Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:592

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
22-003473-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onder meer ontucht, onttrekking aan het ouderlijk gezag, bezit kinderporno, poging doodslag en mishandeling. Geen aanleiding getuigenverklaring als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Beroep noodweer verworpen. Het hof acht de verdachte grotendeels verminderd toerekeningsvatbaar, en legt naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren de maatregel tbs met voorwaarden op, conform het advies van de ter zitting gehoorde psychiater en psycholoog. De reclassering heeft ter zitting de voorwaarden geformuleerd. Het hof heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003473-16

Parketnummers: 10-680354-15

Datum uitspraak: 13 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans gedetineerd in [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 21 maart 2017, 4 april 2017, 31 januari 2018, 1 augustus 2018 en 30 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 6 en 8 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en is aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals in het vonnis waarvan beroep nader vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van de feiten 6 en 8

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 6 en 8 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2015 tot en met 25 mei 2015 te Diemen meermalen, althans eenmaal met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte

- aan haar vagina gelikt en/of

- een vibrator, althans een daarop gelijkend voorwerp in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

2:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2015 tot en met 25 mei 2015 te Hardinxveld-Giessendam en/of te Geldermalsen en/of te Utrecht en/of te Diemen, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte zonder daartoe de ouders van voornoemde [slachtoffer 1] in kennis te hebben gesteld, dan wel daartoe toestemming van de ouders te hebben verkregen, die [slachtoffer 1] meegenomen naar zijn, verdachtes woning en/of aldus die minderjarige onttrokken gehouden aan het opzicht van degene die dat gezag mede desbevoegd over die minderjarige uitoefende;

3:
hij op of omstreeks 25 mei 2015 te Diemen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

een aantal afbeelding(en) (69 foto’s en/of 3 video’s/films) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten (een) computer(s) en/of (een) externe harddisk(s) en/of (een) GSM(s) heeft verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer):

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of (een) vinger(s)/hand van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (jpg)

en/of

het betasten en/of aanraken van de billen en/of borsten en/of de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand ([jpg])

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand ([jpg])

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling ([jpg.])

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt ([jpg]);


4:
hij op of omstreeks 11 juli 2010 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de buik(streek) en/of de nek/hals(streek) van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5:
hij op of omstreeks 11 juli 2010 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de rug van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
hij op of omstreeks 20 oktober 2014 te Amsterdam, zijn, verdachtes, moeder, [slachtoffer 4], heeft mishandeld door (met kracht) de keel van die [slachtoffer 4] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de lip en/of wang en/of gezicht van die [slachtoffer 4] te snijden en/of krassen;

9:
hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2014 tot en met 1 april 2014 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, moeder, althans een persoon, te weten [slachtoffer 4], met kracht heeft geduwd en/of op de grond gegooid en/of (vervolgens) (met kracht) de keel van die [slachtoffer 4] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


10:
hij op of omstreeks 26 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paar schoenen en/of een broek en/of een trui (ter waarde van 74,70 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf C&A (filiaal gelegen aan het [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2015 tot en met 25 mei 2015 te Diemen meermalen, althans eenmaal met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte

- aan haar vagina gelikt en/of

- een vibrator, althans een daarop gelijkend voorwerp in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

2:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2015 tot en met 25 mei 2015 te Hardinxveld-Giessendam en/of te Geldermalsen en/of te Utrecht en/of te Diemen, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte zonder daartoe de ouders van voornoemde [slachtoffer 1] in kennis te hebben gesteld, dan wel daartoe toestemming van de ouders te hebben verkregen, die [slachtoffer 1] meegenomen naar zijn, verdachtes woning en/of aldus die minderjarige onttrokken gehouden aan het opzicht van degene die dat gezag mede desbevoegd over die minderjarige uitoefende;

3:
hij op of omstreeks 25 mei 2015 te Diemen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

een aantal afbeelding(en) (69 foto’s en/of 3 video’s/films) en/of (een) gegevensdrager(s), (te weten (een) computer(s) en/of (een) externe harddisk(s) en/of (een) GSM(s)) bevattende 68 foto’s en 3 video’s/films heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer):

