Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:586

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
22-003710-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en beschadiging van goederen, toebehorende aan een psychiatrisch ziekenhuis waar de verdachte op dat moment verbleef op grond van art.37 van het Sr. De verdachte werd hierop ingesloten op zijn kamer waar hij niet mocht roken van het personeel. Hij bleef aandringen om te mogen roken maar zonder resultaat. Hierop heeft de verdachte bedtextiel en/of het matras van zijn bed in brand gestoken. De verdachte lijdt aan paranoïde schizofrenie.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts gelast het hof dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003710-18

Parketnummer: 10-109517-18

Datum uitspraak: 20 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortejaar] 1985,

thans gedetineerd in [PPC].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, waarbij is bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard opzettelijk brand heeft gesticht in een kamer in kliniek [kliniek], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een matras en/of (een) laken(s) en/of (ander) textiel op dat matras in die kamer in brand gestoken (met een aansteker),

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met dat/die matras en/of laken(s) ) en/of (ander) textiel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of voornoemd matras en/of een laken op dat matras geheel of gedeeltelijk zijn/is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kliniek en/of één of meer zich in die kliniek bevinden goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar voor en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (de) zich in die kliniek bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2:

hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard opzettelijk en wederrechtelijk een televisietoestel en/of twee, althans één computers(s) en/of een ruit en/of een vloer en/of een matras in kliniek [kliniek], geheel of ten dele toebehorend aan kliniek [kliniek], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, alsmede dat aan hem wordt opgelegd de maatregel van terbeschik-kingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor de duur van maximaal vier jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard opzettelijk brand heeft gesticht in een kamer in kliniek [kliniek], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een matras en/of (een) laken(s) en/of (ander) textiel op dat matras in die kamer in brand gestoken (met een aansteker),

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met dat/die matras en/of laken(s) ) en/of (ander) textiel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of voornoemd matras en/of een laken op dat matras geheel of gedeeltelijk zijn/is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kliniek en/of één of meer zich in die kliniek bevinden goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar voor en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (de) zich in die kliniek bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2:

hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard opzettelijk en wederrechtelijk een televisietoestel en/of twee, althans één computers(s) en/of een ruit en/of een vloer en/of een matras in kliniek [kliniek], geheel of ten dele toebehorend aan kliniek [kliniek], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu de

verdenking gebaseerd is op onjuiste en met de camera-beelden strijdige verklaringen van medewerkers van de inrichting en dat verdachtes verklaring, dat de brand is

ontstaan door een naar binnen geworpen brandende sigaret, geloofwaardig is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat is komen vast te staan dat op 4 juni 2018 in de kamer van de verdachte in de kliniek [kliniek] het matras en bedtextiel in brand hebben gestaan.

Het hof heeft geen enkele twijfel ten aanzien van de juistheid van de verklaringen van de medewerkers in de kliniek en deze zijn naar het oordeel van het hof niet in strijd met de camerabeelden die ter terechtzitting in hoger beroep zijn getoond. Dat de verklaringen van deze medewerkers niet in alle opzichten worden ondersteund door hetgeen op de camerabeelden is te zien en te horen kan niet tot de conclusie leiden dat hun verklaringen onjuist en om die reden onbetrouwbaar zijn.

Het alternatieve scenario

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het door de raadsman aangevoerde alternatieve scenario, te weten dat de brand ontstaan zou zijn door een van buiten naar binnen gegooide sigaret, niet aannemelijk is geworden.

De verdachte heeft in dit verband – in de kern erop neerkomend - verklaard dat iemand op zijn verzoek een shagje door het raam naar binnen zou hebben gegooid, omdat hij van de medewerkers van de kliniek niet mocht roken. De verdachte kon vervolgens het shagje niet vinden en zou naar het toilet zijn gegaan. Toen de verdachte een tijdje op het toilet zat zou het alarm zijn afgegaan.

Het hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte strijdig is met de aanwezige bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de medewerkers, de camerabeelden en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden.

