Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:589

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
22-005534-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel; artikel 273f, lid 1, onder 2°, 5° en 8° Sr. Seksuele uitbuiting van minderjarige gedurende een periode van twee weken. Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid OM wegens vertraging rechtsgang, schending gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur, schending Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005534-12

Parketnummer: 10-963111-10

Datum uitspraak: 31 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortejaar] 1980,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven [postadres], waarbij de verdachte uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het postadres geen straatnaam bevat.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 28 januari 2014, 11 april 2014 en 17 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte integraal vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, hetgeen bij inleidende dagvaarding op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader is omschreven, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 juni 2010 in de gemeente Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangeefster] door dwang en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [aangeefster] en/of

- [ aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster], terwijl die [AANGEEFSTER] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- [ aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [aangeefster] enige handeling ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen, terwijl die [AANGEEFSTER] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s)

- die [aangeefster] gedwongen en/of opgedragen met één of meer mannen seks te hebben en/of

- die minderjarige [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993 vanuit Hongarije naar Nederland vervoerd, overgebracht, gehuisvest, opgenomen, medegenomen, en/of laten vervoeren, laten overbrengen, laten opnemen, laten mede nemen en daarvoor een geldbedrag van 300 euro, althans enig geldbedrag, ontvangen en/of

- die minderjarige [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, als prostituee laten werken, althans die [aangeefster] haar seksuele diensten laten aanbieden en/of meerdere klanten voor die [aangeefster] geregeld en/of vervolgens (het) door die [aangeefster] met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk door die [aangeefster] aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of

- die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, zodanig in de gaten gehouden en/of bewaakt dat die [aangeefster] zich niet vrij kon bewegen en/of niet vrijwillig de woning waarin die [aangeefster] verbleef kon verlaten en/of

- die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, gecontroleerd en/of laten controleren en/of naar werkplaatsen en/of klanten gebracht en/of laten brengen en/of (vervolgens) van werkplaatsen en/of klanten opgehaald en/of laten ophalen en/of

- bepaald waar die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, als prostituee moest werken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot - mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn - een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde en aan het procesdossier gevoegde pleitnota bepleit dat het Openbaar Ministerie op de gronden als vermeld in de pleitnota niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. De raadsman heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat sprake is geweest van:

  1. vertraging in de rechtsgang;

  2. schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur;

  3. schending van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten.

De geconstateerde vormverzuimen, zowel onafhankelijk als tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, wettigen volgens de raadsman de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, althans dat de belangen van de verdachte grovelijk zijn veronachtzaamd en dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces ernstig is tekort gedaan.

Subsidiair verzoekt de raadsman de zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn en de schending van het gelijkheidsbeginsel te verdisconteren in de strafmaat en aan de schending van de genoemde Aanwijzing de sanctie van bewijsuitsluiting te verbinden.

Beoordeling van het hof

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ad a. Ten aanzien van de vertraging in de rechtsgang

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(hierna: EVRM) neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter bij de beoordeling of sprake is van de schending van de redelijke termijn en zo ja, welke gevolgen die schending kan hebben, de volgende criteria in die beoordeling te betrekken. Het gaat dan – kort gezegd – om:

- de ingewikkeldheid van de zaak;

- de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop;

- de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hierboven vermeld.

Niet gesteld noch gebleken is dat in de fase van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte door de rechtbank Rotterdam een overschrijding van de redelijke termijn zou hebben plaatsgevonden. Ook de stukken van het geding hebben de griffie van het hof, nadat het hoger beroep is ingesteld, tijdig bereikt.

Het hof richt zich met betrekking tot het vaststellen van een overschrijding van de redelijke termijn derhalve uitsluitend op de volgende in hoger beroep, chronologisch weergegeven, feiten.

De officier van justitie heeft op 29 november 2012 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.

De stukken van het geding zijn op 7 februari 2013 binnengekomen ter griffie van dit hof.

