Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:527

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
200.231.484/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende gelegenheid tot contra-enquête voor werknemer bij kantonrechter. Na horen van getuigen in hoger beroep volgt bekrachtiging van de beschikking waarin vordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet wegens bedreiging werd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.231.484/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 6302598 \ EJ VERZ 17-87437

beschikking van 19 februari 2019

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. R.L. de la Parra te Katwijk,

tegen

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna te noemen: [verweerster],

advocaat: mr. J.R. Tijssen te Leiden.

Het geding

Bij beroepschrift met producties, ter griffie ingekomen op 10 januari 2018 is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag team kanton, locatie Leiden (hierna: de kantonrechter) van 22 november 2017. [verweerster] heeft een verweerschrift met producties ingediend dat op 22 maart 2018 is ontvangen ter griffie van het hof. Op 30 maart 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen aan de hand van door de advocaten overgelegde pleitaantekeningen de zaak hebben doen bepleiten. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens hebben verhoren plaatsgevonden van de getuigen [verzoeker], [vriendin verzoeker] ([vriendin verzoeker]), [moeder verzoeker] (moeder [verzoeker]) en [naam 1] ([naam 1]) op 6 juni 2018 en van [X] ([X]), [naam 2], [de bedrijfsleider] ([de bedrijfsleider]) en [de directeur] ([de directeur]) op 11 september 2018. Zijdens [verzoeker] zijn nog de producties 10 tot en met 13 ingediend en zijdens [verweerster] een productie 4. Ten slotte hebben partijen elk nog een conclusie na enquête genomen. Daarna is een datum voor de beschikking bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep


1. De kantonrechter heeft in zijn beschikking onder a tot en met h een aantal feiten vastgesteld. Partijen hebben deze feiten niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming hiervan en van hetgeen partijen verder nog over en weer onbestreden naar voren hebben gebracht, kan in deze zaak worden uitgegaan van het volgende:

1.1

In de door [verweerster] geëxploiteerde garage worden auto’s gerepareerd.

1.2

[verzoeker] was sinds 1989 in dienst van [verweerster] als monteur en zijn laatst ontvangen salaris bedraagt € 2.322,11 exclusief 8% vakantiegeld en emolumenten.

1.3

Nadat [verzoeker] zijn kuitspier had gescheurd werd hij met ingang van 3 februari 2017 volledig arbeidsongeschikt verklaard. Vanaf juni 2017 is [verzoeker] op arbeidstherapeutische basis voor halve dagen gaan werken. Na een terugval heeft de bedrijfsarts op 29 juni 2017 als advies gegeven (kort samengevat) dat [verzoeker] zich diende te beperken tot kleine, snelle klussen in de werkplaats en geen intensieve klussen, waarbij veel moet worden getild en lang of moet worden gestaan of in een nare houding moet worden gewerkt, uit mocht voeren.

1.4

Op vrijdag 21 juli 2017 heeft zich in de werkplaats een incident voorgedaan tussen [verzoeker] en zijn collega [X] (hierna: [X]). De directeur van [verweerster], [de directeur] was toen met vakantie, maar bedrijfsleider [de bedrijfsleider] (hierna: [de bedrijfsleider]) was op dat moment wel op het werk aanwezig.

1.5

Na zijn vakantie is [de directeur] op dinsdag 25 juli 2017 weer teruggekomen op het werk en heeft hij op deze dag [X] en [de bedrijfsleider] gehoord over het op 21 juli 2017 voorgevallen incident. Op 26 juli 2017 heeft hij [verzoeker] hierover gehoord. Vervolgens heeft [de directeur] in de avond van 26 juli 2017 telefonisch aan [verzoeker] bericht dat hij op staande voet werd ontslagen. Bij brief van 26 juni 2017 (het hof leest: 26 juli 2017) is dit ontslag op staande voet aan [verzoeker] bevestigd. Deze ontslagbrief luidt onder meer als volgt: “Middels deze brief bevestig ik dat ik je op woensdag 26 juli 2017 om 21.30 uur telefonisch op staande voet heb ontslagen.

