Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:490

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
22-000469-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin in het openbaar waardoor verschillende buurtbewoners zich plotseling geconfronteerd zagen met de mishandeling. Daarnaast heeft de verdachte, nadat hij wegens deze mishandeling was aangehouden, een celdeur beschadigd.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van verklaring van het niet door de verdediging gehoorde slachtoffer (ondervragingsrecht/Vidgen). Gelet op de andere aanwezige bewijsmiddelen, die in voldoende mate de verklaring van het slachtoffer ondersteunen, is het hof van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer niet van dien aard is dat deze kan worden aangemerkt als “sole or decisive”.

Voorts is het hof van oordeel dat gezien de aard en veelheid van de geweldshandelingen, welke onder meer gericht waren op het hoofd, in onderling verband beschouwd, deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar (hoofd-)letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000469-18

Parketnummer: 09-215285-17

Datum uitspraak: 19 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met het hoofd, in elk geval met het lichaam, tegen een muur heeft gegooid/geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te ‘s-Gravenhage

zijn levensgezel, [aangeefster], heeft mishandeld door die [aangeefster]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met het hoofd, in elk geval met het lichaam, tegen een muur te gooien/duwen en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen;


2:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een celdeur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Nationale Politie toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, en oplegging gevorderd van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met het hoofd, in elk geval met het lichaam, tegen een muur heeft gegooid/geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:
hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een celdeur, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich overeenkomstig de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van mevrouw [aangeefster] buiten beschouwing moet worden gelaten nu de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuige niet heeft kunnen uitoefenen, waardoor er sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:EVRM).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende, verklaring is niet zonder meer ongeoorloofd of onverenigbaar met artikel 6 van het EVRM. Van die ongeoorloofdheid is onder meer geen sprake indien de verdachte weliswaar niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, maar die verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de haar belastende verklaring die de verdachte betwist.

De betrokkenheid van de verdachte bij het hem onder 1 ten laste gelegde vindt naar het oordeel van het hof in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen, te weten in de verklaring van de anonieme getuige, zoals vervat in het proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2017 (dossierpagina 33), in het door de politie kort na de mishandeling aantreffen van de verdachte van de verdachte in de onmiddellijke nabijheid van de aan de plek waar [aangeefster] is mishandeld en het na aanhouding van de verdachte aan zijn rechterhand geconstateerde letsel (dossierpagina’s 9 en 10) en in de verklaring van de verdachte zelf, waarin hij onder meer spreekt over de schade die hij heeft aangericht. De omstandigheid dat [aangeefster] niet gehoord is kunnen worden staat dus niet in de weg aan het gebruik van de door haar afgelegde verklaring voor het bewijs. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van mevrouw [aangeefster] zonder schending van artikel 6 EVRM gebezigd kan worden voor het bewijs. Gelet op de andere aanwezige bewijsmiddelen, die in voldoende mate de verklaring van [aangeefster] ondersteunen, is het hof – anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat de verklaring van [aangeefster] niet van dien aard is dat deze kan worden aangemerkt als “sole or decisive”.

Voorts is het hof van oordeel dat gezien de aard en veelheid van de geweldshandelingen, welke onder meer gericht waren op het hoofd, in onderling verband beschouwd, deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar (hoofd-)letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Hij heeft dit in het openbaar gedaan waardoor verschillende buurtbewoners zich plotseling geconfronteerd zagen met de mishandeling. De verdachte heeft met deze handelswijze niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn toenmalige vriendin, maar heeft daarmee ook bij de aanwezige getuigen een gevoel van onrust en onveiligheid teweeggebracht. Daarnaast heeft de verdachte, nadat hij wegens deze mishandeling was aangehouden, een celdeur beschadigd.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding Politie Eenheid Den Haag

In het onderhavige strafproces heeft Politie Eenheid Den Haag zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 303,42.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 303,42.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd zal melden bij GGZ Reclassering Fivoor, Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag en zich gedurende de proeftijd op de door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van het FACT LVB van forensische polikliniek Fivoor, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht.

Waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Den Haag

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Eenheid Den Haag ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 303,42 (driehonderddrie euro en tweeënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 oktober 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. T.E. van der Spoel,

mr. R.M. Bouritius en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2019.