Ter zitting van 28 januari 2014 heeft de verdediging nadere onderzoekswensen aan het hof kenbaar gemaakt. Deze onderzoekswensen zijn nader aangevuld bij brief van 9 april 2014. De verdediging heeft de onderzoekswensen op 11 april 2014 ter zitting nogmaals nader toegelicht. De onderzoekswensen bestonden met name uit het doen horen van een aantal getuigen in Nederland en in het buitenland en het toevoegen van stukken aan het strafdossier.

Op 11 april 2014 heeft het hof beslist dat de strafzaak diende te worden verwezen naar het kabinet van de raadsheer-commissaris, teneinde drie van de door de verdediging verzochte getuigen te horen. Hieraan is uitvoering gegeven op achtereenvolgens 31 januari 2018 en 26 april 2018.

Op 28 juni 2018 is het strafdossier geretourneerd aan de griffie van dit hof. Het Openbaar Ministerie heeft op 16 augustus 2018 de door de verdediging verzochte Hongaarse stukken aan het dossier toegevoegd.

Op 17 januari 2019 heeft een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden. Een eerdere zittingsdatum was niet mogelijk doordat de raadsman van de verdachte en de raadslieden van de medeverdachten niet eerder tegelijkertijd beschikbaar waren op door de griffie van het hof voorgestelde zittingsdata.

De voorzitter heeft het onderzoek ter terechtzitting op voormelde zitting van 17 januari 2019 gesloten.

Het hof wijst heden op 31 januari 2019 eindarrest, dus eerst ruim zes jaar nadat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het hof in beginsel binnen twee jaren na het instellen van appel eindarrest had moeten wijzen, derhalve voor 29 november 2014. Het eindarrest is echter ruim vier jaar later gewezen.

Uit de vastgestelde relevante feiten volgt naar het oordeel van het hof het volgende.

De raadsheer-commissaris heeft middels rechtshulpverzoeken twee getuigen gehoord die in het buitenland (Hongarije) verbleven, waardoor het verloop van de zaak een forse vertraging heeft opgelopen. Dat het onderzoek in hoger beroep langer heeft geduurd wordt hierdoor dan ook deels verklaard.

Niettemin blijkt uit de opgesomde relevante feiten dat de autoriteiten in de fase van het hoger beroep op bepaalde momenten beduidend meer voortgang in het onderzoek hadden kunnen boeken. Het hof acht de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep dan ook in forse mate overschreden. Dit levert op een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze overschrijding leidt echter volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. In zoverre faalt derhalve het verweer. Wel zal het hof indien een strafoplegging zal plaatsvinden daarin in strafmatigende zin rekening houden met de genoemde overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof voegt hier nog nadrukkelijk aan toe, dat het in het kader van de waarheidsvinding en bij de beoordeling van de bewijswaarde van de getuigenverklaringen die eerst na een fors tijdsverloop in het buitenland zijn afgelegd, rekening zal houden met de omstandigheid van het forse tijdsverloop. Anders dan de verdediging, is het hof evenwel niet van oordeel dat reeds daarmee sprake zou zijn van een schending van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het EVRM, of van een schending als bedoeld in het eerste lid van genoemde verdragsbepaling, die zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Ook overigens faalt het beroep.

Ad b. Ten aanzien van de schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de (wijze van) vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Hiervan kan sprake zijn - bijvoorbeeld - omdat vervolging wordt ingesteld terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn of doordat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat voor die ongelijke behandeling een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.1