Op vrijdag 21 juli 2017 heb je jegens je collega-monteur [X] in de werkplaats zowel verbaal als fysiek geweld gebruikt. Je hebt [X] met de dood bedreigd, je hebt hem op grove wijze beledigd en je dreigde hem met je vuisten en zelfs met een schroevendraaier letsel toe te brengen. Je hebt naar [X] geschreeuwd dat je hem dood zou slaan en onder meer gezegd dat hij “nu echt zijn kankersmoel” moest houden. De aanhoudende bedreigingen waren dermate heftig dat het ernaar uitzag dat je daadwerkelijk naar hem zou uithalen.

Deze handelingen en bedreigingen gaan alle perken te buiten en wel zodanig dat deze een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Daarbij komt dat ik als werkgever verantwoordelijk ben voor de bescherming en veiligheid van je collega’s. Je hebt het gevoel van veiligheid van je collega’s ernstig aangetast.

(…)”

1.6

[verweerster] heeft [verzoeker] tot en met 26 juli 2017 doorbetaald.

1.7

Op 26 juli 2017 heeft [X] bij de politie aangifte gedaan van poging tot zware mishandeling door [verzoeker] op 21 juli 2017.

1.8

Bij brief van 15 augustus 2017 van de gemachtigde van [verzoeker] is aan [verweerster] bericht dat [verzoeker] niet berust in het verleende ontslag op staande voet, dat [verzoeker] zich beschikbaar houdt voor passende arbeid en dat [verweerster] zijn loon dient door te betalen.

De procedure in eerste aanleg en hoger beroep

2.1

In eerst aanleg heeft [verzoeker], kort samengevat, de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerster] te veroordelen hem weer toe te laten tot het werk en tot betaling van het salaris c.a. vanaf 26 juli 2017, met wettelijke rente, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Bij wege van voorlopige voorziening heeft [verzoeker] eveneens om doorbetaling van het salaris gevraagd vanaf 26 juli 2017, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en afgifte van daarbij horende salarisspecificaties.

2.2

Na tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek twee door [verweerster] meegebrachte getuigen ([X] en [de bedrijfsleider]) te hebben gehoord, heeft de kantonrechter in zijn bestreden beschikking van 22 november 2017 de vorderingen in de bodemzaak en de voor de duur van het geding verzochte voorzieningen afgewezen en [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten.

2.3

In hoger beroep verzoekt [verzoeker] het hof, samengevat, primair [verweerster] te gelasten de arbeidsovereenkomst vanaf 26 juli 2017 te herstellen en haar daarnaast te veroordelen tot doorbetaling van het salaris c.a vanaf die datum, tot betaling van 50% wettelijke verhoging over de achterstallige salarisbetalingen, tot afgifte van bijbehorende salarisspecificaties en tot hervatting van de re-integratieactiviteiten, op straffe van een dwangsom. Subsidiair verzoekt [verzoeker], in plaats van herstel, om toekenning van een billijke vergoeding van € 866.613,75 (gelijk aan het aan [verzoeker] verschuldigde loon tot de datum van pensioen). Primair en subsidiair verzoekt [verzoeker] om het verstrekken van de (schriftelijke) arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom, wettelijke rente over de verzochte bedragen, betaling van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsmede de nakosten en kosten van betekening, vermeerderd met - indien verschuldigd - btw.