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of (een) vinger(s)/hand van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt ([jpg])

en/of

het betasten en/of aanraken van de billen en/of borsten en/of de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand ([jpg])

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand ([jpg])

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling ([jpg])

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt ([jpg]);


4:
hij op of omstreeks 11 juli 2010 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de buik(streek) en/of de nek/hals(streek) van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5:
hij op of omstreeks 11 juli 2010 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gestoken in de rug van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
hij op of omstreeks 20 oktober 2014 te Amsterdam, zijn, verdachtes, moeder, [slachtoffer 4], heeft mishandeld door (met kracht) de keel van die [slachtoffer 4] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de lip en/of wang en/of gezicht van die [slachtoffer 4] te snijden en/of krassen;
9:
hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2014 tot en met 1 april 2014 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend zijn, verdachtes, moeder, althans een persoon, te weten [slachtoffer 4], met kracht heeft geduwd en/of op de grond gegooid en/of (vervolgens) (met kracht) de keel van die [slachtoffer 4] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

10:
hij op of omstreeks 26 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen en/of een broek en/of een trui (ter waarde van 74,70 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf C&A (filiaal gelegen aan het [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Betrouwbaarheid van getuige [getuige 1]

De raadsvrouw heeft zich overeenkomstig haar pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en deze verklaringen – zo begrijpt het hof – uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [getuige 1] er kennelijk alles aan doet om de verdachte neer te zetten als een psychopaat en dat zij ook eerder vaak heeft gelogen, zoals blijkt uit passages van een rapportage die in de jeugdjaren van [getuige 1] door de jeugdhulpverlening over haar is opgesteld.

Over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige over de gebeurtenissen, die zien op de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten, overweegt het hof het volgende. De getuige heeft bij de politie een gedetailleerde en uitgebreide verklaring afgelegd. Deze is innerlijk consistent en goed te volgen. Van belang acht het hof dat de getuige op enig moment tijdens het verhoor ongevraagd en uit zichzelf verklaart over het moment dat de verdachte, met wie zij toen samenwoonde, ’s nachts gewond thuis kwam en hetgeen hij daarover tegen haar heeft gezegd. Op dat moment was er – zo valt uit het dossier af te leiden – nog geen verdenking jegens de verdachte voor betrokkenheid bij een mishandeling/poging doodslag op 11 juli 2010 van de [slachtoffers 2 en 3]. Die verdenking is pas daarna gekomen, toen er een de verdachte belastende DNA-match bleek te zijn. Daarna is de getuige gevraagd hierover nader te verklaren. Het hof stelt vast dat de punten waarover de getuige heeft verklaard enkel kunnen zijn ingegeven door informatie die de verdachte haar (destijds) heeft gegeven. Bovendien blijken de door de getuige afgelegde verklaringen op belangrijke punten steun te vinden in andere bewijsmiddelen, zoals het door de verdachte dragen van een mes, het feit dat hij twee mensen had (neer)gestoken, de omweg naar huis die hij hierna had genomen en het later door hem afgelegde ziekenhuisbezoek. Het hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaringen te twijfelen.

Over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de getuige ten aanzien van het onder 7 en 9 ten laste gelegde heeft afgelegd, overweegt het hof dat ook op deze punten geen aanleiding bestaat om aan de geloofwaardigheid van de verklaringen te twijfelen en deze als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige ook hierover gedetailleerd en aanhoudend consistent heeft verklaard en de door haar afgelegde verklaringen bovendien worden ondersteund door overige bewijsmiddelen, zoals bij feit 9 de (eveneens pas later afgelegde) verklaring van aangeefster [slachtoffer 4].

