Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:631

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
200.215.760
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verplichte betaling van de bijdragen aan de Vereniging van Eigenaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.760/01
Rolnummer rechtbank : C/09/501176 HA ZA 15-1362

Arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

[naam 1] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H. Uzumcu te Den Haag,

tegen

[de VvE] ,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de VvE,

advocaat: mr. G. Janssen te Den Haag.

Het geding

1. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 februari 2017, door de rechtbank Den Haag, team handel, gewezen tussen partijen (“het Vonnis”) en het onderliggende verstekvonnis van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2010. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd ten aanzien van de vorderingen van de VvE en twee ten aanzien van zijn vordering in reconventie. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft de VvE de grieven bestreden en haar eis vermeerderd. Bij akte van 24 oktober 2017, met producties, heeft [appellant] op de vermeerdering van eis gereageerd. De VvE heeft daarna een antwoordakte genomen en [appellant] vervolgens een antwoordakte met nog één productie. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. De door de rechtbank weergegeven feiten zijn niet bestreden, dit met uitzondering van de vaststelling van de Rechtbank dat [appellant] (de enige) eigenaar is van het appartement gelegen aan [het adres] (hierna: de woning), zodat ook het hof die feiten (met deze uitzondering) tot uitgangspunt neemt. Het hof vult deze feiten aan met hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan. Met in achtneming daarvan gaat het in deze zaak om het volgende.


De feiten

2.1

[appellant] is (in elk geval) sinds 31 december 2007 (mede) eigenaar van het appartement aan [het adres] te Den Haag en (van rechtswege) lid van de VvE.

2.2

De VvE heeft de eigenaren sedert vele jaren de plicht opgelegd een maandelijkse bijdrage te leveren van € 35,00.

2.3

Daarnaast heeft de VvE in vergaderingen van 29 juli 2008 en 16 november 2009 besloten tot extra bijdragen voor onderhoudswerkzaamheden. Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft de VvE de oplegging van deze extra bijdragen ingetrokken en nieuwe extra bijdragen ter hoogte van € 610,51 en € 2.500,00 vastgesteld.

2.4

In vergaderingen van 2015, 2016 en 2017 heeft de VvE opnieuw besloten tot extra bijdragen voor onderhoudswerkzaamheden, te weten € 2.900,00 per 15 november 2015, € 3.750,00 per 15 juli 2016 en € 494,00 per 2 juli 2017.

2.5

[appellant] heeft de maandelijkse bijdragen en de extra bijdragen niet betaald.

Vorderingen, verweer en vonnis

3.1

De VvE heeft betaling gevorderd van de (achterstallige en toekomstige) maandelijkse bijdragen van € 35,00 per maand en van de twee extra bijdragen die op 1 augustus 2012 zijn vastgesteld, met rente en kosten. Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [appellant] alle bijdragen ten onrechte onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft zich verweerd met het standpunt, dat – nu de VvE de twee beslissingen om in 2008 en 2009 extra bijdragen op te leggen heeft teruggedraaid - deze extra bijdragen niet tot verschuldigdheid van enig bedrag hebben kunnen leiden. Hij bestrijdt daarmee ook de bijkomende kosten en rente die hem zijn opgelegd.

3.2

[appellant] heeft zijnerzijds (in reconventie) vergoeding gevorderd van € 10.079,45 voor brand- en waterschade en schade als gevolg van een gesprongen standleiding, die het gevolg zijn van gebrekkig onderhoud, waar hij de VvE voor verantwoordelijk houdt.

3.3

De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld de gevorderde bijdragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 840,00 vanaf 17 december 2009 en over € 3.110,51 vanaf 1 september 2012, en [appellant] ook in de kosten veroordeeld. De vordering van [appellant] tot schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen omdat hij deze vordering na betwisting niet nader heeft onderbouwd.

Eisvermeerdering in hoger beroep

4. Bij eisvermeerdering in hoger beroep heeft de VvE, naast hetgeen in eerste aanleg is gevorderd en toegewezen, voorts betaling gevorderd van de drie extra bijdragen die door de VvE zijn vastgesteld in haar vergaderingen in 2015, 2016 en 2017. [appellant] heeft deze extra bijdragen bestreden door verwijzing naar zijn grieven. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de eisvermeerdering refereert [appellant] zich aan het oordeel van het hof. Het hof acht deze toelaatbaar nu deze tijdig in de eerste memorie is geschied. De VvE heeft haar vermeerdering van eis gegrond op de nader vastgestelde, door de leden (waaronder [appellant] ) te betalen extra bijdragen (zie 2.4). [appellant] bestrijdt de vermeerdering van eis inhoudelijk slechts door te verwijzen naar hetgeen door hem eerder en in de memorie van grieven naar voren is gebracht. De eisvermeerdering volgt daarom het lot van de grieven en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

