Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:584

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
001706-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het verzoek tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank bij vonnis d.d. 15 november 2018, in de zaak met parketnummer 10-650211-17, gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dient te worden toegewezen. Bij een klinische opname zal verzoeker niet aan het door het hof opgelegde programma van de GBM kunnen voldoen. Het arrest van het hof is onherroepelijk.

Het hof wijst het verzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AV-nummer 001706-18

Datum uitspraak 7 februari 2019

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 77za, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ingediend namens:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

thans gedetineerd in [Rijksinr. voor Jongens],

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, [adres].

Procesgang

De rechtbank Rotterdam heeft verzoeker bij vonnis d.d. 15 november 2018, gewezen onder parketnummer 10-650211-17, veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is voorwaardelijk aan de verzoeker opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met een proeftijd van twee jaren, onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

En onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal melden bij Reclassering Nederland en zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen aldaar zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal laten opnemen in De Catamaran, kliniek voor forensische jeugdpsychiatrie en orthopsychiatrie van het GGZE te Eindhoven, voor zolang als die instelling, in overleg met de jeugdreclassering, dat nodig acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [persoon 1] (geboren op [geboortejaar] 1996), [persoon 2] (geboren op [geboortejaar] 1998), [persoon 3] (geboren op [geboortejaar] 2002), [persoon 4] (geboren op [geboortejaar] 1998) en [persoon 5] (geboren op [geboortejaar] 2000), zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zorgt voor een zinvolle dagbesteding (daaronder begrepen onderwijs volgen overeenkomstig het door de onderwijsinstelling op te stellen rooster en/of stage en/of arbeid en/of een vrijetijdsbesteding), zulks ter beoordeling van de reclassering;

  • -

    medewerking verleent aan controle van gegevensdragers door Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het afgeven van gebruikersnamen en wachtwoorden.

De rechtbank heeft Reclassering Nederland opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank heeft in het vonnis bevolen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Namens verzoeker is op 21 november 2018 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Voorts is verzoeker, in een andere zaak, bij arrest van dit hof d.d. 1 november 2018, gewezen onder rolnummer 22-003912-17, veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 250 dagen, met aftrek van voorarrest. Tevens is aan de verzoeker opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna GBM) voor de duur van twaalf maanden, bij het niet naar behoren meewerken aan de tenuitvoerlegging van die maatregel, te vervangen door 12 maanden jeugddetentie. Het programma van die maatregel bestaat uit:

  • -

    het op nader te noemen tijdstippen melden bij de Reclassering Nederland, afdeling JOVO, zolang dit door de reclassering noodzakelijk wordt geacht;

  • -

    het opvolgen van de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    het zich onder behandeling laten stellen voor zijn problematiek bij Fivoor dan wel De Waag of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van Reclassering Nederland, in het belang van een zo gunstig mogelijke (verdere) ontwikkeling van de inmiddels jong volwassene;

  • -

    het volgen van onderwijs, overeenkomstig het door de onderwijsinstelling op te stellen rooster;

  • -

    medewerking verlenen aan controle van gegevensdragers door de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het afgeven van gebruikersnamen en wachtwoorden.

Het hof heeft in het arrest bevolen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is. Er is door geen van de betrokken partijen cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest, zodat dit arrest onherroepelijk is.

Op 7 februari 2019 heeft de raadkamer van dit hof het verzoek achter gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoeker, diens advocaat mr. F.F. Aarts, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. R. Smits.

In de toelichting op het verzoekschrift heeft de advocaat van verzoeker onder meer meegedeeld – zakelijk weergegeven – dat er wettelijke beletsels bestaan om de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden, gekoppeld aan een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel, te bevelen. Voorts heeft de advocaat aangevoerd dat het vonnis van de rechtbank in de zaak met parketnummer 10-650211-17 conflicteert met onderdelen van het programma van de GBM die door het hof in de zaak met rolnummer 22-003912-17 zijn opgelegd, welk arrest inmiddels onherroepelijk is en zou moeten prevaleren. Bij een klinische opname zal verzoeker niet aan het door het hof opgelegde programma van de GBM kunnen voldoen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.

Beoordeling van het verzoek

Het hof stelt vast dat de door de rechtbank in de zaak met parketnummer 10-650211-17, bij vonnis d.d. 15 november 2018, opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden conflicteren met de inhoud van het programma van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, opgelegd en dadelijk uitvoerbaar verklaard door het hof in de zaak met rolnummer 22-003912-17, bij arrest d.d. 1 november 2018. Voornoemd arrest van het hof is, in tegenstelling tot het vonnis in de zaak met parketnummer 10-650211-17, onherroepelijk. Het hof overweegt dat het voor verzoeker onmogelijk is om zowel aan de voorwaarden van voornoemd vonnis als aan het programma van de GBM opgelegd in het genoemde arrest te voldoen en dat zulks onwenselijke gevolgen heeft. Onwenselijk is dat er onduidelijkheid bestaat aan welke uitvoering van bovenstaande uitspraken voorrang dient te worden gegeven; dat kan in de gegeven omstandigheden voor de verdachte, de begeleidende reclassering en het met de executie belaste Openbaar Ministerie onduidelijk zijn. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het verzoek tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank bij vonnis d.d. 15 november 2018, in de zaak met parketnummer 10-650211-17, gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dient te worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

Wijst het verzoek toe.

Deze beschikking is gewezen door

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, voorzitter,

mr. J.A.C. Bartels en mr. T.J. Sleeswijk Visser, leden,

in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen,

en op 7 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.