Het hof ziet aldus geen beletsel de verklaringen van getuige [getuige 1] voor het bewijs te bezigen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben,

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 7 en 9 bewezen verklaarde levert op:

telkens: mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

Het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer(exces) ten aanzien van de feiten 4 en 5

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting overeenkomstig haar pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte voor wat betreft de feiten 4 en 5 heeft gehandeld uit noodweer subsidiair dat sprake is geweest van noodweerexces. Zij heeft daartoe de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

De verdachte liep de desbetreffende nacht over straat, omdat hij niet kon slapen. Op een gegeven moment werd hij door twee jongens uitgescholden. Zij renden op hem af en riepen: ‘kankerlijer’, ‘klootzak’, ‘geef je geld’ en ‘we pakken hem’. De langste jongen greep een mes en maakte stekende bewegingen in de richting van de borst en nek van de verdachte. De verdachte heeft zich geprobeerd af te weren en zich daarbij verwond aan zijn linker pols, hetgeen leidde tot een slagaderlijke bloeding. De verdachte wist het mes van de langste jongen af te pakken. De verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de langste jongen toen riep: ‘pas op, hij heeft mijn mes!’, en vervolgens wegrende. Vervolgens is de andere jongen bovenop hem gedoken, waarbij hij waarschijnlijk in het mes is geland dat de verdachte vast had. De jongen sprong vrij gemakkelijk weer terug en probeerde vervolgens nog een keer uit te halen, maar werd in zijn nek geraakt, omdat de verdachte het mes omhoog had gestoken teneinde zich opnieuw af te weren. De jongen liep daarop een beetje vreemd weg, maar niet vreemder dan iemand die dronken was.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en geeft ook overigens geen verklaring voor het door [slachtoffer 3] aan zijn rug opgelopen letsel. Hierbij komt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – anders dan bij de raadsheer commissaris – ook niet het letsel aan de nek/hals van [slachtoffer 2] kon verklaren. Naar het oordeel van het hof is het hoogst onaannemelijk dat [slachtoffer 2] zelf op de verdachte – en daarmee het mes – zou zijn gesprongen in de situatie waarin [slachtoffer 3] zou hebben geroepen ‘pas op, hij heeft mijn mes!’, zichzelf uit de voeten makend.

Het hof acht de door de verdediging geschetste situatie bovendien onaannemelijk in het licht van de verklaring van getuige [getuige 1], die heeft verklaard dat:

  • -

    de verdachte ’s nachts wel eens een rondje ging lopen en hij dan altijd een mes bij zich had;

  • -

    hij vanaf de plaats van het steekincident niet direct naar huis is gelopen, maar via omwegen om de politie te omzeilen;

  • -

    hij eerst niet naar het ziekenhuis wilde, maar zij vervolgens toch zijn gegaan omdat de wond bleef bloeden en zij daarbij het bebloede shirt van de verdachte onderweg naar het ziekenhuis op zijn idee hebben weggegooid;

  • -

    de chirurg tijdens zijn behandeling met spoed naar een andere patiënt moest en de verdachte toen in zijn map heeft gebladerd, waarna hij vol trots vertelde dat er iemand met steekwonden per ambulance was binnengebracht vanaf de [straatnaam] die kantje boord had gelegen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte de volgende ochtend in het ziekenhuis niet naar waarheid over de oorzaak van zijn verwonding heeft verklaard. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt verworpen.

Toerekeningsvatbaarheid

Het hof heeft acht geslagen op de verschillende rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt. Het hof heeft in het bijzonder gelet op de meest recente rapportages, te weten de rapportage d.d. 15 augustus 2018, opgemaakt door C.A.M. van der Meijs, psychiater, en de rapportage d.d. 10 augustus 2018, opgemaakt door J.M. Oudejans, psycholoog.

De gedragsdeskundigen hebben hun rapport opgesteld naar aanleiding van met de verdachte gevoerde onderzoeksgesprekken. Anders dan in eerste aanleg het geval was, heeft de verdachte in hoger beroep meegewerkt aan de totstandkoming van de rapportages.