Beoordeling van de grieven

5.1

Als meest verstrekkende grief heeft [appellant] (pas) in zijn akte van 24 oktober 2007 ter zake van het eigenaarschap van het appartement [het adres] gesteld dat door de Nederlandse staat wordt aangenomen, dat niet [appellant] maar [naam 2] de economische eigenaar van het appartement aan [het adres] is en dat de VvE daarom niet [appellant] , althans niet alleen [appellant] , in deze procedure had mogen betrekken. [appellant] legt ten bewijze daarvan documenten uit 2011, 2012 en 2015 over als producties. Het hof stelt vast, dat [appellant] dit – wat er verder ook van zij – niet eerder dan bij genoemde akte heeft aangevoerd. Hij had dit, gelet op de twee conclusie regel, reeds bij memorie van grieven naar voren kunnen en moeten brengen. Dit verweer zal het hof daarom buiten beschouwing laten.

5.2

Met grief 1 klaagt [appellant] over de toewijzing door de rechtbank van rente en kosten (“opgehoogde kosten”), een onduidelijke en onjuiste berekening, en de disproportionele hoogte van de bijkomende kosten ten opzichte van de hoofdsom. [appellant] stelt niet dat de rechtbank bij de vaststelling van rente en kosten is afgeweken van de daarvoor geldende regels, waaronder het Besluit normering buitengerechtelijke incassokosten. Grief 1 is daarom ongegrond.

5.3

Grief 2 betreft de door de rechtbank toegewezen rente en heeft als uitgangspunt dat de rechtbank rente heeft toegewezen over bijdragen ineens uit 2008 en 2009. Dat is echter niet het geval. De rechtbank heeft rente toegewezen die betrekking heeft op het bedrag dat [appellant] is verschuldigd omdat hij de maandelijkse bijdrage vanaf 1 januari 2010 nog niet had voldaan en verder de rente vanaf 1 september 2012 ter zake van de extra bijdragen die op 1 augustus 2012 de extra bijdragen van 2008 en 2009 hebben vervangen. Grief 2 mist dus feitelijke grond en kan daarom geen doel treffen. Hetgeen [appellant] onder grief 2 stelt over verzet en ontvankelijkheid richt zich niet tegen het vonnis en kan daarom buiten beschouwing blijven.

5.4

Grief 3 betreft de afwijzing door de rechtbank van de reconventionele vordering van [appellant] ter zake van door hem gestelde schade. De VvE heeft het bestaan van zulke schade alsmede het oorzakelijk verband dat zou bestaan tussen de schade en het in gebreke blijven ten aanzien van het onderhoud door de VvE bestreden. De door [appellant] in hoger beroep bij haar akte van 24 oktober 2017 als producties overgelegde verklaringen kunnen het ontbreken van (voldoende) feitelijke grondslag en onderbouwing in eerste aanleg niet helen, omdat ze onvoldoende concreet zien op het ontstaansmoment, het bestaan, de omvang en de oorzaak van door [appellant] in het appartement [het adres] geleden schade en ook helemaal niets zeggen over door [appellant] zelf gemaakte herstelkosten. Het bewijsaanbod dat [appellant] ter zake van zijn schadeclaim heeft gedaan ziet niet op een concrete stelling en is onvoldoende specifiek. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen in hoger beroep zal het hof niet op dat bewijsaanbod ingaan. Voor honorering van de in de memorie van grieven (nr. 19) uitgesproken wens “een deskundigenonderzoek te verrichten” en de in de akte van 24 oktober 2017 (niet in het petitum) opgenomen wens van [appellant] om een comparitie te gelasten ter voorbereiding van een getuigenverhoor, ziet het hof geen aanleiding.

5.5

Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen van [appellant] verjaard zouden zijn. Nu de rechtbank deze vorderingen heeft afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende grondslag (zie hiervoor, bespreking grief 3) en niet omdat ze verjaard zouden zijn, kan deze grief geen doel treffen. Zij kan daarom onbesproken blijven.

6. Omdat de grieven falen, zal het hof het vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2017;

  • -

    veroordeelt [appellant] tot betaling aan de VvE van € 2.900,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 november 2015 tot de dag der algehele voldoening, € 3.750,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juli 2016 tot de dag der algehele voldoening en € 494,00 met wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de VvE begroot op € 716,00 aan verschotten en € 1.611,00 aan salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, Th. G. Lautenbach en G.C.W. van der Feltz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.