2.4

[verweerster] heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

Beoordeling van het verzoek in hoger beroep

3.1

In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] vijf gronden voor beroep aangevoerd. De eerste twee beroepsgronden richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat, kort samengevat, op grond van de verklaringen van [X] en [de bedrijfsleider] en de eigen toelichting van [verzoeker] is komen vast te staan dat [verzoeker] [X] tijdens het incident van 21 juli 2017 op ontoelaatbare wijze heeft bedreigd en dat dit gedrag een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, en tegen de overweging dat [verzoeker] zich van zijn ontoelaatbare gedrag had moeten onthouden en zich, zo nodig, tot de bedrijfsleider [de bedrijfsleider] had kunnen wenden teneinde te vernemen hoe te handelen. De derde beroepsgrond bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet tijdig is gegeven. De vierde beroepsgrond betoogt dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door [X] en [de bedrijfsleider] ter zitting als getuigen te horen, zonder [verzoeker], die hierdoor was overrompeld, hierna in de gelegenheid te stellen tot het leveren van tegenbewijs. Tenslotte betoogt de vijfde en laatste beroepsgrond dat de kantonrechter er - ten onrechte - geen blijk van heeft gegeven acht te hebben geslagen op de inhoud van de in eerste aanleg zijdens [verzoeker] overgelegde pleitnoties.

Beroepsgrond 4 en 5 (getuigen en pleitnotities)

3.2

[verzoeker] is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld (alsnog) de door hem voorgedragen getuigen te horen. Gelet ook op de herstelfunctie van het hoger beroep betekent dit dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij bespreking van de vierde beroepsgrond. Dat geldt eveneens voor de in de vijfde beroepsgrond geformuleerde klacht dat de kantonrechter geen acht zou hebben geslagen op de pleitnotities die als productie 7 aan het beroepschrift zijn gehecht. Deze maken deel uit van de processtukken in hoger beroep en de inhoud daarvan zal door het hof ook worden betrokken bij zijn verdere beoordeling.

Beroepsgrond 3 (tijdigheid van het ontslag op staande voet)

3.3

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het ontslag niet tijdig is verleend aangevoerd dat er geen sprake is geweest van onderzoek door [verweerster] naar het incident op 21 juli 2017 en dat het volstrekt ongeloofwaardig is dat een werkgever, ook al is hij op vakantie, eerst vier dagen later hoort van een steekincident op het werk.

3.4

Het hof stelt voorop dat het vereiste van onverwijlde opzegging zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW betekent dat, mits met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld, er gelegenheid is voor het instellen van een onderzoek, het (daartoe) horen van betrokkenen, intern overleg en het inwinnen van juridisch advies. Ook mag worden gewacht op de tot ontslag bevoegde persoon.

3.5

Blijkens de verklaringen die [de bedrijfsleider] en [de directeur] als getuigen ter gelegenheid van het getuigenverhoor hebben afgelegd, heeft [de bedrijfsleider] [de directeur] op maandag (24 juli 2017) over het incident ingelicht. Blijkens de door [de directeur] afgelegde getuigenverklaring was hij op dinsdag 25 juli 2017 weer op het werk en heeft hij met [de bedrijfsleider] gesproken en ook met [X] nadat [verzoeker], die halve dagen werkte, al naar huis was. Vervolgens heeft [de directeur] op 26 juli 2017 met [verzoeker] gesproken. [de directeur] heeft die middag, toen [X] terug kwam van het doen van aangifte, het proces-verbaal van aangifte van [X] gelezen. Hij heeft telefonisch ruggenspraak gehad met zijn broer, […] die nog met vakantie was, en hij heeft ’s avonds [verzoeker] gebeld, met hem gesproken en hem het ontslag op staande voet aangezegd. [verzoeker] heeft deze feitelijke gang van zaken die er op neerkomt dat op 25 en 26 juli 2017 alle betrokkenen zijn gehoord en de aangifte is bestudeerd voordat op 26 juli 2017 in de avond tot ontslag op staande voet is overgegaan, niet voldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stelling dat het ongeloofwaardig is dat een werkgever eerst vier dagen later hoort van een steekincident op het werk, is daartoe onvoldoende. [de directeur] was immers met vakantie en zonder het horen van de betrokkenen stond de ernst van het incident nog niet vast. Het hof is dan ook van oordeel dat [verweerster], na het incident op vrijdag 21 juli 2017 en na terugkeer van [de directeur] op 25 juli 2017 als de tot ontslag bevoegde persoon, met voldoende voortvarendheid heeft gehandeld. De opzegging op woensdag 26 juli 2017 heeft niet in strijd met het vereiste van onverwijlde opzegging plaatsgevonden. De derde beroepsgrond faalt dan ook.