Vier medewerkers staan bij de deur van de kamer van de verdachte en hebben contact met de verdachte die hen vraagt om te mogen roken. De medewerkers vertrekken bij de deur om 13.19:40 uur. Nog geen minuut later (13.20:35 uur) gaat het alarm af en kort daarna zien de medewerkers al vuur. Dat de verdachte in dit korte tijdsbestek aan een voorbijganger een shagje heeft gevraagd, dat deze voorbijganger een shagje naar binnen heeft gegooid, dat de verdachte tevergeefs naar het naar binnen gegooide shagje heeft gezocht en dat dit smeulende shagje ook nog open vuur heeft veroorzaakt, terwijl de verdachte - naar eigen zeggen - ook de tijd heeft gehad om een aantal persoonlijke bezittingen mee de natte cel in te nemen en nog enige tijd op het toilet heeft verbleven voordat hij het alarm hoorde afgaan, is naar het oordeel van het hof volstrekt ongeloofwaardig. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte zelf opzettelijk het vuur heeft aangestoken. In dit verband neemt het hof mede in aanmerking dat blijkens het proces-verbaal Sporenonderzoek (PL1700-2018166163-5) matrassen in de kliniek alleen branden, indien er constant vuur bij het matras wordt gehouden. Zodra het vuur niet meer aanwezig is kan de brand zichzelf niet voortzetten. Verder acht het hof van belang dat in de cel van de verdachte twee aanstekers zijn aangetroffen alsmede dat de kamer van verdachte naar buiten toe is beveiligd met een rooster dat is voorzien van gaatjes die veel te klein zijn voor het erdoorheen laten van een sigaret.

Levensgevaar voor in de in de kliniek bevindende personen

Er is brand geweest in de kliniek en de aangifte is duidelijk. Getuige [getuige] zag in de kamer van de verdachte dat het voeteneinde van het matras in brand stond en dat het vuur zich zowel in de lengte als in de hoogte zeer snel verspreidde. Er was sprake van een hevige rookontwikkeling. Gelet op het proces-verbaal Sporenonderzoek (PL1700-2018166163-5) en het proces-verbaal verhoor van een officier van de brandweer (PL1700-2018166163-13) – in laatstgenoemd proces-verbaal is gerelateerd dat 3 leden van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid, 5 politieagenten en 7 personeelsleden van [kliniek] in verband met het inademen van rook door personeel van de ambulance zijn nagekeken -, is het hof van oordeel dat de brand niet alleen gevaar voor goederen opleverde, maar als gevolg van de rookont-wikkeling ook levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die kliniek bevindende personen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en beschadiging van goederen, toebehorende aan een psychiatrisch ziekenhuis waar de verdachte op dat moment verbleef op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdachte werd hierop ingesloten op zijn kamer waar hij niet mocht roken van het personeel.

De verdachte bleef aandringen om te mogen roken maar zonder resultaat. Hierop heeft de verdachte bedtextiel en/of het matras van zijn bed in brand gestoken. Daarbij is schade aan goederen ontstaan en was levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die kliniek bevindende personen te duchten.
Feiten als de onderhavige brandstichting zijn in hoge mate gevaarzettend en brengen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, terwijl ze doorgaans ook grote (financiële) schade veroorzaken.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

16 januari 2019.

Rapportages ten aanzien van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op de volgende omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages:

- een reclasseringsadvies van Fivoor, gedateerd 27 augustus 2018;

- het Pro Justitia rapport d.d. 27 juli 2018, opgemaakt en ondertekend door dr. B.A. Blansjaar, psychiater. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Onderzochte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van chronisch recidiverende schizofrenie, stoornissen in het gebruik van middelen en mogelijk ook aan een posttraumatische stress stoornis.

Ten tijde van het ten laste gelegde had onderzochte cognitieve beperkingen, met stoornissen van zijn vermogen tot oordeel en kritiek en had hij denkbeelden van achtervolgings- en grootheidswaan.

