Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:530

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
200.238.103/01 en 200.238.111/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:5088
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Academisch gevormde vrouw kan binnen redelijke termijn in eigen levensonderhoud voorzien. Bij het vaststellen van partner- en kinderalimentatie gaat het hof van één rekensysteem uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0077
FJR 2019/31.3
RFR 2019/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 februari 2019

Zaaknummers : 200.238.103/01 en 200.238.111/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 16-8149 (echtscheiding) en FA RK 17-3909 (verdeling)

Zaaknummers rechtbank : C/09/520705 (echtscheiding) en C/09/532989 (verdeling)

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Moene te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Broijl te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 26 april 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2018 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 8 juni 2018 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 12 juli 2018 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 12 juli 2018 een V-formulier van 10 juli 2018 met bijlage;

- op 8 oktober 2018 een V-formulier van 7 oktober 2018 met bijlagen;

- op 18 oktober 2018 een brief van 17 oktober 2018 met bijlagen

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 9 oktober 2018 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, op 10 oktober 2018 ingekomen als brief met bijlagen;

  • -

    op 17 oktober 2018 een V-formulier van 16 oktober 2018 met bijlagen.

De zaak is op 19 oktober 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij en met ingang van de datum van die beschikking is, voor zover in de onderhavige procedure van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] , en [de minderjarige 2] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] , tot 1 januari 2019 op € 705,- per maand per kind bepaald en vanaf 1 januari 2019 op € 678,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Voorts is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van de bestreden beschikking tot 1 januari 2019 bepaald op € 5.700,- per maand en vanaf 1 januari 2019 op € 4.902,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap is, voor zover in de onderhavige procedure van belang, de woning aan [adres] te [plaats] tegen een waarde van € 250.000,- en de aan deze woning gekoppelde hypothecaire lening bij het Restauratiefonds aan de man toebedeeld, onder vrijwaring van de vrouw ter zake haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire lening, waarbij geldt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van de overwaarde van de woning (de waarde van de woning minus de hypothecaire lening).

Voorts is de woning aan [adres 2] te [plaats 2] aan de man toebedeeld tegen een waarde van € 165.000,- onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De bij beschikking van 24 mei 2017 door de rechtbank te Den Haag tussen partijen uitgesproken echtscheiding is op 14 september 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, hierna: partneralimentatie, en met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap, de hiervoor genoemde woningen te [plaats] en [plaats 2] , de draagplicht voor de schuld aan de broer van de man en – voorwaardelijk – de inboedel van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinder- en partneralimentatie te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

- de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 februari 2018 te bepalen op € 424,- per maand per kind, althans te bepalen op een bedrag als het hof vermeent te behoren;

- primair de door de vrouw verzochte partneralimentatie af te wijzen en op nihil te bepalen omdat de vrouw niet behoeftig is;

- subsidiair de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat – rekening houdend met hetgeen de man heeft aangevoerd – de aanvullende behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de resultaten van de jusvergelijking niet overstijgt;

- te bepalen dat de partneralimentatie op grond van limitering eindigt op 1 januari 2020 (althans eindigt na een dusdanige periode als het hof vermeent te behoren), althans de partneralimentatie op 1 januari 2020 (althans na een dusdanige periode als het hof vermeent te behoren) op nihil te stellen, dan wel dat de partneralimentatie wordt afgebouwd op een wijze als het hof vermeent te behoren.

Uitsluitend in het geval het hof meent dat de inkomsten uit verhuur van de woningen te [plaats] en [plaats 2] bij het bepalen van de draagkracht van de man voor kinder- en/of partneralimentatie dienen te worden betrokken verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de toedeling van de woning aan [adres] te [plaats] en [adres 2] te [plaats 2] betreft (en de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening) en in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat die woningen verkocht dienen te worden en dat de netto verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld (onder verrekening van de aflossingen die na de peildatum zijn voldaan).

3. De vrouw verzoekt de man in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken onder a, b en c van het beroepschrift af te wijzen, en de bestreden beschikking in stand te laten voor zover het de kinder- en partneralimentatie betreft tot 1 januari 2019.

In incidenteel appel verzoekt de vrouw:

- de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vanaf 1 januari 2019 te betalen kinder- en partneralimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2019 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 705,- per maand per kind (te vermeerderen met de wettelijke indexering voor 2019), en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 5.700,- per maand (te vermeerderen met de wettelijke indexering voor 2019), althans te bepalen op een bedrag als het hof vermeent te behoren;

- de bestreden beschikking in stand te laten ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, behoudens ten aanzien van de draagplicht voor de schuld aan de broer van de man, en in zoverre opnieuw beschikkende, toe te wijzen het verzoek van de vrouw om ex artikel 1:164 BW de man te veroordelen aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 8.850,-te weten de helft van de schuld die de man is aangegaan bij zijn broer van in totaal € 17.700,-te voldoen binnen twee weken na de uitspraak in hoger beroep.