Beroepsgrond 1 en 2

3.6

Het hof stelt bij de beoordeling van deze beroepsgronden voorop dat op grond van artikel 7:678 lid 1 BW als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is (HR 12 februari 1999, NJ 1999/643). De bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) van de dringende reden rust op degene die de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden heeft beëindigd, in dit geval derhalve op [verweerster] (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290).

3.7

Het hof zal eerst beoordelen of [verzoeker] [verweerster] een dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet zoals genoemd in de brief van 26 juli 2017 aan [verzoeker] (zie hiervoor onder 1.5). Deze brief fixeert de ontslagreden, zodat hetgeen [verweerster] nadien nog aan nadere argumenten en verwijten naar voren heeft gebracht, verder buiten beschouwing blijft.

3.8

Tussen partijen is niet in geschil dat er op 21 juli 2017 in de werkplaats een ruzie tussen [verzoeker] en zijn collega [X] heeft plaatsgevonden die is ontstaan na onenigheid over de medewerking die [verzoeker] van [X] vroeg in verband met het ophangen van een uitlaat onder een auto. [X] heeft hierover in hoger beroep – in aanvulling op zijn bij de kantonrechter afgelegde verklaring – als getuige verklaard dat [verzoeker] dreigend met een gebalde vuist tegenover hem stond en zei dat hij hem voor zijn bek zou slaan. [X] heeft hem van zich afgeduwd. [verzoeker] kwam daarbij tegen de gereedschapskist van [X] aan. Een gereedschapskist ziet er uit als een rijdende werkbank en is ongeveer 90 cm hoog. [verzoeker] pakte vervolgens een schroevendraaier van de gereedschapskist, draaide naar [X] toe en haalde één keer naar [X] uit, ongeveer op de zelfde hoogte als waar hij de schroevendraaier vandaan had gepakt. [verzoeker] maakte daarbij een voorwaartse steekbeweging naar de zij van [X]. [X] zette een stap opzij en werd niet geraakt. Hij heeft [verzoeker] toen weer een duw gegeven, zodat hij kon wegkomen. Hij sprong over een stapel banden heen en toen riep [verzoeker]: “Nu heb je geluk. De volgende keer steek ik je echt dood”. Toen stak [verzoeker] de schroevendraaier in het werkblad van de gereedschapskist. [de bedrijfsleider] kwam er daarna ook bij. Die was in de buurt geweest. Nadat [verzoeker] door [de bedrijfsleider] naar huis was gestuurd heeft [X] aan [de bedrijfsleider] verteld over het steken met de schroevendraaier naar [X] en het steken van de schroevendraaier in het werkblad. Ook heeft [X] een foto gemaakt van de schroevendraaier in het massief houten werkblad die ongeveer een halve centimeter diep zat. [X] heeft de politie gebeld en die heeft gezegd dat hij pas op woensdag aangifte kon komen doen, aldus nog steeds [X] in zijn verklaring.

