Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:594

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
22-003741-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag door het slachtoffer met een mes in de borst te steken. Het hof kan niet vaststellen wanneer de psychose heeft geresulteerd in het besluit het slachtoffer van het leven te beroven. Psychische toestand van verdachte vormt een duidelijke contra-indicatie voor de aanname dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een eventuele gelegenheid voor beraad. Vrijspraak voorbedachte raad.

Drugsgebruik van verdachte staat in casu niet in de weg aan het aannemen van (gehele) ontoerekeningsvatbaarheid. Overwegingen over Aanwijzing tbs bij vreemdelingen en mogelijkheid tot beëindiging ex art. 38la en 38lb Sr. Alleen de maatregel van tbs met dwangverpleging biedt naar het oordeel van het hof de garantie dat er tussen de behandeling in Nederland en Turkije geen periode zonder passende zorg ontstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003741-18

Parketnummer: 10-810646-16

Datum uitspraak: 13 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1998,

thans gedetineerd in de [Forensisch Psychiatrische Kliniek].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord vrijgesproken en is de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag bewezen verklaard. De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan de verdachte is door de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Voorts zijn in eerste aanleg beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de

benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld en heeft tijdig een appelschriftuur ingediend.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, in ieder geval opzettelijk, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (links) in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de impliciet primair ten laste gelegde moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde requisitoiraantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft gedood met voorbedachte raad en heeft dan ook gevorderd dat de impliciet primair ten laste gelegde moord bewezen dient te worden verklaard.

De raadsman heeft uitdrukkelijk betwist dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg en dus met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft gedood, met als conclusie dat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt over de vraag of er al niet sprake is van voorbedachte rade.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn al dan niet voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

In het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof zowel aanknopingspunten voor een feitelijke toedracht waarbij de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden op het voornemen om [slachtoffer] te doden, als aanwijzingen voor een handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof kan niet vaststellen wanneer de - vanuit een psychose ontstane - opbouw van gevoelens van achterdocht en vijandigheid hebben geresulteerd in het besluit [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat reeds om die reden niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte van de ten laste gelegde moord moet worden vrijgesproken. Ten overvloede overweegt het hof nog dat het beeld van de psychische toestand van de verdachte in de aanloop naar zijn daad – zoals dat voortvloeit uit de over de verdachte opgestelde Pro Justitia-rapportages - naar het oordeel van het hof een duidelijke contra-indicatie vormt voor de aanname dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een eventuele gelegenheid voor beraad en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Nu het hof vrijspreekt van het impliciet primair ten laste gelegde, behoeft het betreffende het impliciet primair tenlastegelegde gedane voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde hem in de gelegenheid te stellen het politieverhoor van de verdachte van 18 december 2016 te bekijken en te beluisteren, geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, in ieder geval opzettelijk, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (links) in de borst gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Culpa in causa?

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde requisitoiraantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte – kort gezegd - door (bewust) drugsgebruik zelf er toe heeft bijgedragen dat hij psychotisch is gaan decompenseren. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat sprake is van culpa in causa, waardoor een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte – niettegenstaande de inhoud van de rapportages – dient te worden gepasseerd. De verdachte is mitsdien strafbaar.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, verwijzend naar de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt, volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe voorts aangevoerd dat het voor de verdachte redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat hij door te blowen en het innemen van pillen met MDMA in een psychose zou geraken, mede omdat hij niet bekend was met het gebruik van harddrugs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Na te noemen deskundigen adviseren om de verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen

(Rapportage Pro Justitia betreffende de verdachte van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, opgemaakt door F.M. van Dorp, GZ-psycholoog en J. Vreugdenhil, psychiater, d.d. 6 april 2018). Zij concluderen dat, alles overziende, de verdachte niet kan worden aangerekend dat hij voorafgaande aan de psychose een hallucinogene stof en cannabis had gebruikt, die de psychotische stoornis (mede) geluxeerd zouden kunnen hebben. Dit omdat hij de uitwerking van de hallucinogene stof op hem niet kende en omdat hij, voor zover bekend, eerder nooit psychotisch was geworden na cannabisgebruik, en voor zover bekend evenmin een voorgeschiedenis van agressie kende na cannabisgebruik. Ook wordt nog opgemerkt dat het feit dat het psychotische toestandsbeeld waarin de verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde langer dan vier tot zes weken en zelfs maanden heeft geduurd, ondanks hoge doseringen medicatie, maakt dat de diagnose drugspsychose minder waarschijnlijk is. Ook wordt overwogen dat de psychotische stoornis vermoedelijk mede is uitgelokt door de spanning van het voor het eerst alleen op reis zijn.

