en dus dergelijke kosten heeft gemaakt, op last van Glazen Maas. Glazen Maas dient deze kosten uit dien hoofde aan [X B.V.] te vergoeden; deze kosten c.q. deze vergoedingsplicht is daarom schade voor Glazen Maas. Daarvoor hoeft Glazen Maas in het kader van een abstracte schadeberekening niet te stellen, of te onderbouwen, dat [X B.V.] deze kosten in dit concrete geval daadwerkelijk aan haar in rekening heeft gebracht. Dit betekent dat verweer b. faalt. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de onweersproken stelling van Glazen Maas dat [X B.V.] een onderneming is die vennootschappelijk los van haar staat, die het beheer van het net van Glazen Maas in opdracht van Glazen Maas verzorgt, en daarvoor algemene en incident-gebonden vergoedingen in rekening brengt (proces-verbaal comparitie van partijen eerste aanleg), reeds genoegzaam kan worden afgeleid dat (ook) deze werkzaamheden daadwerkelijk en kostendekkend bij Glazen Maas in rekening zijn of zullen worden gebracht. Tegen deze achtergrond had Hak althans moeten motiveren waarom dat – in deze zakelijke verhouding tussen Glazen Maas en [X B.V.] – niet zo zou zijn. Dat heeft Hak niet gedaan. Omdat verweer b. faalt, wordt niet toegekomen aan verweer a.

2.38.

Hak heeft niet betwist dat [X B.V.] tot een bedrag van € 400 b-kosten heeft gemaakt. Glazen Maas heeft op haar beurt in het hoger beroep niet (concreet) aangevoerd dat de b-kosten hoger liggen, of althans dat van de totaal door haar geclaimde € 800 voor b- en c-kosten, meer dan de helft betrekking heeft op b-kosten. Om deze reden zullen de b-kosten alsnog worden toegewezen tot het bedrag van € 400.

2.39.

Ad verweren c. en d. Het hof volgt Hak niet in haar verweer dat vanwege een onredelijke preprocessuele houding wat betreft informatieverschaffing, Glazen Maas helemaal geen aanspraak kan maken op c-kosten. Aan Hak moet worden toegegeven dat Glazen Maas bepaalde aanvullende informatie over haar schade pas in de procedure naar voren heeft gebracht, maar niet gezegd kan worden dat zij in de preprocessuele fase concrete informatie waarom Hak terecht (concreet) vroeg, geweigerd heeft te geven. Daarbij komt dat de aanvullende informatie die Glazen Maas in de procedure heeft verschaft, Hak er – ten onrechte – niet toe heeft gebracht de betreffende schade alsnog volledig te erkennen. Daarom is niet aannemelijk dat het in de preprocessuele fase niet-verschaffen van deze informatie in de weg heeft gestaan aan vrijwillige volledige betaling. Eén schadepost heeft Hak nog wel erkend naar aanleiding van de door Glazen Maas eerst in de procedure verschafte informatie: de leges van de gemeente Rotterdam (vergunning graafwerkzaamheden). De betreffende nota hoefde Glazen Maas echter niet te verschaffen ter onderbouwing van haar schade (vergelijk hiervoor, 2.29), zodat het niet reeds verschaffen hiervan in de preprocessuele fase zonder betekenis is.

2.40.