3.9

Getuige [de bedrijfsleider], die als receptionist/bedrijfsleider bij [verweerster] werkt, heeft in hoger beroep – in aanvulling op zijn verklaring bij de kantonrechter – als getuige als volgt verklaard. Hij hoorde geschreeuw uit de werkplaats komen. Aan het geluidsniveau kon hij horen dat het heftig was. Er werd naar elkaar geschreeuwd. Hij heeft geprobeerd erover heen te schreeuwen maar dat gaf geen resultaat. Hij is toen even weggelopen. Daarna heeft hij nog een poging gedaan om [X] en [verzoeker] te kalmeren maar het lukte hem niet de boel te sussen en hij is teruggelopen naar zijn werkplek. Zowel [X] als [verzoeker] hebben gescholden. Hij heeft gehoord dat [verzoeker] tijdens het schreeuwen riep: “Ik dood jou”. Omdat het hem niet lukte de boel te sussen, is hij weer teruggelopen naar zijn werkplek. Kort daarop kwam [verzoeker] aangelopen. Het was 11:00 uur geweest en [verzoeker] zou tot 12:00 uur werken. [de bedrijfsleider] heeft tegen [verzoeker] gezegd dat het hem beter leek dat hij naar huis zou gaan. Daarna heeft [X] hem zijn verhaal gedaan met onder andere de melding van een schroevendraaier en dat de schroevendraaier in het werkblad van een werkbank was geramd. Hij heeft ook gezien dat de schroevendraaier precies in de werkbank paste. Dat krijg je niet zomaar voor elkaar volgens [de bedrijfsleider]. Hij heeft [verzoeker] op maandag gevraagd of hij de schroevendraaier in het werkblad had gestoken en dat werd door [verzoeker] beaamd. [de bedrijfsleider] weet heel zeker dat [verzoeker] “ja” antwoordde toen [de bedrijfsleider] hem vroeg of hij de schroevendraaier in het blad had gestoken. [verzoeker] had op de 21e juli 2016 goede wil om de auto af te krijgen, maar dat was niet nodig. Zij hielden rekening met de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker], maar hij moest zelf aangeven wat er niet lukte. [de bedrijfsleider] blijft bij zijn eerdere, bij de kantonrechter afgelegde verklaring dat [verzoeker] een dreigende houding aannam tegen [X] en dat hij stond te schreeuwen. Hij merkte aan de manier van praten van [X], na het incident, dat hij geschokt was. Als [X] snel begint te praten is hij uit zijn gewone doen. [X] vertelde eerst over het schelden naar elkaar toe en toen over de doodsverwensing en het steekincident. [X] heeft verteld dat de schroevendraaier rakelings langs zijn gezicht ging.

3.10

[de directeur] heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat hij woensdag 26 juli 2017 rond 12:00 uur met [verzoeker] heeft gesproken. In dat gesprek werd het voorval door [verzoeker] gebagatelliseerd. [verzoeker] zei dat ze ruzie hadden gehad en dat er was gescholden. Aan het eind van de woensdagmiddag, toen [X] terug was gekomen van het politiebureau, heeft [de directeur] het proces-verbaal van aangifte gelezen en werd hem de zwaarte van het incident pas goed duidelijk. Na een gesprek met [X] en [de bedrijfsleider] en na telefonische ruggenspraak met zijn broer heeft hij [verzoeker] gebeld en de kwestie van de schroevendraaier ter sprake gebracht. [de directeur] heeft in het telefoongesprek gezegd dat [verzoeker] [X] bedreigd had met de schroevendraaier en een stekende of zwaaiende beweging had gemaakt. [verzoeker] onderbrak hem en zei daarop letterlijk “Maar ik heb hem niet geraakt”. [de directeur] is er 100% zeker van dat die uitspraak betrekking had op het ter hand nemen van de schroevendraaier. [de directeur] heeft [verzoeker] toen op staande voet ontslagen.

3.11

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangedragen bewijs in voldoende mate dat [verzoeker] [X] op 21 juli 2017 mondeling met de dood heeft bedreigd. Dit verklaren zowel [X] (“de volgende keer steek ik je dood”) als [de bedrijfsleider] (“ik dood jou”).

