Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:649

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
22-008330-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat van het bevel tot inbewaringstelling en gevangenhouding respectievelijk 36 dagen resteren die tot de aanhouding van verdachte nog niet zijn tenuitvoergelegd. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de dagen vanaf 11 januari tot en met 15 januari van die 36 dagen in mindering gebracht moeten worden.

Het hof is van oordeel dat de tijd die is verstreken tussen de aanhouding en de opheffing van de schorsing niet in mindering gebracht dient te worden op de termijn gedurende welke het bevel tot voorlopige hechtenis na de opheffing van de schorsing nog van kracht is. Pas vanaf het moment van de beslissing tot opheffing begint de termijn van de voorlopige hechtenis te lopen.

Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vordering en beveelt de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte voor de duur van 60 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

datum beschikking: 7 maart 2019

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van het hoger beroep in de zaak van de verdachte, genaamd:

[verzoeker],

geboren op [geboortejaar] 1984 te [geboorteplaats] (Somalië),

wonende te [adres].

Procesgang

De rechtbank Rotterdam heeft in raadkamer bij beschikking van 19 februari 2019 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de verdachte.

Blijkens de akte rechtsmiddel is op 26 februari 2019 door de officier van justitie hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 7 maart 2019 in raadkamer behandeld.

In raadkamer zijn gehoord de gemachtigd raadsman

mr. R.A.L.F. Frijns en de advocaat-generaal

mr. I.J.E.H. Degeling.

Het hof heeft in raadkamer kennisgenomen van de beschikking waarvan beroep en van de stukken die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis van de verdachte.

De beoordeling van het hoger beroep

Door de advocaat-generaal is betoogd dat de rechtbank ten onrechte de vordering verlenging gevangenhouding heeft afgewezen omdat het bevel gevangenhouding geëxpireerd is.

De raadsman volhardt in zijn stelling dat de vordering niet tijdig is ingediend.

Het hof stelt de volgende tijdlijn vast:

- op 18 oktober 2018 wordt de verdachte in verzekering gesteld;

- op 21 oktober 2018 is de inverzekeringstelling verlengd;

- op 23 oktober 2018 beveelt de rechter-commissaris de bewaring voor de duur van 14 dagen;

- op 30 oktober 2018 beveelt de raadkamer de gevangenhouding voor de duur van 30 dagen;

- op 31 oktober 2018 wordt de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst onder voorwaarden;

- op 11 januari 2019 wordt verdachte aangehouden vanwege overtreding van de voorwaarden van de schorsing d.d.

31 oktober 2018;

- op 14 januari 2019 wordt door de officier van justitie een vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend;

- op 15 januari 2019 wordt onder andere de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven door de raadkamer;

- op 19 februari 2019 wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot verlenging van de gevangenhouding.

Het hof stelt met de advocaat-generaal en de verdediging vast dat van het bevel tot inbewaringstelling en gevangenhouding respectievelijk 6 en 30 dagen dus in totaal 36 dagen resteren die tot de aanhouding van verdachte nog niet zijn tenuitvoergelegd. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de dagen vanaf 11 januari tot en met 15 januari van die 36 dagen in mindering gebracht moeten worden.

Verdachte is op grond van artikel 84 van het Wetboek van Strafvordering aangehouden en vervolgens is onverwijld de vordering tot opheffing van de schorsing ingediend en heeft de rechtbank binnen de daarvoor geldende termijnen op die vordering beslist. Het hof is van oordeel dat de tijd die is verstreken tussen de aanhouding en de opheffing van de schorsing niet in mindering gebracht dient te worden op de termijn gedurende welke het bevel tot voorlopige hechtenis na de opheffing van de schorsing nog van kracht is. Pas vanaf het moment van de beslissing tot opheffing begint de termijn van de voorlopige hechtenis te lopen ( zie bv. Tekst en Commentaar aantekening 5 van artikel 84 Sv en de daarin genoemde literatuur).

Het bevel gevangenhouding was derhalve nog niet geëxpireerd op 19 februari 2019 zodat het hoger beroep van de officier tegen genoemde beschikking slaagt.

Het hof zal dan ook de verlenging van de gevangenhouding bevelen.

Het hof is voorts van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden nog steeds aanwezig zijn, gelet op al hetgeen zich in het dossier bevindt en het verhandelde ter terechtzitting.

Beslissing

Het hof:

Wijst het hoger beroep toe.

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vordering en beveelt de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte voor de duur van 60 dagen.

Deze beschikking is gegeven op 7 maart 2019 door

mr. T.E. van der Spoel, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong en mr. A.W.M. Bijloos, leden,

in bijzijn van M. van der Mark, griffier.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Den Haag, 7 maart 2019

de advocaat-generaal