De psychiater concludeert dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis, te weten ADHD, een conversiestoornis en een matig ernstige stoornis in cannabisgebruik. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die wordt gekenmerkt door een autismespectrumstoornis (Asperger) en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze gebrekkige ontwikkeling heeft doorwerking gehad op een aantal ten laste gelegde feiten. De psychiater acht het waarschijnlijk dat de verdachte, gekweld door weemoed over het verlies van zijn eerdere vriendin, vanuit een primitieve fantasievolle gedachte op zoek is gegaan naar eenzelfde soort relatie als hij eerder had. Hij heeft zich hierbij laten leiden door zijn Asperger stoornis en is door zijn persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken grenzeloos te werk gegaan. Ten aanzien van de mishandeling van zijn moeder concludeert de psychiater dat bij deze feiten sprake was van een gestoorde agressieregulatie, die deels is ontstaan vanuit miscommunicatie door de Asperger stoornis en deels door een gestoorde impulscontrole vanuit de persoonlijkheidspathologie bij veel psychosociale stress. De psychiater adviseert de feiten 1, 2, 7 en 9 in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Hij adviseert feit 10 volledig aan de verdachte te rekenen. Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 onthoudt de psychiater zich van het geven van advies.

De psycholoog concludeert dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een autismespectrumstoornis, ADHD en een stoornis in het gebruik van cannabis. Voorts lijdt de verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. De verdachte is hierdoor bij een aantal feiten in substantiële mate beïnvloed in zijn gedragingen. De psycholoog acht het waarschijnlijk dat de verdachte vanuit sterke onlustgevoelens en boosheid over de breuk met zijn eerdere vriendin op zoek is gegaan naar een jong en kwetsbaar meisje, zonder veel oog te hebben voor haar leeftijd en kwetsbaarheid. Door zijn gebrekkige empathische vermogen en het ontbreken van morele remmingen heeft hij haar als instrument ingezet en gereduceerd tot een object. De verdachte is door zijn autismespectrumstoornis en persoonlijkheidspathologie beïnvloed bij het plegen van deze feiten. Ten aanzien van de mishandeling van zijn moeder concludeert de psycholoog dat de relatie tussen de verdachte en zijn moeder beladen was. Het vermogen van de verdachte om bij conflicten zijn boosheid en verhoogde agressieve prikkelbaarheid te temperen of te reguleren, kan vanuit zijn persoonlijkheidspathologie als gebrekkig worden gezien. De psycholoog adviseert de feiten 1, 2, 7 en 9 in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Hij overweegt dat de feiten 3, 4, 5 en 10 niet kunnen worden verklaard vanuit een bij de verdachte gediagnosticeerde stoornis en adviseert derhalve die feiten volledig aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof neemt voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne. Op grond van de door beide gedragsdeskundigen vastgestelde stoornissen, is het hof van oordeel dat de feiten 1, 2, 7 en 9 in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal bij de op te leggen straf rekening houden met deze verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Ten aanzien van de overige feiten acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Ten aanzien van die feiten is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof onderschrijft onderstaande strafmotivering van de rechtbank en maakt die motivering tot de zijne.

De verdachte is via een chat-app in contact gekomen met het slachtoffer die op dat moment veertien jaar oud was. Nadat de verdachte eenmaal met haar in contact was gekomen, kregen de chatgesprekken al snel een seksueel getint karakter. De verdachte heeft er bij het slachtoffer veelvuldig en op manipulatieve wijze op aangedrongen naar hem toe te komen. Uiteindelijk is het slachtoffer afgereisd naar de woning van de verdachte in Diemen, waar hij haar gedurende een weekend onttrokken heeft aan het wettig gezag. De verdachte wist dat het slachtoffer zonder medeweten van haar ouders het ouderlijk huis had verlaten. De verdachte heeft bovendien maatregelen getroffen om te voorkomen dat zij op eenvoudige wijze gevonden zou kunnen worden. De verdachte heeft op grove en gewetenloze wijze misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van zijn slachtoffer en van de informatie die zij hem in chatsessies gaf over onder meer de relatie met haar ouders. Daarbij heeft hij over zijn ware leeftijd gelogen, door te vertellen dat hij 24 jaar oud was, terwijl hij in werkelijkheid 35 jaar was. Het slachtoffer heeft, daartoe aangezet door de verdachte, de stap genomen haar ouderlijk huis te verlaten om naar de verdachte toe te gaan. Vervolgens heeft de verdachte, terwijl hij op de hoogte was van de leeftijd van het slachtoffer, meerdere malen seks met haar gehad. Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan. De verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen seksuele gevoelens en heeft de nadelige gevolgen die het slachtoffer van een dergelijk handelen zou kunnen ondervinden voor lief genomen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het slachtoffer, blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaring, te kampen heeft met substantiële psychische gevolgen van de ontucht en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden. Ook de vader van het slachtoffer heeft in zijn ter zitting afgelegde slachtofferverklaring treffend verwoord welke impact het handelen van de verdachte op het leven van het slachtoffer, de ouders en overige gezinsleden heeft gehad.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno, waaronder kinderpornografische afbeeldingen en een filmpje van voornoemd slachtoffer, en van het internet afkomstige afbeeldingen en filmpjes. Bij het vervaardigen van kinderporno wordt op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de kinderen. De verdachte had zich moeten realiseren dat hij door zijn handelen een bijdrage leverde aan het in stand houden van deze wereldwijde, zeer kwalijke en zeer schadelijke industrie.

