Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:658

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
22-000977-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof met geweld. De verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor een soortgelijk gewelddadig feit. De verdachte is een jongen die de grenzen opzoekt, waardoor er extra behoefte is aan structuur en duidelijkheid.

Veroordeling tot jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts wordt de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden opgelegd subsidiair 6 maanden jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000977-18

Parketnummer: 09-777088-17

Datum uitspraak: 14 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2001,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 28 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest en is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Voorts is aan de verdachte opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM) voor de duur van 12 maanden, bestaande uit het programma zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, subsidiair 6 maanden vervangende jeugddetentie. Het programma waaruit de maatregel bestaat is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Ook is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas (merk [x]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit - het bij de keel vastpakken en/of knijpen in de keel van die [aangever] en/of

- het meetrekken van die [aangever] en/of

- het slaan en/of stompen van die [aangever] en/of

- het geven van meerdere althans een kopstoot (tegen het voorhoofd van die [aangever]).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, bestaande uit het programma zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep en met aftrek van de tijd dat de maatregel reeds bij het vonnis waarvan beroep is ten uitvoer gelegd, subsidiair 6 maanden vervangende jeugddetentie. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, als omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Gevoerd verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat aan de herkenning van de verdachte door de aangever [aangever] (hierna: [aangever]) in de aanvullende aangifte geen bewijskracht toekomt, nu de aangever al eerder een foto van de verdachte had gezien met de mededeling dat de verdachte bij het ten laste gelegde was betrokken en de aangever die laatstgenoemde foto ten onrechte als zijn eigen herinnering is gaan beschouwen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat de aangever voordat hij op 29 oktober 2017 aanvullend is gehoord, contact heeft gehad met [persoon] die hij een signalement van één van de daders heeft gegeven met de vraag of zij wist wie deze dader was. De aangever heeft de verdachte vervolgens herkend op foto’s via social media, waarbij [persoon] aan de aangever heeft verteld wie die persoon was die de aangever herkende als zijnde één van de daders. Dit is – naar het oordeel van het hof - een betrouwbare herkenning, te meer daar deze ondersteund wordt door de verklaring van de getuige [getuige], die de verdachte heeft herkend als één van de jongens die op 29 oktober 2017 op de aangever afliep; hij kent de verdachte omdat hij bij hem op school heeft gezeten. Daar komt bij dat de verdachte op 29 oktober 2017 daadwerkelijk is aangehouden in de buurt van de straatroof en dat hij door twee verbalisanten is herkend op basis van het door de aangever kort na het gebeuren opgegeven signalement.

Vervolgens is de aangever op 29 oktober 2017 in de middag aanvullend gehoord en is hem een foto van de verdachte getoond, waarop de aangever de verdachte heeft herkend. Het hof is van oordeel dat die herkenning niet is ingegeven doordat aan hem eerder een foto van de verdachte is getoond, maar dat die herkenning louter een bevestiging is van de eerdere herkenning.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij op de avond van 29 oktober 2017 bij het feestje niet buiten is geweest, maar die verklaring is - naar het oordeel van het hof - gelet op de herkenning van de verdachte door de getuige [getuige], niet aannemelijk.

Gelet op het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat de herkenning van de verdachte door de aangever niet onbetrouwbaar is, te meer nu de herkenning door de aangever in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen - en derhalve voor het bewijs kan worden gebezigd.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk [x]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit - het bij de keel vastpakken en/of knijpen in de keel van die [aangever] en/of

- het meetrekken van die [aangever] en/of

- het slaan en/of stompen van die [aangever] en/of

- het geven van meerdere althans een kopstoot (tegen het voorhoofd van die [aangever]).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een straatroof met geweld. Dit betreft een ernstig feit en het hof acht het gedrag van de verdachte zeer kwalijk. Van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een dergelijk geweldsdelict zich vaak nog lang angstig en onveilig voelen. De verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor een soortgelijk gewelddadig feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Gelet hierop en gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het strafadvies d.d. 14 februari 2019 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de brief van Jeugdbescherming west d.d. 21 februari 2019 en op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht.

De Raad heeft gerapporteerd dat de GBM sinds eind februari 2018 is ingezet, met een regime waarin de verdachte, zeker in het begin, weinig bewegingsruimte had. Dit leek in eerste instantie goed te gaan. De verdachte hield zich aan de voorwaarden, werkte mee aan de behandeling bij De Waag en ging naar school. Na drie maanden hield de verdachte zich minder aan de voorwaarden en ging het steeds slechter met hem, met als dieptepunt een verdenking van een nieuw delict. Het strakke kader van de GBM is opnieuw ingezet na schorsing uit de voorlopige hechtenis voor het nieuwe feit en de verdachte is vanaf dat moment bij zijn vader gaan wonen. De verdachte is een jongen die de grenzen opzoekt, waardoor er extra behoefte is aan structuur en duidelijkheid. Op dit moment lijkt er een precair evenwicht te zijn gevonden. De verdachte vervolgt zijn opleiding en is gestart met zijn stage, waar hij gemotiveerd voor is. Daarnaast krijgt de behandeling vanuit De Waag steeds meer diepgang. Ook zijn er met de GBM mogelijkheden om de verdachte een time-out te bieden, wanneer dat nodig is. De Raad acht een GBM nog steeds het meest passende strafadvies.