Dat in het kader van de jegens de verdachte genomen vervolgingsbeslissing sprake is geweest van een aperte onevenredigheid van afweging van belangen – zoals gesteld -, valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en ook ambtshalve beschouwd niet af te leiden. Evenmin is het hof gebleken dat de door het Openbaar Ministerie gemaakte keuze om verdachte wel, en de drie door de verdediging genoemde medeverdachten niet te vervolgen een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Dat sprake zou zijn van een (volkomen) gelijke bewijspositie is weliswaar gesteld, maar het hof niet gebleken. Immers, aan de verdachte wordt qua aard van het hem tenlastegelegde feit nadrukkelijk een andere rol verweten dan de rol zoals die uit het dossier naar voren komt ten aanzien van de door de verdediging genoemde medeverdachten waartegen geen strafvervolging is ingesteld, welke laatste rollen veeleer zien op de aanloop naar de daadwerkelijke uitbuiting van aangeefster in de prostitutie. De verdachte wordt juist verweten dat hij betrokken is geweest bij de daadwerkelijke seksuele uitbuiting van aangeefster. Het beroep faalt derhalve.

Ad c. Ten aanzien van de schending van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (naar het hof begrijpt: de inmiddels vervallen eerste Aanwijzing, zoals die gold van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2018)

Uit het proces-verbaal van bevindingen van politie van 18 december 2018 blijkt dat door de politie en het Openbaar Ministerie is gezocht naar de audiovisuele registratie van het verhoor van aangeefster bij de politie van 1 juli 2010, welke registratie volgens de politie plaats heeft gevonden, echter zonder resultaat.

Het ontbreken van de mogelijkheid voor de verdediging om deze destijds klaarblijkelijk wel gemaakte audiovisuele registratie te kunnen bekijken op grond van het in het ongerede raken van deze registratie is – daargelaten de kwestie dat de meergenoemde Aanwijzing nog niet van toepassing was op het moment dat het verhoor met aangeefster werd gehouden - een verzuim dat ingevolge de beginselen van een behoorlijke procesorde redelijkerwijs als onherstelbaar kan worden aangemerkt.

Aan het even bedoelde verzuim kan volgens vaste jurisprudentie het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden verbonden, indien het vormverzuim daarin bestaat dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Deze situatie doet zich in casu naar het oordeel van het hof evenwel niet voor. Het enkele feit dat de audiovisuele registratie van het verhoor van aangeefster waarin zij aangifte doet d.d. 1 juli 20102 onvindbaar is, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat deze doelbewust zou zijn zoek gemaakt. Het rechtvaardigt ook niet de gevolgtrekking dat de belangen van de verdachte daarmee zonder meer grovelijk veronachtzaamd zouden zijn. De aangifte is in het onderhavige geval bovendien vrijwel letterlijk uitgewerkt op schrift.3 Aangeefster is daarnaast gedurende het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte meermalen door de politie in Hongarije gehoord. Tot slot is zij recentelijk nog op 31 januari 2018 op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris gehoord middels een videoconferentie vanuit Hongarije, waarbij de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is gesteld en geweest om vragen te stellen aan aangeefster als getuige.

De omstandigheid dat de verdediging bij gebreke van de auditieve versie niet de mogelijkheid heeft gehad de vertaling van de aangifte te controleren, leidt niet tot een ander oordeel nu niet is gesteld en onderbouwd noch overigens is gebleken dat er enige reden zou bestaan om te twijfelen aan de juiste vertaling van de in het verhoor van aangeefster neergelegde bewoordingen. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging betrokken stelling dat de belangen van de verdachte grovelijk zouden zijn veronachtzaamd, ook hieromtrent is niets aangevoerd noch ambtshalve gebleken. Ook dit beroep faalt dus.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in al zijn onderdelen niet opgaat, en evenmin indien het verweer tezamen en in onderlinge samenhang wordt beschouwd.

Het hof verwerpt het verweer en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.

Bespreking van verweer tot bewijsuitsluiting

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het ontbreken van de audiovisuele registratie van de verhoren van aangeefster zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor op dit onderdeel heeft

vastgesteld en overwogen, is in casu voor bewijsuitsluiting van het desbetreffende verhoor van aangeefster evenmin reden. Het Openbaar Ministerie heeft voldoende compenserende maatregelen voor de verdediging getroffen om de bewijswaarde van het verhoor van aangeefster van 1 juli 2010 aan een kritisch onderzoek te kunnen onderwerpen. In hoger beroep heeft de verdediging zich bovendien niet op het standpunt gesteld dat het eerste verhoor van aangeefster onjuist zou zijn vertaald, noch is dit anderszins komen vast te staan dan wel daar een begin van aannemelijkheid van gemaakt.

Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 juni 2010 in de gemeente Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangeefster] door dwang en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [aangeefster] en/of

- [ - aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, heeft geworven, vervoerd, en overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster], terwijl die [AANGEEFSTER] de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt en/of

- [ aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [aangeefster] enige handeling ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen, terwijl die [AANGEEFSTER] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s)

- die [aangeefster] gedwongen en/of opgedragen met één of meer mannen seks te hebben en/of

- die minderjarige [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993 vanuit Hongarije naar Nederland vervoerd, overgebracht, gehuisvest, opgenomen, medegenomen, en/of laten vervoeren, laten overbrengen, laten opnemen, laten mede nemen en daarvoor een geldbedrag van 300 euro, althans enig geldbedrag, ontvangen en/of

- die minderjarige [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993 als prostituee laten werken, althans die [aangeefster] haar seksuele diensten laten aanbieden en/of meerdere klanten voor die [aangeefster] geregeld en/of vervolgens (het) door die [aangeefster] met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk door die [aangeefster] aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of

- die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, zodanig in de gaten gehouden en/of bewaakt dat die [aangeefster] zich niet vrij kon bewegen en/of niet vrijwillig de woning waarin die [aangeefster] verbleef kon verlaten en/of

- die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, gecontroleerd en/of laten controleren en/of naar werkplaatsen en/of klanten gebracht en/of laten brengen en/of (vervolgens) van werkplaatsen en/of klanten opgehaald en/of laten ophalen en/of

- bepaald waar die [aangeefster], geboren op [geboortejaar] 1993, als prostituee moest werken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweer inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn, nu haar verklaringen innerlijk tegenstrijdig zijn en worden weersproken door vrijwel alle andere getuigen in het onderzoek. Hierbij wijst de raadsman ook op het stilzetten van het onderzoek verricht door de Hongaarse autoriteiten naar de door aangeefster gedane aangifte, omdat zij niets van haar verhaal zouden geloven. De verklaringen van aangeefster dienen derhalve terzijde te worden geschoven. Voorts is geen ander bewijs in het dossier aanwezig dat de verklaringen van aangeefster voldoende ondersteunt.

Beoordeling door het hof

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt vast op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat aangeefster meermalen is gehoord door de (Hongaarse) politie en op 31 januari 2018 middels een videoconferentie bij de raadsheer-commissaris is gehoord vanuit het buitenland, waarbij de verdediging in de gelegenheid is geweest om vragen te stellen aan aangeefster.

Het hof deelt in zijn algemeenheid de opvatting van de raadsman dat verklaringen die bij de raadsheer-commissaris na meerdere jaren worden afgelegd met enige behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld. Het tijdsverloop, het mogelijk kennisnemen van processtukken, een mogelijke beïnvloeding van het geheugen door kennis met anderen te delen of zelfs een mogelijke onderlinge afstemming van verklaringen door getuigen zijn voortdurend - ook ambtshalve - aandachtspunten van het hof bij de uitleg en waardering van deze verklaringen als bewijsmiddel.

De raadsman heeft aan zijn verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van aangeefster ten grondslag gelegd dat aangeefster aantoonbaar op onderdelen niet naar waarheid heeft verklaard. Voorts heeft hij minutieus op inconsistenties in de verklaringen van aangeefster gewezen.