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van voornoemde psycholoog en psychiater. Naar het oordeel van het hof staat het drugsgebruik van de verdachte in de geschetste omstandigheden niet in de weg aan het aannemen van (gehele) ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Mate van (on)toerekeningsvatbaarheid van de verdachte

Om te bepalen in welke mate het bewezenverklaarde aan de verdachte toe te rekenen is, slaat het hof wederom acht op de Rapportage Pro Justitia betreffende de verdachte van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, opgemaakt door F.M. van Dorp, GZ-psycholoog en J. Vreugdenhil, psychiater, d.d. 6 april 2018. De gedragsdeskundigen komen tot de conclusie dat er ten tijde van het ten laste gelegde bij de verdachte onder meer sprake was van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Voorts concluderen de deskundigen dat de verdachte in de aanloop naar het bewezenverklaarde ernstig psychotisch is geworden en dat er sprake was van desorganisatie, paranoïde en nihilistische wanen, visuele en imperatieve auditieve hallucinaties en oordeels- en kritiekstoornissen. Dat uitte zich onder meer hierin dat de verdachte snel na inname van één of twee pillen, MDMA bevattende, heel angstig en in de war was geraakt. Hij kreeg last van hallucinaties en wanen, dacht dat het latere slachtoffer hem een dodelijke pil had gegeven en ontwikkelde de psychotische overtuiging dat het slachtoffer hem wilde doden: ‘Het is hij of ik’, meende de verdachte. Dit heeft ertoe geleid dat hij [slachtoffer] met één gerichte messtreek heeft gedood.

Alles overziende werd het handelen, denken en voelen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig bepaald door psychotische belevingen en is er sprake van een volledige doorwerking van de stoornis in het bewezenverklaarde. De deskundigen adviseren dan ook om het tenlastegelegde in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof komt daarom, met inachtneming van de beschouwingen en conclusies van voornoemde deskundigen die het hof onderschrijft, tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde volledig heeft beïnvloed.

Het hof komt mitsdien tot de conclusie dat de verdachte, gegeven de volledige ontoerekeningsvatbaarheid, niet strafbaar is en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door [slachtoffer] met een mes in de borst te steken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. De verdachte heeft aan [slachtoffer] het meeste kostbare bezit dat een mens heeft, namelijk het leven, ontnomen. Bij het dramatische steekincident waren ook getuigen aanwezig. Nabestaanden, familie, vrienden en andere naasten is verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan dat ter terechtzitting in hoger beroep onder meer onder woorden is gebracht door mevrouw [persoon 1] en namens mevrouw [persoon 2] in hun slachtofferverklaring. Voorts brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, te meer nu het feit is gepleegd in een openbare gelegenheid, namelijk een kapperszaak.

De op te leggen maatregel

Wettelijke vereisten

Nu de doodslag niet aan de verdachte kan worden toegerekend ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het opleggen van een maatregel passend en geboden is.

Omdat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is opent dat de mogelijkheid tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, hetgeen de voorkeur heeft van de verdediging en tevens wordt geadviseerd in de meest recente rapportage. De maatregel van tbs, al dan niet met dwangverpleging, dient eveneens te worden overwogen. Oplegging van tbs met dwangverpleging is hetgeen het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal inhoudt.

Voor wat betreft de bevindingen en conclusies van voornoemde gedragsdeskundigen Van Dorp en Vreugdenhil ten aanzien van de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte, zoals door de deskundigen in bovenstaande Pro Justitia rapportage van 6 april 2018 is neergelegd, verwijst het hof naar hetgeen daarover in het voorgaande is overwogen.

Ten aanzien van het recidiverisico overwegen voornoemde gedragsdeskundigen als volgt. Sprake is van eerdere problemen op het gebied van cannabisgebruik, een ernstige psychische stoornis, namelijk een psychotische stoornis, en problemen met respons op behandeling. Toen de verdachte bijvoorbeeld een keer blowde in [centrum], raakte hij direct ernstig ontregeld. De psychotische stoornis lijkt nog niet volledig in remissie en de verwachting is dat de verdachte bij enige druk of bij gebruik van middelen opnieuw zal decompenseren. In Nederland kan de verdachte passende behandeling krijgen en verder dient te worden uitgezocht in hoeverre dat daarna in Turkije ook mogelijk is. Op grond van een klinische inschatting wordt gesteld dat het risico op een recidief psychotische decompensatie, en daarmee ook het risico op een recidief geweldsdelict, hoog is, omdat de verdachte – ondanks langdurige behandeling binnen een prikkelarme en gestructureerde, hem niet overvragende setting met hoge doseringen passende medicatie zonder middelengebruik – nog steeds psychotisch kwetsbaar is en al bij vrij geringe spanning weer psychotische verschijnselen laat zien. De aanwezige beschermende factoren wegen daar, zonder dat de verdachte passend wordt behandeld, niet tegenop.

Alles afwegende wordt het recidiverisico, zonder verdere passende behandeling, als hoog ingeschat.

Tussenconclusie

Het hof komt tot de volgende tussenconclusie.

Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende het aanwezig zijn van een ziekelijke stoornis ten tijde van het bewezenverklaarde.

Voorts stelt het hof vast dat het bewezen verklaarde feit een zeer ernstig feit is en een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen de rapporteurs dienaangaande hebben overwogen, sprake is van een groot gevaar voor herhaling van gewelddadig gedrag en dat vastgesteld kan worden dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de tbs-maatregel eist.