Daarnaast heeft de verdachte zich in 2010 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling van twee willekeurige voorbijgangers. Hij is hen aangevallen met een mes dat hij bij zich droeg en heeft het ene slachtoffer in zijn buik en hals/nek gestoken en het andere slachtoffer in zijn rug gestoken. Ten gevolge van het steken is eerstgenoemd slachtoffer levensbedreigend gewond geraakt aan zijn buik en kampt hij nog dagelijks met de gevolgen daarvan in de vorm van forse littekens en lichamelijke en psychische problemen. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Het hof rekent dat de verdachte zwaar aan. Naast de lichamelijke klachten ondervinden slachtoffers van dergelijk geweld vaak nog jarenlang last van angstgevoelens en velen van hen ondervinden in hun dagelijks leven langdurig hinder van de herinnering aan wat hen is overkomen, hetgeen ook blijkt uit de ter zitting afgelegde slachtoffer-verklaring. Delicten als de onderhavige veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid bij anderen en dergelijk zinloos geweld op straat leidt ook tot maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij als geheel. Het hof hecht eraan op te merken dat het hof de reactie van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op de slachtofferverklaring van een van de slachtoffers, inhoudende dat juist zij spijt en berouw dienen te tonen en het van zeer grote brutaliteit getuigt dat zij de verdachte hiervan beschuldigen, zeer verwerpelijk acht.

Voorts heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn moeder in haar eigen woning, door onder meer haar keel dicht te knijpen. Door aldus te

handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van een ander. De omstandigheid dat het slachtoffer de eigen moeder van de verdachte is, maakt dit feit des te kwalijker.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en heeft hij aldus overlast veroorzaakt bij de gedupeerde. Delicten als de onderhavige worden als zeer hinderlijk ervaren.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Terbeschikkingstelling

Voor beantwoording van de vraag of naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) moet worden opgelegd en zo ja, of dit met voorwaarden zou moeten zijn of met een bevel tot dwangverpleging, heeft het hof acht geslagen op de eerder aangehaalde rapportages van psychiater Van der Meijs en psycholoog Oudejans.

Anders dan in eerste aanleg het geval was, heeft de verdachte in hoger beroep meegewerkt aan de totstandkoming van de rapportages.

Psychiater Van der Meijs heeft in zijn rapport van 15 augustus 2018 gesteld dat het risico op een nieuw agressief delict – op termijn en zonder behandeling – groot is, omdat de gebrekkige ontwikkeling maakt dat de verdachte bij psychosociale stress zonder behandeling en/of begeleiding waarschijnlijk onvoorspelbaar zal blijven in zijn gedrag. Hij dient derhalve te worden behandeld voor de Asperger stoornis en de persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Een klinische behandeling is in eerste instantie noodzakelijk vanwege de complexiteit van deze problematiek en het verhoogde recidiverisico. Het advies is om aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen, ingeval uit een door de reclassering op te stellen maatregelrapport blijkt dat tbs met voorwaarden haalbaar is.

