Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:654

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
22-004600-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit gepleegd is opnieuw tot een straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat aan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden toegevoegd dat het subsidiair 4 dagen vervangende jeugddetentie inhoudt. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep onder verbetering van gronden en aanvullingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004600-18

Parketnummer: 09-162070-18

Datum uitspraak: 28 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 15 november 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2001,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 maart 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - een meldplicht en de verplichting naar school te gaan of in overleg met de Leerplicht te gaan werken, een en ander onder toezicht van de [stichting]. Voorts is in eerst aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 22 juni 2017, te 's-Gravenzande, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] tegen het lichaam te duwen en/of tegen de (onder)benen te trappen/schoppen en/of tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft mondeling gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden verbetering en aanvullingen aanbrengt.

Verbetering gronden

Ten aanzien van de gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, als vermeld in het vonnis waarvan beroep, dient de volgende verbetering te worden aangebracht.

Het hof schrapt het bewijsmiddel ‘het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 augustus 2018’.

Aanvulling van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht

Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit gepleegd is opnieuw tot een straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Aanvulling van de strafmotivering

In aanvulling op de door de eerste rechter gebezigde strafmotivering, heeft het hof acht geslagen op de meest recente rapportage betreffende de verdachte, namelijk het Uitgebreid Advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 februari 2019, waarin tevens – overeenkomstig de beslissing van de eerste rechter – wordt geadviseerd toezicht en begeleiding op te dragen aan de [stichting]. Het hof acht dat thans nog steeds aangewezen en zal ook voor wat betreft deze beslissing, de beslissing van de eerste rechter handhaven.

Schadevergoedingsmaatregel

Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat aan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden toegevoegd dat bij gebreke van betaling en verhaal deze dient te worden vervangen door 4 dagen vervangende jeugddetentie. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder verbetering van gronden en voormelde aanvullingen te worden bevestigd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene en met aanvulling van het onderstaande.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,- (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juni 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en

mr. H.W. Samson-Geerlings, in bijzijn van de griffier

mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2019.

Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.