3.12

Ook blijkt uit de afgelegde getuigenverklaringen in voldoende mate dat [verzoeker] [X] zowel met zijn vuist als met een schroevendraaier heeft gedreigd met het toebrengen van letsel. Ten aanzien van het aan het ontslag ten grondslag gelegde dreigen met de vuist overweegt het hof dat hetgeen [X] daarover (bij herhaling) heeft verklaard, voldoende steun vindt in hetgeen [verzoeker] in hoger beroep zelf als getuige heeft verklaard, namelijk dat hij zich breed heeft gemaakt, dat hij [X] heeft geduwd en dat hij allerlei armbewegingen heeft gemaakt. Ten aanzien van het dreigen met een schroevendraaier geldt dat op grond van de verklaringen van [X], [de bedrijfsleider] en [de directeur] in elk geval bewezen wordt geacht dat [verzoeker] tijdens het incident een schroevendraaier in zijn hand heeft genomen en dat hij deze schroevendraaier in het werkblad van een gereedschapskist heeft gestoken. De verklaring van [X] vindt op deze punten immers steun in de verklaring van [de bedrijfsleider], die niet alleen heeft verklaard dat hij, nadat [X] meteen na het incident zijn verhaal bij hem had gedaan, met eigen ogen heeft gezien dat er inderdaad een schroevendraaier in het werkblad van een gereedschapskist was gestoken, maar ook dat [verzoeker] hem de maandag na het incident desgevraagd heeft bevestigd dat hij dat had gedaan. Uit de verklaring van [de directeur] komt naar voren dat, toen [de directeur] hem voorhield dat [verzoeker] [X] bedreigd had met de schroevendraaier en een stekende of zwaaiende beweging had gemaakt, [verzoeker] hem onderbrak en zei “Maar ik heb hem niet geraakt”. [verzoeker] heeft toen niet ontkend dat hij een schroevendraaier had gepakt, maar gaf alleen aan [X] daarmee niet te hebben geraakt. Gelet op de omstandigheden waaronder dit is gebeurd (een heftige woordenwisseling, waarbij is geduwd en woorden als “ik dood jou” zijn gebruikt), acht het hof reeds het ter hand nemen van een schroevendraaier en het steken van die schroevendraaier in het werkblad van de gereedschapskist voldoende om van bedreiging met een schroevendraaier te kunnen spreken. Het hof acht daarbij van belang dat dit laatste, naar ook door [de bedrijfsleider] is verklaard, met grote kracht moet zijn gebeurd (“rammen”). Of [verzoeker] even daarvoor ook nog met de schroevendraaier in de richting van [X] heeft gestoken, kan bij die stand van zaken in het midden blijven.

3.13

Ten slotte heeft [verzoeker] als getuige verklaard dat hij heeft gezegd: “je moet nu echt gauw je kankersmoel houden want ik ben het echt zat met je”. Het hof acht dit voldoende om ook de (grove) belediging van [X] door [verzoeker] bewezen te achten.

3.14

Naar aanleiding van de door [verzoeker] naar voren gebrachte bezwaren wordt bij dit alles nog uitdrukkelijk overwogen dat het hof de door de getuigen [X], [de bedrijfsleider] en [de directeur] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar en geloofwaardig acht. Hoewel aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat deze verklaringen op een aantal details verschillen (zo verklaart [X] verklaart dat hij richting zijn zij werd gestoken terwijl [de bedrijfsleider] verklaart van [X] te hebben gehoord dat de schroevendraaier rakelings langs zijn gezicht ging), komen zij op de hoofdlijnen in voldoende mate overeen. Lezing van de eerder tegenover de politie en de kantonrechter afgelegde verklaringen leert ook dat [X] en [de bedrijfsleider] telkens consistent hebben verklaard en dat ook de verklaring van [de directeur] in lijn is met wat hij eerder schriftelijk heeft verklaard. Op grond van het dossier en hetgeen [verzoeker] verder nog naar voren heeft gebracht heeft het hof ook geen aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd dan wel door rancune zijn ingegeven. De enkele omstandigheid dat [X], [de bedrijfsleider] en [de directeur] bij [verweerster] in dienst zijn en in zekere mate van [verweerster] (financieel) afhankelijk zijn, is daartoe onvoldoende.