Het hof volgt Hak evenmin in haar stellingname dat de buitengerechtelijke invorderingswerkzaamheden Glazen Maas onder de werking van artikel 241 Rv vallen. Omdat Glazen Maas op regelmatige basis met schades als deze te maken heeft, ligt het in de rede en is het dus ook toegestaan dat zij de betreffende kosten forfaitair in rekening brengt. In de omstandigheid dat in dit geval aansprakelijkheid aanstonds werd erkend, er slechts op bepaalde posten vragen waren, en Hak bovendien tot tweemaal toe vergeefs heeft getracht het door haar erkende deel van de schade aan Glazen Maas te betalen, kan aanleiding worden gevonden om voor deze forfaitaire vergoeding in dit geval aan te knopen bij het schadebedrag waarover ten tijde van de inleidende dagvaarding nog discussie bestond, niet dus met inbegrip van het erkende deel. Per saldo maakt dit in dit geval echter niet uit. Het ten tijde van de inleidende dagvaarding betwiste deel van de schade valt in de staffel van Voorwerk II, waarop Glazen Maas zich beroept en welker toepasbaarheid voor schades als deze Hak niet heeft weersproken, in de categorie € 2.500 - € 3.750: daarvoor staat een c-kostenvergoeding van € 450. Omdat van de totale post vii. niet meer dan € 400 aan c-kosten toerekenbaar overblijft, zal het hof deze € 400 toewijzen. De preprocessuele erkenning van een deel van de schade leidt in dit concrete geval dus niet tot een lagere c-kostenvergoeding dan gevorderd.

slotoverwegingen; proceskosten

2.41.

Behalve ten aanzien van de proceskosten, behoeven de grieven geen verdere bespreking. Partijen hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Aan (verdere) bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

2.42.

De kantonrechter heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Ook al wees zij het grootste deel van de vordering van Glazen Maas toe, zij rekende het Glazen Maas aan dat deze ondanks eerdere verzoeken van Hak, bepaalde schadeposten pas ter gelegenheid van de procedure onderbouwde. Een belangrijk deel van de betwiste schadeposten wees de kantonrechter ook niet toe. Ten slotte woog de kantonrechter mee dat Hak betaling van de door haar erkende posten had aangeboden, maar dat deze betaling door Glazen Maas was geweigerd c.q. teruggestort.

2.43.

Beide partijen grieven tegen deze beslissing, en vragen om veroordeling van de ander in de proceskosten van beide instanties.

2.44.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Hak geldt in deze procedure als de volledig in het ongelijk gestelde partij. Dit rechtvaardigt dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof verwerpt het verweer van Hak dat Glazen Maas dient te worden veroordeeld in de proceskosten of dat althans de proceskosten dienen te worden gecompenseerd omdat Glazen Maas zich in de preprocessuele fase onredelijk heeft opgesteld: de redenen hiervoor zijn dezelfde als voor de verwerping van ditzelfde verweer ten aanzien van de c-kosten (hiervoor, 2.39 (slot)).

2.45.

Het hof zal de proceskostenveroordeling intussen relateren aan slechts het schadebedrag dat ten tijde van de inleidende dagvaarding niet reeds erkend was. Glazen Maas moge bevoegd zijn geweest de eerder door Hak aangeboden betaling van de door haar erkende schade (niet zijnde de volledige schade) te weigeren c.q. terug te storten, dat geeft haar nog geen aanspraak op een proceskostenveroordeling die ook aan dat deel van de schade is gerelateerd. In zoverre heeft Glazen Maas haar proceskosten nodeloos gemaakt. Het hof begroot de proceskosten van Glazen Maas in de eerste aanleg tot op de dag van het bestreden vonnis aldus op € 82,54 voor de dagvaarding, € 471 voor het griffierecht en € 525 voor het salaris van de advocaat, totaal € 1.078,54. De proceskosten van Glazen Maas in het principaal hoger beroep begroot het hof tot op heden op € 85,21 voor de dagvaarding, € 726 voor het griffierecht en € 2.277 voor het salaris van de advocaat, en in het incidenteel hoger beroep op € 1.138,50 voor het salaris van de advocaat, in totaal € 4.226,71.

3 Beslissing

Het hof

- vernietigt het bestreden vonnis

en, opnieuw rechtdoende,

  • -

    veroordeelt Hak tot betaling aan Glazen Maas van € 1.503,82, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 26 september 2016 over € 1.103,82;

  • -

    veroordeelt Hak tot betaling aan Glazen Maas van de proceskosten eerste aanleg ten bedrage van € 1.078,54;

  • -

    veroordeelt Hak tot betaling aan Glazen Maas van de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 4.226,71;

  • -

    verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, P. Glazener en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.