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep geadviseerd niet opnieuw een GBM voor de duur van 12 maanden op te leggen, maar te volstaan met de resterende tijd van de eerder opgelegde GBM die nog niet ten uitvoer is gelegd.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er geen GBM aan de verdachte dient te worden opgelegd, nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het advies van de Raad van 14 februari 2019 onvoldoende wordt ondersteund door tenminste één gedragsdeskundige. Het enkele consulteren van een gedragsdeskundige acht hij onvoldoende om te kunnen spreken van die ondersteuning.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 77w, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de GBM slechts worden opgelegd, nadat de rechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de Raad, dat wordt ondersteund door ten minste een gedragsdeskundige.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat de GBM door de rechtbank is opgelegd en de rechtbank daarbij kennis heeft genomen van het advies van de Raad van 7 februari 2018, welk advies werd ondersteund door de gedragsdeskundige drs. S. Bechan. Vervolgens zijn er ten behoeve van het hoger beroep twee adviezen van de Raad uitgebracht, d.d. 17 juli 2018 en 14 februari 2019. Zowel bij eerst- als bij laatstgenoemd advies is dezelfde gedragswetenschapper, te weten drs. S. Bechan, geconsulteerd en deze heeft het advies ondersteund.

Het hof is – gelet daarop – van oordeel dat op grond van de combinatie van die adviezen, waarbij telkens dezelfde gedragsdeskundige betrokken is geweest en het advies ook heeft ondersteund, voldaan is aan het vereiste van artikel 77w, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van een advies.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Het hof zal met in achtneming van het bovenstaande het advies van de Raad overnemen. Het hof is van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf aanleiding geven tot oplegging van de GBM en dat de GBM in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Voorts is het hof van oordeel dat de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte dienen te worden doorgezet en dat een GBM daaraan kan bijdragen. Als de GBM nu ten einde zou komen, zou dat de behandeling en begeleiding van de verdachte doorkruisen. De tenuitvoerlegging van de GBM, die is opgelegd door de rechtbank, is aangevangen op 26 februari 2018. In de tussentijd heeft de verdachte gedetineerd gezeten, waardoor de GBM gedurende die tijd niet liep. Het hof is – met de Raad en de advocaat-generaal – van oordeel dat niet een nieuwe GBM voor de duur van 12 maanden aan de verdachte dient te worden opgelegd, maar dat de GBM voor een duur van 12 maanden moet worden opgelegd met aftrek van de tijd gedurende welke de eerder door de rechtbank opgelegde GBM reeds ten uitvoer is gelegd.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen. Daarnaast is het hof van oordeel dat de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is, te meer nu het grootste gedeelte van de GBM reeds ten uitvoer is gelegd. Het hof zal daarom bevelen dat het programma waar de maatregel uit bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.

De duur van de vervangende jeugddetentie in het geval de verdachte niet meewerkt zal het hof, net als eerder de rechtbank, vaststellen op 6 maanden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur alsmede een GBM van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.505,10, vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.429,20, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 679,20 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € € 750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 1.429,20 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2017, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wa, 77wc en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd van de opgelegde maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige die bij het vonnis waarvan beroep reeds ten uitvoer is gelegd, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat de maatregel zal bestaan uit:

  • -

    het medewerking verlenen aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en zich aldaar melden, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;

  • -

    zich houden aan een locatiegebod, waarbij de veroordeelde aanwezig zal zijn op de locatie Kanaalstraat 17 te Rijnsburg, op uren vastgesteld door de jeugdreclassering en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;

  • -

    onder behandeling blijven stellen van De Waag, ter zake van agressieregulatie, delictanalyse en middelengebruik;

  • -

    meewerken aan urinecontroles, zolang de jeugdreclassering of behandelaars dit nodig achten

  • -

    meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing;

waarbij de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot taak heeft de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.429,20 (duizend vierhonderdnegenentwintig euro en twintig cent) bestaande uit € 679,20 (zeshonderdnegenenzeventig euro en twintig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.429,20 (duizend vierhonderdnegenentwintig euro en twintig cent) bestaande uit € 679,20 (zeshonderdnegenenzeventig euro en twintig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2017 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,
mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 maart 2019.