Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:529

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
BK-18/00951
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10482, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan [belanghebbende] zijn opgelegd. Daarnaast is in geschil of een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.[Belanghebbende] beroept zich subsidiair op de vrijstelling voor voertuigen waarmee slechts over een geringe afstand gebruik van de weg wordt gemaakt, zoals vermeld in artikel 72, eerste lid, onder l, van de op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-03-2019
FutD 2019-0769
V-N Vandaag 2019/631
V-N 2019/24.1.5
NTFR 2019/1235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00951

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 maart 2019

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 2 augustus 2018, nr. SGR 17/6594.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen

1. Belanghebbende is van 5 december 2015 tot en met 5 maart 2017 houder van de personenauto met het kenteken […] . Zij heeft de verschuldigde motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak van 22 november 2016 tot en met 21 februari 2017 niet betaald. De Inspecteur heeft haar een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting van € 179 opgelegd en bij beschikking een verzuimboete van € 52, uitgaande van een tweede verzuim. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boeteschikking gehandhaafd.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Heffing van griffierecht is achterwege gebleven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Heffing van griffierecht is achterwege gebleven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 1 maart 2019. De Inspecteur is verschenen. Van de kant van belanghebbende is niemand verschenen.

5.1.

Bij brief van 19 februari 2019 heeft het Hof belanghebbende meegedeeld dat het in het faxbericht van 15 februari 2019, waarin zij verzoekt om uitstel van de zitting van vrijdag 1 maart 2019, onvoldoende reden ziet de mondelinge behandeling van de zaak op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden en dat derhalve geen uitstel wordt verleend. Ook overigens heeft het Hof in de vele, grotendeels niet relevante, niet serieus te nemen en tamelijk onbegrijpelijke, geschriften van belanghebbende en de diverse, in feite - ook vanwege het Engels dat belanghebbende bezigt - slechts verwarring veroorzakende, telefonische contacten van belanghebbende met medewerkers van de griffie geen reden gezien de mondelinge behandeling van deze zaak en de op dezelfde rol staande zaak BK-18/00950 op een andere datum te zetten.

5.2.

Belanghebbende, die - zoals was te verwachten - op 1 maart 2019 niet op de zitting is verschenen, heeft die dag even na 10.00 uur (de zaak BK-18/00950 staat op 10.15 uur en deze zaak op 10.45 uur) voor deze en de op dezelfde rol staande zaak BK-18/00950 een stuk met het onderwerp "(BRIEF) PLEITNOTITIES DRAFT" aan het Hof gefaxt, vergezeld van een brief met de tekst:

"VERY URGENT BK SGR18/00950, BK SGR18/00951

In a view of the situation with the decision on my postponement request I have no choice but to start a wraking procedure. On 18 February it was confirmed to me by the Court staff that my applicaition was not considered by the judge and that it was dismissed by the court clerk. After I submitted a complaint, it appeared that the record in the Court system was changed and as per 27 february 2019 it stated that the decision was taken by the judge. I was first told that it was one of the judges assigned to the case, and than that it was a presiding judge Mr. Tromp. I did my best to clarify if the record was change by the administrative staff or indeed one of the judges land the name to cover the violation of the court’s rules. Unfortunately, I did not get a response. You would appreciate that in the event one of the judges indeed land their name to carry on with the hearing with the pre-determined outcome in favour of the opposition, this casts doubts if he or she is fit to hear the case and undermines the integrity of the procedure. I the4refore have no choice than to start the wraking procedure against the panel. I apologize wholeheartedly if the judges assigned to the were not involved and the record was changes by the administrative staff, however after I submitted the complaint I was repeatedly told that it was a juridical decision and I received no reply to my direct query."

5.3.

Het Hof leidt uit de brief af dat belanghebbende de gang van zaken rond de afwijzing door het Hof van het door haar verzochte uitstel wederom aan de orde stelt. Zij verkeert kennelijk nog steeds in onzekerheid omtrent de kwaliteit van de persoon die de afwijzende beslissing heeft genomen en trekt conclusies uit de afhandeling van een door haar eerder bij het Hof ingediende klacht dat het een beslissing is geweest van een van de rechters in de zetel. Als dat het geval is en de zitting vindt doorgang, wordt haar geen andere keuze gelaten dan een wrakingsprocedure op te starten.

5.4.

Naar het oordeel van het Hof betreft de brief enkel een algemene voorwaardelijke aankondiging van een voornemen dat belanghebbende tot actie zal overgaan, zonder dat kan worden gezegd dat aan de door belanghebbende zelf geformuleerde voorwaarde is voldaan.

5.5.

Het Hof heeft besloten de zitting te laten doorgaan, nog afgezien dat de grieven van belanghebbende zich kennelijk alleen richten op de beslissing geen uitstel te verlenen. Opmerking verdient dat het geheel van door belanghebbende gedane uitlatingen de indruk vestigt dat zij niet voornemens is op welke zitting dan ook te verschijnen, ook in aanmerking nemend dat de Inspecteur op de zitting verklaarde alles in het werk te hebben gesteld haar in deze en andere soortgelijke zaken te horen en dat niet voor elkaar heeft gekregen.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan [belanghebbende] zijn opgelegd. Daarnaast is in geschil of een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

5. [ Belanghebbende] stelt primair dat de naheffingsaanslag en verzuimboete ten onrechte zijn opgelegd. [Belanghebbende] beroept zich subsidiair op de vrijstelling voor voertuigen waarmee slechts over een geringe afstand gebruik van de weg wordt gemaakt, zoals vermeld in artikel 72, eerste lid, onder l, van de op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB). Ten slotte stelt [belanghebbende] dat [de Inspecteur] een dwangsom is verschuldigd nu niet tijdig op het bezwaar is beslist.