Gelet op voorgaande conclusies is niet alleen voldaan aan de gestelde eisen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht voor oplegging van de tbs maatregel, maar ook aan de gestelde eisen in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Tbs met dwangverpleging, met voorwaarden of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis?

Het hof constateert dat de verdachte geen geldige verblijfsstatus in Nederland heeft. In dat kader neemt het hof de ‘Aanwijzing tbs bij vreemdelingen’ in aanmerking, waaruit blijkt dat de status van de verdachte er niet aan in de weg staat om een tbs-maatregel op te leggen. Ook concludeert het hof, mede op grond van de inhoud van die aanwijzing, dat tbs met dwangverpleging eerder aan de orde is dan oplegging van tbs met voorwaarden, aangezien de tenuitvoerlegging van laatstgenoemde maatregel op grote praktische bezwaren stuit.

Het hof overweegt voorts dat het wenselijk is dat de verdachte in een klinische setting voldoende langdurig wordt behandeld. Een deskundige en passende behandeling met de op de persoon aangepaste medicatie is, met name gelet op hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van het recidiverisico van de verdachte, noodzakelijk. Naast de noodzaak de verdachte in Nederland passend te behandelen, acht het hof het ook van belang toe te werken naar een voortzetting van die behandeling in Turkije, nu het de wens van de verdachte is - wanneer mogelijk - terug te keren naar Turkije. Voorts geldt dat de verdachte na de behandeling in Nederland niet legaal in Nederland zal kunnen verblijven. Het hof acht het dan ook van groot belang dat er tussen de behandeling in Nederland en Turkije geen periode zonder passende zorg ontstaat.

Gelet op vorenstaande overwegingen biedt naar het oordeel van het hof het opleggen van tbs met voorwaarden onvoldoende waarborgen. Dat geldt eveneens voor de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, met name omdat het hof behandeling voor de duur van één jaar, anders dan voornoemde gedragsdeskundigen daarover hebben geconcludeerd, als onvoldoende inschat. In de eerste plaats omdat het hof niet kan vaststellen dat behandeling gedurende de periode van maximaal één jaar volstaat. Voorts omdat het toewerken naar een voortzetting van de behandeling van de verdachte in Turkije naar het oordeel van het hof (juist) kan worden vormgegeven indien de verdachte in het kader van een tbs-maatregel van overheidswege wordt verpleegd. Dit mede gelet op de mogelijkheid voor de Minister om de terbeschikkingstelling te beëindigen ten aanzien van een vreemdeling voor wie door de Minister een passende voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet, alleen bij oplegging van tbs met dwangverpleging bestaat. Dat laatste geldt ook voor de in artikel 38lb van het Wetboek van Strafrecht voorziene mogelijkheid de tbs door de rechter te (laten) beëindigen. Alleen de maatregel van tbs met dwangverpleging biedt naar het oordeel van het hof dan ook de garantie dat er tussen de behandeling in Nederland en Turkije geen periode zonder passende zorg ontstaat.

Derhalve komt het hof – alles afwegende - tot de conclusie tbs met dwangverpleging het meest passend en geboden is. Daarbij overweegt het hof dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen zowel het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling, als een verpleging van overheidswege eist.

Voor de volledigheid overweegt het hof dat het hof ook de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de omstandigheid dat de verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld in aanmerking heeft genomen bij de beslissing om aan de verdachte (desondanks) de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof overweegt tot slot dat bij het [centrum] Turks sprekende deskundigen werkzaam zijn. [centrum] is gespecialiseerd in het behandelen van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland waaraan de tbs-maatregel is opgelegd en is tevens gespecialiseerd in hun repatriëring, in verdachtes geval naar Turkije. Het verdient naar het oordeel van het hof dan ook aanbeveling de verdachte na het onherroepelijk worden van dit arrest ten behoeve van zijn (verdere) behandeling zo spoedig mogelijk over te plaatsen naar de genoemde kliniek.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.215,98, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.215,98, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

15 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.215,98 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 35.051,24, bestaande uit € 5.051,24 materiële schade en € 30.0000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is als volgt opgebouwd:

Materiële schade

- Reiskosten: € 159,64

- Verlies aan arbeidsvermogen: € 1.251,60

- Behoefte aan huishoudelijke hulp: € 3.640,-

Immateriële schade

- Smartengeld (shockschade): € 30.000,-

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 35.051,24, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig de door hem overgelegde requisitoiraantekeningen - geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.051,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 159,64 materiële schade is geleden, zijnde de gevorderde reiskosten. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, ook ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 159,64 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 7.650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.650,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de impliciet primair ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag bewezen.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.215,98 (duizend tweehonderdvijftien euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.215,98 (duizend tweehonderdvijftien euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 augustus 2017.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 159,64 (honderdnegenenvijftig euro en vierenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 159,64 (honderdnegenenvijftig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 september 2018.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.650,00 (zevenduizend zeshonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.650,00 (zevenduizend zeshonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 december 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2019.