De door onderzochte bekende vernielingen kunnen worden beschouwd als inadequate agressieve reacties vanuit ziekelijke achterdocht, een expansief zelfbewustzijn en een gebrekkig vermogen tot oordeel en kritiek als gevolg van voormelde achtervolgings- en grootheidswaan en cognitieve beperkingen. Indien bewezen kan ook de door onderzochte ontkende brandstichting zo worden verklaard.

Geadviseerd wordt onderzochte de ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen, in verminderde mate toe te rekenen omdat hij er weliswaar blijk van heeft gegeven te beseffen dat het ten laste gelegde laakbaar en strafbaar is, maar hij door zijn psychotische ziekteverschijnselen en beperkingen niet goed in staat was naar dat besef te handelen.

De kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten kan als hoog worden ingeschat.

De recidivekans kan op korte en lange termijn slechts substantieel worden verlaagd door langdurige klinische behandeling in en resocialisatie vanuit een gesloten en beveiligde setting. Gezien het gebrek aan resultaat van de eerdere behandeling van onderzochte in Forensisch Psychiatrische Afdelingen na plaatsing op grond van artikel 37 Sr wordt geadviseerd het recidivegevaar te beperken door onderzochte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal niet volstaan, omdat onderzochte niet in staat is zich lang genoeg aan voorwaarden te houden, aldus Blansjaar;

- het Pro Justitia rapport d.d. 23 augustus 2018, opgemaakt en ondertekend door drs. R.K.F. Lemmens, klinisch psycholoog. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene lijdt aan paranoïde schizofrenie. Mogelijk is ook sprake van antisociale trekken in de persoonlijkheid. In het verleden is sprake geweest van verschillende vormen van verslaving. Het intellectuele niveau van betrokkene is vermoedelijk zwak- of laagbegaafd.

Omdat betrokkene niet erg therapietrouw is en zijn medicatie laat staan en omdat hij geregeld drugs gebruikt is zijn psychische toestand wisselvallig en maakt hij psychotische episodes door die in hevigheid fluctueren.

Indien de brandstichting bewezen wordt geacht, acht Lemmens een rol aanwezig voor betrokkenes stoornissen, met name de algemene achterdocht en de problemen met impulscontrole die passen bij zijn psychiatrische stoornis en bij de antisociale trekken in zijn persoonlijkheid.

Lemmens adviseert om de ten laste gelegde brandstichting in een verminderde mate toe te rekenen. Ten aanzien van de vernieling adviseert Lemmens om deze geheel aan betrokkene toe te rekenen.

Het recidivegevaar is hoog op basis van zijn complexe ‘dubbele’ problematiek.

Op termijn en niet behandeld/begeleid zal dit leiden tot recidive van delictgedrag, aanvankelijk vermogensdelicten maar escalerend in geweldsdelicten.

Betrokkene dient behandeld te worden voor zijn stoornissen, m.n. de psychose en het drugsgebruik.

Gezien zijn verleden zal deze behandeling van lange duur en klinisch moeten zijn. Tevens zal de behandeling dwingend moeten worden opgelegd.

Van een min of meer vrijwillige behandeling als bijzondere voorwaarde binnen een voorwaardelijk strafdeel valt geen enkel resultaat te verwachten. Ook de meer dwingende en gesloten maatregel van een art. 37 Sr plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis heeft in het verleden (tweemaal) geen succes opgeleverd. Een volgende stap, TBS met voorwaarden, acht Lemmens niet realistisch. Betrokkene is niet gemotiveerd voor een behandeling en kan zich niet aan de voorwaarden verbonden aan een TBS met voorwaarden houden.

Lemmens adviseert dan ook om aan betrokkene de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, neemt het hof die conclusies met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde over en maakt die tot de zijne. Anders dan door de psycholoog geadviseerd acht het hof de verdachte, met een beroep op de conclusies van de psychiater, niet alleen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, maar ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar.

Gezien de ernst van de feiten acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Voorts onderschrijft het hof de conclusies van de deskundigen dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging noodzakelijk is.

Het hof zal de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelasten.

Het onder 1 bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf

dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend. Dit betekent dat de

totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een periode van vier jaar te boven kan gaan en dus niet gemaximeerd is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2019.