3.15

Het hof heeft bij dit alles serieus bezien of er aanwijzingen zijn voor de stelling van [verzoeker] dat er sprake is geweest van een opzetje aan de zijde van [verweerster] om de situatie aan te dikken, teneinde, mede gelet op zijn (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, zonder vergoeding van hem af te komen. Die aanwijzingen heeft het hof niet in het dossier kunnen vinden noch heeft het die aan de hand van de uitgebreide getuigenverklaringen kunnen opmaken. [verzoeker] verrichtte in het kader van zijn re-integratie na zijn gescheurde kuitspier al weer werkzaamheden, laatstelijk in de regel dagelijks tot 12:00 uur ’s middags, wat onvoldoende steun biedt voor de stelling van [verzoeker] dat [verweerster] wegens zijn arbeidsongeschiktheid van hem af wilde. [verzoeker] heeft verklaard dat hij tijdens zijn arbeidsongeschiktheid vond dat hij af en toe te weinig hulp kreeg, maar onvoldoende gesteld of gebleken is dat dit eerder tot onenigheid of een gespannen of verstoorde verhouding had geleid, laat staan dat [verzoeker] dit eerder bij [verweerster] heeft aangekaart. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat [verzoeker] bij [verweerster] ter sprake heeft gebracht dat hij er hinder van ondervond dat [X] hem in negatieve zin met zijn arbeidsongeschiktheid confronteerde. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er al vóór het incident sprake was van een situatie waarbij [verweerster] van hem af wilde of dat de verhouding tussen [verweerster] en [verzoeker], of tussen [X] en [verzoeker], zodanig slecht was dat daarom op het vertrek van [verzoeker] werd aangestuurd. Blijkens de eigen stellingen van [verzoeker] (onder 6 beroepschrift) waren er geen eerdere spanningen tussen [X] en [verzoeker]. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 3.14 heeft overwogen over de consistentie van de getuigenverklaringen van [X], [de bedrijfsleider] en [de directeur], is het hof van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat [verweerster] (goedkoop) van [verzoeker] af wilde en het incident op 21 juli 2017 heeft aangegrepen om dit op oneerlijke wijze te realiseren.

3.16

Voor de andersluidende verklaring van [verzoeker] dat er slechts over en weer gescholden is (waarbij [X] als eerste zou hebben geroepen “jij bent een achterlijke tyfusmongool met je rotte tyfuspoot”) en dat hij [X] alleen een heel klein duwtje heeft gegeven, nadat hij eerst zelf werd geduwd, en geen schroevendraaier in zijn handen heeft gehad, is onvoldoende steun te vinden in de verklaringen van de overige getuigen. Dat er over en weer is gescholden is wel duidelijk, maar de gedragingen van [verzoeker] waren blijkens de afgelegde getuigenverklaringen veel ernstiger dan [verzoeker] doet voorkomen. De verklaringen van [vriendin verzoeker] (vriendin van [verzoeker]) en de moeder van [verzoeker] die niet bij het incident aanwezig waren maar slechts naderhand van [verzoeker] hebben gehoord wat er in zijn beleving is voorgevallen, leggen daartoe onvoldoende gewicht in de schaal. Voor de suggestie van [verzoeker] dat [X] op 21 juli 2017 onder invloed van drugs zou zijn geweest, ontbreekt iedere onderbouwing. Deze kan in ieder geval niet gevonden worden in de verklaring van de door [verzoeker] opgeroepen getuige [naam 1] die al sinds 2012 geen contact meer met [X] heeft gehad.

3.17

Het hof acht, gelet op het voorgaande, het feitencomplex dat [verweerster] in de ontslagbrief van 26 juli 2017 aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, bewezen. Het steken met de schroevendraaier naar [X], heeft [verweerster] niet in de ontslagbrief als reden voor ontslag op staande voet genoemd. Het is dan ook terecht dat de kantonrechter in het midden heeft gelaten of [verzoeker] daadwerkelijk met de schroevendraaier richting [X] heeft gestoken.