Ook psycholoog Oudejans komt in zijn rapport van 10 augustus 2018 tot de conclusie dat de kans dat de verdachte tot vergelijkbare delicten als de ten laste gelegde kan komen, op lange termijn, zeker wanneer de huidige relatie van de verdachte en zijn vriendin wordt verbroken, kan oplopen tot matig tot hoog. Hij acht het noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld, waarbij kan worden gedacht aan een klinische behandeling gevolgd door een ambulant/poliklinische vervolgbehandeling en nazorgtraject, met toezicht van de reclassering. De psycholoog adviseert om aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de reclassering als deskundige mw. T. Jaarsveld verschenen. Zij heeft te kennen gegeven dat de verdachte op korte termijn kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna ook: FPK) in Assen. Zij acht het noodzakelijk dat de verdachte gedurende twee jaar klinisch zal worden behandeld in het kader van tbs met voorwaarden. De eveneens ter terechtzitting als deskundigen verschenen en gehoorde psychiater Van der Meijs en psycholoog Oudejans hebben volhard in hun eerdere advies. Zij hebben gesteld dat een klinische behandeling in het kader van tbs met voorwaarden voor de door hen ingeschatte duur van anderhalf jaar voldoende behandelmogelijkheden biedt voor de bij de verdachte aanwezige problematiek. Samen met een ambulant nazorgtraject met eventueel begeleid wonen zou dit een afdoende kader moeten kunnen bieden om recidivegevaar tot een acceptabel niveau in de toekomst te beperken, zodat tbs met dwangverpleging niet noodzakelijk is. In samenspraak zijn door de reclassering, psychiater en psycholoog bijzondere voorwaarden opgesteld waaraan de verdachte zich dient te houden ingeval het hof besluit om aan de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen.

Gelet op het voorgaande zal het hof bevelen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, nu het merendeel van de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. Het is evident dat de onder 1, 7 en 9 bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel – de adviezen van de deskundigen, waarin zij hebben volhard ter terechtzitting, in aanmerking genomen – dat de minder ingrijpende vorm van tbs, te weten tbs met voorwaarden, voldoende waarborgen biedt ter bescherming van de veiligheid van anderen. Het hof zal daarom voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde, zoals die hieronder in het dictum worden weergegeven. De verdachte heeft zich bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.

De deskundige die namens de reclassering ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, heeft – zoals hiervoor weergegeven – bevestigd dat de verdachte op korte termijn opgenomen kan worden in de FPK in Assen. Ter terechtzitting is niet duidelijk geworden per welke datum dit is.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, acht het hof het ter bescherming van de maatschappij van groot belang dat de verdachte aansluitend aan zijn gevangenisstraf opgenomen wordt in de FPK en tussendoor derhalve niet op vrije voeten zal komen.

Het hof zal om dezelfde reden op grond van artikel 38 lid 7 van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Voorwaardelijk verzoek

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan de verdachte opnieuw te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum ingeval het hof aanleiding ziet tbs met voorwaarden op te leggen in plaats van tbs met dwangverpleging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van verschillende delictscenario’s en dat tot op heden geen verklaarbare reden is gevonden voor het handelen van de verdachte zoals onder 4 en 5 is bewezen verklaard.

Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt. De verdachte is reeds onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Deze deskundigen hebben omtrent de persoon van de verdachte gerapporteerd en hebben ter terechtzitting in hoger beroep vragen beantwoord van zowel het hof, de verdediging als het Openbaar Ministerie. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak om de verdachte (opnieuw) te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum.

Het verzoek wordt afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.600,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.600,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [vader van slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [vader van slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 995,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat eveneens aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 995,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [vader van slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.882,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist. De raadsvrouw heeft zich in het licht van het bepleitte ontslag van alle rechtsvervolging op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat eveneens aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 5.882,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 45, 57, 63, 240b, 245, 279, 287, 300, 302, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 en 8 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich direct aansluitend aan zijn gevangenisstraf gedurende een periode van twee jaren, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering wenselijk achten, ter behandeling laat opnemen in een klinisch forensische instelling, zoals de FPK Assen of een soortgelijke instelling, en houdt zich aan alle voorwaarden en aanwijzingen die hem door zijn behandelaars worden gegeven. Het resocialisatietraject, waarmee ook de opbouw van vrijheden en verdere resocialisatie met betrekking tot wonen wordt bedoeld, zal op aanwijzingen van Reclassering Nederland plaatsvinden;