Met de raadsman constateert ook het hof dat sprake is van inconsistenties in de verschillende verklaringen van aangeefster waarbij het hof in het bijzonder noemt het antwoord op de vraag in hoeverre zij vrijwillig naar Nederland zou zijn gegaan. Deze vaststelling maakt echter niet dat deze verklaringen (volledig) terzijde zouden moeten worden geschoven als bewijs. Aangeefster heeft in de kern, zoals met betrekking tot het hebben van betaalde seks met anderen in opdracht van de verdachte, vanaf het eerste moment bij de politie juist consistent verklaard. De verklaringen van aangeefster worden bovendien op dit punt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], een en ander zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage. Het hof ziet geen aanleiding om de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op deze onderdelen onbetrouwbaar te achten.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de door de raadsman gestelde omstandigheden in dit geval hebben geleid tot onbetrouwbare verklaringen van aangeefster. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de juistheid van de verklaringen van aangeefster met betrekking tot de kern van het aan de verdachte gemaakte verwijt: de seksuele uitbuiting van aangeefster door de verdachte, zou moeten worden getwijfeld.

Met betrekking tot het stopzetten van het onderzoek door de Hongaarse autoriteiten overweegt het hof het volgende. Uit de beschikking van de Hongaarse autoriteiten4 volgt dat het strafrechtelijk onderzoek naar het plegen van een ander strafbaar feit - een schending van de persoonlijke vrijheid van de minderjarige aangeefster - is beëindigd omdat op basis van de Hongaarse autoriteiten ten dienste staande gegevens van het onderzoek niet viel vast te stellen dat een strafbaar feit was gepleegd en er geen resultaten vielen te verwachten van het verdere vervolg van het onderzoek. Deze – ook naar ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijke – omstandigheid, laat evenwel onverlet dat (ook) de Nederlandse opsporingsautoriteiten te allen tijde zelfstandig een strafrechtelijk onderzoek kunnen opstarten naar enig strafbaar feit. Het is hierbij vervolgens aan het Openbaar Ministerie en de rechter om naar Nederlandse recht de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ten aanzien van dat feit te onderzoeken en te toetsen.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2°, 5° en 8° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel door uitbuiting van een minderjarig slachtoffer. Seksuele uitbuiting is een zeer ernstig feit, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geheel ondergeschikt wordt gemaakt aan het geldelijk gewin van de uitbuiters. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen ervan ondervinden. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de grote kwetsbaarheid en de jeugdige leeftijd van aangeefster en heeft kennelijk puur uit eigen financieel gewin gehandeld. Het hof rekent hem dit ernstig aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een ander strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden op feiten als de onderhavige ten aanzien van een minderjarige een passende en geboden reactie vormt.

Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn in hoger beroep het volgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De in de onderhavige zaak tijdens de berechting in hoger beroep ontstane vertraging van ruim vier jaren is in belangrijke mate veroorzaakt door de lange periode die is verstreken tussen de binnenkomst van het dossier bij het hof en de regiezittingen bij het hof en door de ten behoeve van het horen van de verzochte en toegewezen getuigen in het buitenland gedane rechtshulpverzoeken waardoor de zaak ook een lange periode bij het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft gelegen. Deze omstandigheden maken dat het hof van oordeel is dat het niet opportuun is dat de verdachte opnieuw zal worden gedetineerd gelet op de aanzienlijke tijd die in hoger beroep is verstreken waarin de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie geen strafbare feiten meer heeft begaan. Aan de verdachte zal derhalve in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, worden opgelegd.

Het hof acht het geboden dat bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht rekening wordt gehouden met de in het buitenland door de verdachte in detentie doorgebrachte periode, te weten van 2 september 2011 tot 1 november 2011. De verdachte behoeft hierdoor na de regels van aftrek niet opnieuw van zijn vrijheid te worden beroofd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 56, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

10 (tien) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia,

mr. A.S.I. van Delden en mr. L.C. van Walree,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 januari 2019.

1 Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280.

2 C01 p. 30 e.v.

3 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, C01, p. 248 e.v.

4 Beschikking van het hoofdcommissariaat van Politie van de provincie [plaats] over het beëindigen van het onderzoek d.d. 13 juni 2011 met nummer 03000/89/2011/Bü,(gevoegd in het RHC-dossier)