Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:593

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
22-003658-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens worsteling heeft aangever meerdere verwondingen opgelopen. Zonder medische informatie kan het hof aard en ernst niet zonder meer vaststellen. Hof kan alleen vaststellen dat de verwonding aan de rug van aangever is ontstaan door toedoen van verdachte toen deze probeerde het mes van aangever af te pakken en kort nadat hij door aangever in zijn hals was gestoken. Het hof acht niet bewezen dat verdachte in die situatie opzet had op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003658-18

Parketnummer: 10-741044-18

Datum uitspraak: 13 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1958,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

27 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg de teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 605,-.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 juni 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [aangever] meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de rug en/of de borst en/of een arm en/of de balzak, in elk geval het lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep - desgewenst met aanvulling van gronden - zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat - in zoverre opnieuw rechtdoende - de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - een meldplicht bij de Reclassering en behandeling zolang de Reclassering dat nodig acht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Aan de verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd aangever [aangever] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij dat heeft gedaan door deze [aangever] met dat opzet (meermalen) met een mes te steken.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat aangever [aangever] op 1 juni 2018 te Rotterdam een mes bij zich had waarmee hij de verdachte in zijn keel heeft gesneden en dat daarna tussen beiden een worsteling (ook op de grond) heeft plaatsgevonden. [aangever] heeft meerdere verwondingen opgelopen, waaronder in ieder geval aan de rug, de borst en de arm. Hoe ernstig deze verwondingen waren en wat de aard van deze verwondingen was, kan het hof niet zonder meer op wettige én overtuigende wijze vaststellen. Het hof merkt in dat kader op dat een medische verklaring met betrekking tot dat letsel in het dossier ontbreekt.

Ten aanzien van de verwondingen op de borst en in de arm kan het hof de feitelijke toedracht niet vaststellen. Dat die verwondingen zijn ontstaan doordat de verdachte [aangever] heeft gestoken is, naar het oordeel van het hof, niet buiten redelijke twijfel bewezen. Dat geldt ook voor de (door [aangever] gestelde) verwonding aan de balzak.

Voor wat betreft de verwonding aan de rug gaat het hof er – mede op grond van de daarover door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring – wél van uit dat deze is ontstaan (mede) door toedoen van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de hand van [aangever], met daarin het mes, richting de rug van [aangever] heeft bewogen en dat het mes toen ook de rug van [aangever] heeft geraakt. Op dat moment was de verdachte in een worsteling met [aangever] verwikkeld, waarbij de verdachte het mes van [aangever] probeerde af te pakken. Zeer kort daarvoor was de verdachte namelijk door [aangever] aangevallen, waarbij deze de verdachte met het mes in zijn hals had geraakt. Het hof acht het door de verdachte geschetste scenario, ook mede gelet op de camerabeelden, aannemelijk.

Het hof acht gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever], dan wel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op (één van) die gevolgen heeft aanvaard.

Het hof zal de verdachte daarom van het aan hem ten laste gelegde vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 605,-.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2019.