  • -

    aansluitend op de klinische behandeling, meewerkt aan een forensische poliklinische/ambulante behandeling door een nader te bepalen forensische instelling en hij zich daarbij houdt aan de behandelafspraken, zolang zijn behandelaar(s) dat in samenspraak met de reclassering nodig acht(en);

  • -

    indien noodzakelijk, voor een time-out wordt geplaatst bij een nader door het NIFP/DIZ te bepalen FPA dan wel FPK. Deze time-outplaatsing duurt zolang als nodig is om de verdachte op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out, maar maximaal veertien weken per kalenderjaar. In overleg met het Openbaar Ministerie zal door de kliniek(en) worden beslist of en op welke wijze voortzetting van het traject al of niet mogelijk en haalbaar is;

  • -

    woonachtig is op een nader te bepalen woonadres, in overleg met de reclassering. Indien door de behandelaar of de reclassering geïndiceerd, werkt hij mee aan een plaatsing in een beschermde woonvorm dan wel aan ambulante woonbegeleiding;

  • -

    niet verandert van adres zonder overleg en toestemming van de reclassering. Indien hij wenst te overnachten op een ander adres dan zijn verblijfplaats, is dit in overleg en met toestemming van de reclassering;

  • -

    zich voor Reclassering Nederland open en controleerbaar opstelt en toestemming geeft aan de reclassering om contact te hebben met alle personen en instellingen uit zijn sociale netwerk. Tevens geeft hij aan deze personen/instellingen toestemming informatie uit te wisselen met de reclassering;

  • -

    geen drugs en/of alcohol gebruikt zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De verdachte zal meewerken aan controles op middelengebruik door middel van bloedonderzoeken, urineonderzoeken en/of blaastesten;

  • -

    zich op welke wijze dan ook onthoudt van:

o het op digitale wijze met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;

o gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;

o gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;

  • -

    zijn medewerking verleent aan controle van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Eventuele controle kan plaatsvinden met behulp van de politie;

  • -

    aangaande een partnerrelatie zijn medewerking verleent aan het arrangeren van een kennismakingsgesprek om zijn partner op de hoogte te brengen van zijn huidige tbs-status en de daaraan gekoppelde voorwaarden.

  • -

    zich niet samen met minderjarigen in een ruimte bevindt en zich niet ophoudt met minderjarigen, zonder aanwezigheid van andere volwassenen.

  • -

    inzage geeft in zijn financiën indien de reclassering hierom vraagt. Wanneer het noodzakelijk wordt geacht, verleent hij zijn medewerking aan budgetbeheer, bewindvoering, curatelestelling of schuldhulpverlening anderszins;

  • -

    zich zal inspannen om een gestructureerde dagbesteding te behouden. Hij dient zich te houden aan de afspraken die hierover worden gemaakt. De reclassering zal contact onderhouden met zijn werkgever en zal indien geïndiceerd werkbezoeken afleggen.

  • -

    indien hij om wat voor reden dan ook niet op zijn werk kan verschijnen, zich meldt bij zowel zijn contactpersoon op het werk als bij de reclassering. Hij zal niet veranderen van werk/dagbesteding zonder overleg en toestemming van de reclassering. Indien geïndiceerd verleent de verdachte zijn medewerking aan een re-integratietraject vanuit de gemeente.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 mei 2015.

Vordering van de benadeelde partij [vader van slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader van slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 995,00 (negenhonderdvijfennegentig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vader van slachtoffer 1], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 995,00 (negenhonderdvijfennegentig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en

€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 mei 2015.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.882,00 (vijfduizend achthonderdtweeëntachtig euro) bestaande uit € 2.882,00 (tweeduizend achthonderdtweeëntachtig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.882,00 (vijfduizend achthonderdtweeëntachtig euro) bestaande uit € 2.882,00 (tweeduizend achthonderdtweeëntachtig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2010.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. M.C.R. Derkx en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. K. Elema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 februari 2019.

mr. M.C.R. Derkx is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.