Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:491

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
22-002816-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een minderjarige. De verdachte was een goede vriend van de familie en kwam daar regelmatig over de vloer.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 138 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002816-18

Parketnummer: 09-827127-18

Datum uitspraak: 27 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortejaar] 1986,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 10 maart 2018 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten (meermalen)

- het betasten van en/of knijpen in de (blote) borsten van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de (blote) buik van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de schaamstreek en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlip(pen) van die [slachtoffer] heeft gestopt en/of (vervolgens) heen en weer bewogen;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 10 maart 2018 te 's-Gravenhage met [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van en/of knijpen in de (blote) borsten van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de (blote) buik van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de schaamstreek en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlip(pen) van die [slachtoffer] heeft gestopt en/of (vervolgens) heen en weer bewogen;

2:
hij (telkens) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 5 januari 2018 te 's-Gravenhage met [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de (blote) borst(en).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, bestaande uit het betasten van de buik en de schaamstreek van het slachtoffer, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd alsmede een contactverbod.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde

Het hof is – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 10 maart 2018 te 's-Gravenhage met [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van en/of knijpen in de (blote) borsten van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de (blote) buik van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de schaamstreek en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlip(pen) van die [slachtoffer] heeft gestopt en/of (vervolgens) heen en weer bewogen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich – overeenkomstig de door hem ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – onder meer aangevoerd dat, nu het aanvullend DNA-onderzoek Y-chromosomaal onderzoek betreft, de waarde hiervan gering is. Aan dergelijk onderzoek komt volgens de raadsman mindere bewijskracht toe, omdat Y-chromosomaal DNA minder onderscheidend is dan autosomaal DNA.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het rapport van het aanvullende Y-chromosomaal DNA-onderzoek blijkt dat het afgenomen materiaal van de buitenrand van de voorzijde van de onderbroek van het slachtoffer een Y-chromosomaal DNA-mengprofiel bevat dat afkomstig is van celmateriaal van minimaal twee donoren. Van dit materiaal is een Y-chromosomaal DNA-hoofdprofiel afgeleid. Dit Y-chromosomaal DNA-hoofdprofiel matcht met het Y-chromosomaal DNA-profiel van de verdachte. De bewijswaarde hiervan is beoordeeld met de likelihood-ratio (LR) methode. Hierbij werden de onderzoeksresultaten bekeken in het licht van de volgende hypotheses:

  1. de bemonstering van het spoor bevat een relatief grote hoeveelheid mannelijk celmateriaal van verdachte [verdachte] of van een andere man in de mannelijke lijn van verdachte en relatief weinig celmateriaal van een onbekende onverwante man.

  2. de bemonstering van het spoor bevat DNA van twee willekeurige niet verwante mannen.

Het resultaat is dat het veel waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Er is ook materiaal afgenomen van de binnenrand van de voorzijde van de onderbroek. Ook hier is een Y-chromosomaal DNA-mengprofiel aangetroffen dat afkomstig is van twee donoren. De verdachte kan niet worden uitgesloten als één van de twee donoren.

Het hof is van oordeel dat de uitkomst van dit aanvullende Y-chromosomaal DNA-onderzoek in samenhang bezien met het voorhanden zijnde steunbewijs, zijnde de verklaring van het slachtoffer in combinatie met de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] dat hij zag dat de verdachte zijn hand uit de broek van het slachtoffer haalde, alsmede het App-gesprek tussen [getuige 1] en [getuige 2] waaruit blijkt dat [getuige 2] heeft gezien dat de verdachte met zijn hand bij het slachtoffer zat, voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan ontucht met een minderjarige. De verdachte was een goede vriend van de familie en kwam daar regelmatig over de vloer. De verdachte heeft het vertrouwen van zowel het slachtoffer als van haar familie beschaamd door ontuchtige handelingen met het minderjarige slachtoffer te plegen. Zowel het slachtoffer als haar familie zullen hier lange tijd de psychische gevolgen van moeten dragen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal een groot deel van deze straf voorwaardelijk opleggen om de verdachte in de toekomst van dergelijke handelingen te weerhouden. Het hof ziet af van het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals door de advocaat-generaal gevorderd, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.759,02.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 1.759,02.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 9,02 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.009,02 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Beslag

Met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet terug gegeven goederen, zijnde een broek en een onderbroek, weergegeven onder 1 en 2 op de beslaglijst, zal het hof de teruggave aan de rechtmatige eigenaar gelasten, zijnde [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 138 (honderdachtendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Broek

2. 1.00 STK Onderbroek kleur: grijs.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]


Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.009,02 (duizend negen euro en twee cent) bestaande uit € 9,02 (negen euro en twee cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.009,02 (duizend negen euro en twee cent) bestaande uit € 9,02 (negen euro en twee cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 maart 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. H.P.CH. van Dijk en mr. K. Schaffels, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.