Uitsluitend indien het hof het verzoek van de vrouw zou afwijzen om ex artikel 1:164 BW de man te veroordelen aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 8.850,-, verzoekt de vrouw de bestreden beschikking in stand te laten ten aanzien van de verdeling van de inboedel van partijen met als uitgangspunt het als productie XXXII bij de brief van 4 september 2017 overgelegde voorstel van de vrouw, en opnieuw rechtdoende, aanvullend te bepalen dat het voorstel tot verdeling van de inboedel in productie XXXII door de man dient te worden aangevuld met de door hem eenzijdig aangeschafte inboedel voor de door hem bewoonde huurwoning, onder meer gefinancierd met de leningen van - de broer van de man, dan wel te bepalen dat de door hem eenzijdig aangeschafte inboedel ten huize van de man als een totaal wordt gewaardeerd op een bedrag van minimaal € 17.700,-. Kosten rechtens.

4. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidentele hoger beroep van de vrouw tegen de bestreden beschikking ongegrond en/of onbewezen te verklaren.

KINDERALIMENTATIE

5. Aangezien naast de partneralimentatie ook de kinderalimentatie tussen partijen in geschil is, heeft het hof partijen ter zitting in de gelegenheid gesteld aan te geven of de kinderalimentatie in de berekening van de partneralimentatie meegenomen moet worden dan wel of zij met betrekking tot de kinderalimentatie toepassing van de forfaitaire rekenmethode willen. Beide partijen hebben er voor gekozen om op de kinderalimentatie de forfaitaire rekenmethode toe te passen. Echter bij het vaststellen van de kinderalimentatie heeft de rechter ook de mogelijkheid om af te wijken van hetgeen partijen hebben gesteld met betrekking tot hun uitgangspunten. Het wettelijk kader van kinderalimentatie is nog altijd behoefte en draagkracht dus maatwerk.

Behoefte en ingangsdatum

6. De behoefte van de minderjarigen van € 715,- per maand per kind en de ingangsdatum van de kinderalimentatie, te weten 5 februari 2018, staan in hoger beroep als niet bestreden vast.

De draagkracht van de man in de periode van 5 februari 2018 tot 1 september 2019

7. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in de periode van 5 februari 2018 tot en met 1 september 2019 niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en zij derhalve geen bijdrage kon en kan voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Partneralimentatie is inkomen maar staat niet ter beschikking van de kinderen nu de vrouw deze partneralimentatie zelf nodig heeft voor haar levensonderhoud. De beperkte inkomsten die de vrouw heeft uit verhuur van de woning op de Antillen laat het hof verder buiten beschouwing. Het hof heeft die in redelijkheid begroot op € 1.000,- netto per maand. Het hof komt hier nog nader op terug.

8. Bij het vaststellen van het inkomen van de man neemt het hof een belastbaar inkomen van de man van € 127.807,- in aanmerking overeenkomstig de door hem overgelegde draagkrachtberekening van 18 april 2018 (productie i bij het beroepschrift). Voorts houdt het hof rekening met een Sign-on bonus van € 24.000,- uit 2017, nu vast is komen te staan dat die bonus feitelijk in 2018 aan de man is uitgekeerd. Voorts houdt het hof overeenkomstig de rechtbank rekening met inkomsten uit verhuur van de woningen in [plaats] en [plaats 2] van in totaal € 9.762,24 netto per jaar en met een belastbaar box III inkomen van € 6.638,- per jaar.

Ook rekening houdend met de door de man opgevoerde lasten is hij in staat een kinderalimentatie te voldoen van € 705,- per maand per kind.

Per 1 september 2019 ontstaat er een volstrekt nieuwe situatie met betrekking tot de verdeling van de kosten van de kinderen aangezien het hof ervan uit gaat dat de vrouw vanaf die datum volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gezien het feit dat het hof nu nog geen exact inzicht heeft in haar inkomsten kan het hof op dit moment nog niet de kosten van de kinderen tussen partijen verdelen.

9. Het hof zal derhalve de kinderalimentatie bepalen op een bedrag van € 705,- per maand per kind vanaf 5 februari 2018. Dit bedrag moet wellicht per 1 september 2019 worden aangepast. Het hof acht partijen in staat, zo nodig in samenspraak met hun respectieve advocaten, om de alimentatie in onderling overleg aan te passen.