3.18

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of het feitencomplex daadwerkelijk een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook als daarbij wordt betrokken dat, zoals door [verzoeker] is aangevoerd, aan het incident een ruzie ten grondslag lag die mede is ontstaan doordat [X] [verzoeker] - die zich gelet op zijn arbeidsongeschiktheid afhankelijk voelde - onvoldoende wilde helpen en [X] zelf ook gescholden en geschreeuwd heeft en tijdens de ruzie [verzoeker] een duw heeft gegeven, acht het hof de explosieve en agressieve handelwijze van [verzoeker] - in het bijzonder de bedreigingen met de dood en met de schroevendraaier – van een zodanige ernst dat van [verweerster] redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Dat [verzoeker] ten tijde van het ontslag al dan niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, hij kostwinner was en hij ruim 27 jaar zonder noemenswaardige incidenten zijn werkzaamheden voor [verweerster] heeft verricht, maakt dat gezien de ernst van zijn uitlatingen en gedragingen niet anders. [verzoeker] heeft (mede in dit verband) nog aangevoerd dat [verweerster] niet voldaan heeft aan haar re-integratieverplichtingen omdat [verweerster] geen passend werk en passende hulp heeft aangeboden. [verweerster] heeft dit betwist en daar tegenover gezet dat [verzoeker] tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zijn gebruikelijke werkzaamheden deed, en afgesproken was dat hij het zelf moest aangeven als het te zwaar was en hij dan ontzien zou worden. In het specifieke geval dat aanleiding gaf tot de onenigheid tussen [X] en [verzoeker], had het voor de hand gelegen dat [verzoeker] naar [de bedrijfsleider] was gegaan en hem had voorgelegd wat te doen nu [X] hem niet kon of wilde helpen. Verder had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling dat er sprake was van onvoldoende re-integratie-inspanningen voldoende te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van de bedrijfsarts of een deskundigenverklaring van het UWV. Deze onderbouwing ontbreekt zodat niet is komen vast te staan dat [verweerster] haar re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden.

3.19

[verzoeker] heeft voorts nog aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat hij de veiligheid in gevaar zou hebben gebracht en verwijtbaar heeft gehandeld. In de ontslagbrief staat echter geschreven dat [verzoeker] het gevoel van veiligheid van zijn collega’s ernstig heeft aangetast. Gelet op de inhoud van de verklaringen van zijn collega’s [X] en [de bedrijfsleider] is dit voldoende aannemelijk geworden. Voor het geval [verzoeker] erop doelt dat [X] geen letsel heeft opgelopen, hetgeen op zich juist is, neemt dat niet weg dat diens gevoel van veiligheid als gevolg van de bedreigingen wel is aangetast, zodanig dat hij heeft gemeend hiervan aangifte te moeten doen bij de politie. Het hof is verder van oordeel dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, in het bijzonder gelet op zijn bedreigingen jegens [X]. Zoals de kantonrechter ook in de bestreden beschikking heeft overwogen, had het alternatief voor de ruzie kunnen zijn geweest dat [verzoeker] in verband met zijn ongenoegen over [X], naar [de bedrijfsleider] was gegaan om hem te vragen hoe te handelen. Dat heeft hij niet gedaan. In plaats daarvan heeft hij zijn ongenoegen tot een ruzie met bedreigingen laten escaleren en heeft hij een schroevendraaier in het werkblad van de gereedschapskist van [X] gestoken. [verweerster] moet als werkgever zorgdragen voor een veilige werkomgeving en van haar kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst voortzet met een werknemer die op zijn werk in woede ontsteekt en daarbij van het dagelijks te hanteren gereedschap een steekwapen dreigt te maken. Bij deze ernstige bedreigingen kon [verweerster] menen, gelet ook op de ontkenning c.q. bagatellisering hiervan door [verzoeker], niet te kunnen volstaan met een schorsing of loonsanctie.

3.20

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof ook de eerste en tweede aangevoerde beroepsgrond en wordt het door [verzoeker] verzochte afgewezen. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter Leiden bekrachtigen. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter Leiden van 22 november 2017;

  • -

    veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 726,- aan verschotten en € 3.222,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, J.A. van Dorp en J.M.T. van der Hoeven-Oud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.