6. [ De Inspecteur] stelt dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Daarnaast is geen dwangsom verschuldigd omdat de ingebrekestelling is ontvangen nadat reeds op het bezwaar was beslist.

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank stelt voorop dat het beroep louter ziet op de uitspraak op bezwaar voor zover gericht tegen de naheffingsaanslag met nummer (2339.15.862.Y.6.2 ) over het tijdvak 22 november 2016 tot en met 21 februari 2017 gelet op de inhoud van de brief van [belanghebbende] van 26 augustus 2017 en de mededeling aan [belanghebbende] van [de Inspecteur] van 19 september 2017.

8. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB wordt onder de naam 'motorrijtuigenbelasting' een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto. Volgens artikel 6 van de Wet MRB wordt de belasting voor een personenauto geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.

9. Op grond van artikel 15 van de Wet MRB, en in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), moet de verschuldigde motorrijtuigenbelasting zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. [Belanghebbende] is verantwoordelijk voor een tijdige betaling van de belasting en dient de verschuldigde belasting uit eigen beweging te voldoen. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 14 van de Wet MRB waarin is bepaald dat de motorrijtuigenbelasting op aangifte dient te worden voldaan. Als service zendt de Belastingdienst nog wel een rekening en een acceptgirokaart. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste betaaldatum. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. De rekening vormt slechts een mededeling aan [belanghebbende] van de omvang van de verschuldigde belasting volgens de door [belanghebbende] gedane aangifte.

10. Het doen van aangifte bestaat, voor zover hier van belang, uit de aanvraag om afgifte van het kentekenbewijs, welke aangifte geldt zolang het motorrijtuig niet van eigenaar wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden. De hiervoor vermelde heffingswijze brengt mee dat [belanghebbende] zelf verantwoordelijk blijft voor de tijdige voldoening van de op aangifte verschuldigde belasting, ook indien zij geen rekening ontvangt.

11. Vast staat dat [belanghebbende] in de in geschil zijnde periode volgens het kentekenregister houdster was van het voertuig en dat [belanghebbende] de belasting niet tijdig heeft voldaan. [De Inspecteur] mocht daarom op grond van artikel 20 van de Awr de belasting naheffen. De omstandigheid dat [belanghebbende] het voertuig niet eerder in het kentekenregister kon overschrijven doet hier niet aan af. In het bijzonder niet nu [belanghebbende] de mogelijkheid had om het voertuig te schorsen. Voor zover [belanghebbende] een beroep doet op artikel 72, eerste lid onder l, van de Wet MRB overweegt de rechtbank dat deze vrijstelling alleen van toepassing is wanneer aan de daaraan verbonden voorwaarden wordt voldaan, zoals vermeld in artikel 21 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] aan deze voorwaarden voldoet.

12. [ De Inspecteur] heeft de verzuimboete gebaseerd op artikel 67c, eerste lid, van de Awr. Hierin is bepaald dat indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan [de Inspecteur] een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

13. In paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is, voor zover hier van belang, bepaald dat deze verzuimboete één procent bedraagt van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest (alsdan wordt geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden).

14. [ De Inspecteur] is bij het opleggen van de verzuimboete uitgegaan van een tweede verzuim binnen een periode van één jaar, omdat [belanghebbende] reeds eerder de aanslag motorrijtuigenbelasting te laat heeft betaald en zij daarvoor een verzuimmededeling heeft ontvangen. Gelet hierop acht de rechtbank het opleggen van de boete geboden. [De Inspecteur] heeft de [] boete met inachtneming van paragraaf 33, tweede lid, van het BBBB vastgesteld op € 52, hetgeen de rechtbank ook passend acht.

Dwangsom

15. [ Belanghebbende] meent dat [de Inspecteur] een dwangsom is verbeurd omdat [de Inspecteur] niet tijdig op het bezwaar heeft beslist.

16. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen de naheffingsaanslag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. De rechtbank zal dan de afwijzing van de dwangsom in deze beroepsprocedure behandelen.

17. Artikel 4:17, derde lid van de Awb bepaalt dat een dwangsom verschuldigd wordt vanaf de eerste dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van uitspraak is verstreken en [de Inspecteur] van de belastingplichtige een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

18. [ De Inspecteur] heeft het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat niet is gebleken dat [belanghebbende] [de Inspecteur] eerder in gebreke heeft gesteld dan 7 september 2017. Nu met de uitspraak op bezwaar op 14 augustus 2017 op het bezwaar is beslist en [de Inspecteur] daarvoor niet in gebreke is gesteld is geen dwangsom verschuldigd. Op [belanghebbende] rust de bewijslast voor de verzending van een eerdere ingebrekestelling dan 7 september 2017. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] een eerdere verzending van de ingebrekestelling niet aannemelijk heeft gemaakt. [De Inspecteur] heeft daarom terecht geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

7. In hoger beroep zijn, zo begrijpt het Hof, dezelfde geschilpunten aan de orde als bij de Rechtbank.

8. De beschikbare gegevens brengen naar 's Hofs oordeel mee dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk op alle onderdelen van het geschil aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbende heeft met al wat zij in beroep en hoger beroep heeft gesteld, zo al relevant, serieus te nemen en begrijpelijk, geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, die een andere conclusie rechtvaardigen. Belanghebbende heeft ook overigens niets aangevoerd waaruit een formeel of inhoudelijk beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank of het handhaven van de uitspraak van de Inspecteur.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, en uitgesproken. De beslissing is op 1 maart 2019 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier M.C.M. Boutier-Warmenhoven.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het Gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.