PARTNERALIMENTATIE

Behoefte

10. De behoefte van de vrouw van € 4.300,- netto per maand staat in hoger beroep als niet bestreden vast.

Behoeftigheid

11. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte slechts een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.200,- per maand in aanmerking heeft genomen. De man meent dat de vrouw in eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw is civiel en fiscaal jurist, heeft nagenoeg gedurende het gehele huwelijk gewerkt (tot 2015). Zij heeft hoge inkomens genoten (€ 90.000,- of meer op basis van een 4-daagse werkweek). Volgens de man heeft de vrouw na het einde van haar dienstverband twee BV’s opgericht maar de man weet niet of de vrouw als onderneemster succesvol is. De vrouw stelt dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet kan werken maar heeft haar stelling niet met stukken onderbouwd. De man meent dat de vrouw tenminste een inkomen van € 116.000,- per jaar moet kunnen verdienen. Bovendien is het aandeel in de gemeenschap waartoe de vrouw gerechtigd is volgens de man van een zodanige omvang dat zij, naast besteding van de netto-kasstroom die dat vermogen genereert aan de kosten van haar levensonderhoud, zo nodig ook inteert op het vermogen zelf.

12. De vrouw stelt in incidenteel appel dat de rechtbank naast de inkomsten uit verhuur ten onrechte met ingang van 1 januari 2019 een verdiencapaciteit van € 1.200,- per maand in aanmerking heeft genomen. De vrouw stelt dat haar verdiencapaciteit beperkt is vanwege de volgende factoren: haar psychische gesteldheid, haar beperkte belastbaarheid vanwege de intensieve zorg voor de kinderen en beperking door de huwelijks gerelateerde vermindering van de arbeidscapaciteit: door tijdsverloop, beperkte beschikbaarheid en concurrentie.

13. Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft begrip voor het feit dat een echtscheidingsprocedure de verdiencapaciteit negatief kan beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat de echtscheidingsprocedure reeds vanaf 2016 aanhangig is. Gezien een periode van drie jaar mag in redelijkheid van de vrouw en de man worden verlangd dat zij de perikelen rond de echtscheiding achter zich laten, zich richten op hun eigen toekomst en zich inspannen hun verdiencapaciteit volledig te benutten. De vrouw heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is. De vrouw is hoog opgeleid, er is een ruime arbeidsmarkt voor ervaren fiscalisten, de vrouw heeft een ruim arbeidsverleden, de zorg voor de kinderen is, gezien hun leeftijd, zeer beperkt en de vrouw toont geen enkel initiatief om inkomen te verwerven. Aangezien de vrouw in het verleden inkomens van € 90.000,- of meer heeft genoten op basis van een vierdaagse werkweek, acht het hof de vrouw in staat om met ingang van 1 september 2019 tenminste een inkomen van € 90.000,- te verdienen, met welk inkomen de vrouw naar het oordeel van het hof in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw zich al eerder actief op de arbeidsmarkt had dienen te richten, nu zij dit niet heeft gedaan acht het hof deze handelswijze van de vrouw verwijtbaar mede bezien haar opleiding en ruime arbeidsverleden. Het hof gunt de vrouw nog enige tijd om een passende functie te vinden, het is dan aan de vrouw om te stellen en te bewijzen dat ondanks haar inspanning zij niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw dan ook uit haar inkomsten een bijdrage levert in de kosten van de kinderen van partijen.

14. Naar oordeel van het hof heeft de man onvoldoende feiten gesteld en bewezen dat de alimentatie moet worden gelimiteerd. Op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad gelden daarvoor zware maatstaven.

Draagkracht van de man vanaf 5 februari 2018 tot 1 juli 2018

15. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de cijfers zoals vermeld onder rechtsoverweging 7, met dien verstande dat het hof tot 1 juli 2018 voorts rekening houdt met de helft van de (fiscale) woonlasten van de echtelijke woning, te weten een aftrekbare rente van € 1.645,- per maand en een eigenwoningforfait van € 6.503,- gebaseerd op een WOZ waarde van € 929.000,-. Het hof neemt naast de lasten van de echtelijke woning (rente op een hypothecaire geldlening van € 1.645,- per maand en € 48,- forfait overige eigenaarslasten, de volgende, niet betwiste maandlasten van de man in aanmerking: € 992,- bijstandsnorm voor een alleenstaande, € 1.075,- kale huur, € 140,- nominale premie Zorgverzekeringswet en € 32,- aanvullende premie ziektekostenverzekering. Voorts houdt het hof rekening met de kinderalimentatie van € 705,- per maand per kind.

16. Uit dit alles volgt dat de man in dit tijdvak een partneralimentatie van € 3.546,- per maand kan voldoen.

Draagkracht 1 juli 2018 – 1 september 2019

17. Bij de draagkrachtberekeningen hebben de advocaten van partijen er geen rekening mee gehouden dat hypotheek schuld per 1 juli 2018 is verschoven van box 1 naar box 3 Wet Inkomstenbelasting 2001. Vanaf die datum houdt het hof rekening met de echtelijke woning en de lasten in box 3. Voor het overige gaat het hof uit van de hiervoor gegeven gegevens.

18. Hieruit volgt dat de man in de periode van 1 juli 2018 tot 1 september 2019 een partneralimentatie van € 1.675,- per maand kan voldoen.

VERDELING HUWELIJKSGEMEENSCHAP

Woningen Delft en [plaats 2]

19. In zijn beroepschrift heeft de man een voorwaardelijke grief gericht met betrekking tot de toedeling aan hem van de woningen in [plaats] en [plaats 2] . De man was er van uit gegaan dat bij de toedeling van die woningen aan hem in onverhuurde staat de inkomsten uit verhuur niet in de berekening van zijn draagkracht zouden worden betrokken. Nu de rechtbank wel inkomsten uit verhuur bij de draagkracht van de man heeft betrokken wenst hij alsnog niet de toedeling van die woningen maar wil hij dat ze worden verkocht en dat de netto opbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, onder verrekening van de aflossingen die na de peildatum zijn voldaan.

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

20. Voor het hof staat vast dat partijen bij de rechtbank zijn overeengekomen dat de woningen te [plaats] en [plaats 2] aan de man toebedeeld zouden worden en de woning te [land] aan de vrouw. Nu partijen in zoverre een overeenkomst van verdeling blijken te hebben gesloten en de rechtbank overeenkomstig die overeenkomst heeft verdeeld, heeft het hof blijkens de tekst van artikel 3:185 BW geen rechtsmacht meer om de verdeling van die woningen vast te stellen danwel de wijze van verdeling daarvan te gelasten. Partijen zijn immers een contractuele verdeling aangegaan. Indien de man blijft volharden in zijn stelling dat hij de woningen niet meer wil moet hij bij dagvaarding ontbinding van de overeenkomst vorderen.

Schuld aan broer van de man

21. In incidenteel appel verzet de vrouw zich tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen de schuld aan de broer van de man (van in totaal € 17.700,-) bij helfte dienen te dragen. De vrouw stelt dat de man die schuld lichtvaardig is aangegaan en gehouden is de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Op grond van het bepaalde in artikel 1:164 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, verzoekt de vrouw de man te veroordelen de helft van de schuld, te weten € 8.850,-, aan haar te vergoeden.

Indien het hof van oordeel is dat de grief van de vrouw niet kan slagen dan verzoekt de vrouw de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de inboedel in stand te laten en aanvullend te bepalen dat de verdeling van de inboedel dient te worden aangevuld met de door de man eenzijdig aangeschafte inboedel voor zijn woning, onder meer gefinancierd met de leningen van zijn broer, danwel te bepalen dat de door hem eenzijdig aangeschafte inboedel ten huize van de man als een totaal wordt gewaardeerd op een bedrag van minimaal € 17.700,-.

22. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

23. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij de geldlening van zijn broer niet onnodig is aangegaan, alsmede dat de schuld een gemeenschapsschuld is. Dit brengt met zich dat partijen die schuld bij helfte dienen te dragen.

24. Mede gelet op het geleende bedrag van in totaal € 17.700,- en de afschrijving op de aangeschafte inboedel acht het hof het redelijk, overeenkomstig de stelling van de man, om uit te gaan van een waarde van € 11.000,-. Dit brengt met zich dat de man derhalve de helft van die waarde, zijnde € 5.500,-, aan de vrouw dient te voldoen.

25. Bij brief van 9 oktober 2018 heeft de vrouw haar grieven in incidenteel appel aangepast. Het hof is echter van oordeel dat de aangepaste grieven tardief zijn, nu deze volledig opgenomen hadden moeten zijn in het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel. Om die reden houdt het hof geen rekening met de aangepaste grieven van de vrouw in incidenteel appel. De bijlagen bij voormelde brief heeft het hof in zijn beoordeling betrokken.

Terug betalen alimentatie

26. Het hof veronderstelt partijen in onderling overleg in staat om, zo nodig in samenspraak met hun respectieve advocaten, een redelijke en billijke terugbetalingsregeling overeen te komen.

PROCESKOSTEN

27. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

28. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen, de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en voor zover het met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap de inboedel betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen met ingang van 5 februari 2018 op € 705,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in de periode van 5 februari 2018 tot 1 juli 2018 op € 3.546,- per maand, in de periode van 1 juli 2018 tot 1 september 2019 op € 1.675,- per maand en met ingang van 1 september 2019 op nihil;

stelt de waarde van de in de verdeling betrokken inboedel op € 11.000,- en veroordeelt de man uit hoofde van overbedeling tot betaling aan de vrouw van de helft, zijnde € 5.500,-;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover is bepaald dat partijen ten aanzien van de schuld aan de broer van de man ieder voor de helft draagplichtig zijn;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2019.