Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:474

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
22-002074-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens omkoping van ambtenaar (art. 177 Sr) in de zogenoemde rijbewijszaak. Een (voormalige) rijschoolhouder heeft een examinator van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) herhaaldelijk betaald om leerlingen te laten slagen van examenkandidaten. Vrijspraak van het medeplegen van oplichting van het CBR. Het is in de kern telkens de examinator geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt en daarvan geprofiteerd. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht.

Verplichting de verdachte onverwijld in te lichten over de tegen hem bestaande verdenking. Alleen noemen van het wetsartikel voldoende? Verwerping verweer dat sprake is van een schending van artikel 6 EVRM, nu het recht op effectieve en praktische rechtsbijstand is geschonden, doordat aan de verdachte niet concreet genoeg is medegedeeld waarvan hij werd verdacht, hij daarover dus ook geen overleg met zijn raadsman kon plegen en hij daardoor niet zijn procespositie en zijn proceshouding tijdens het politieverhoor kon bepalen. Artikel 27c Sv is in casu nageleefd en daarmee is wel degelijk ook voldaan aan de minimale eisen gesteld in de Richtlijn 2012/13EU en in artikel 6 van het EVRM. Openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte, geen reden voor bewijsuitsluiting.

Beroep op Vidgen-jurisprudentie. Gebruik voor het bewijs van verklaring van niet door de verdediging gehoorde getuige. Voldoende steunbewijs. Verklaring getuige niet ‘sole and decisive’.

Overschrijding redelijke termijn. Het hof legt een werkstraf op van 210 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, alsmede een beroepsverbod voor de duur van 3 jaar. Benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002074-16

Parketnummer: 09-819489-14

Datum uitspraak: 27 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortejaar] 1968,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het op 13 december 2016, 30 januari 2019 en 13 februari 2019 gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 5 jaren. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een groot aantal, in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

de volgende gedragingen verricht:

-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich aan het CBR (telkens) voorgedaan als een bonafide rijbewijs examinator,

en/of

-hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft (telkens) data, tijden en/of locaties afgesproken waar rijexamen(s) zouden worden afgenomen, en/of

-hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft

een of meer examenkandidaten laten slagen voor het rijexamen, ook in gevallen waarin niet of niet voldoende

gebleken was dat die kandida(a)t(en) over het gewenste of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n),

en/of

-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft na de afgesproken examendata/datum via een communicatiemiddel

medegedeeld aan het CBR dat die kandida(a)t(en) waren/was geslaagd voor dat/die rijexamen(s);

door welke gedraging(en) het CBR (telkens) werd bewogen tot afgifte, zoals hiervoor omschreven;


2:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan ambtenaar [medeverdachte 1], te weten als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) giften en/of beloften heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, namelijk een geldbedrag van (telkens) 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldoen aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij-instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in verenging met anderen en/of een ander, althans alleen, dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven en/of aangeboden, door

- het geldbedrag in de koffer en/of tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die koffer en/of tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of

- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in de portierszijde te leggen van de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen en/of

- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder, rijinstructeur en rij-examinator voor de duur van 5 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd is.

Gevoerde verweren

Schending van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat er sprake is van een schending van artikel 6, derde lid, sub a en b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu het recht op effectieve en praktische rechtsbijstand doelbewust is geschonden, althans de belangen van de verdachte grof zijn veronachtzaamd. Daartoe is aangevoerd dat aan de verdachte niet concreet genoeg is medegedeeld waarvan hij werd verdacht, dat hij daarover dus ook geen overleg met zijn raadsman kon plegen en dat hij daardoor niet zijn procespositie en zijn proceshouding tijdens het politieverhoor kon bepalen. Wegens dit vormverzuim dient op grond van artikel 359a Sv de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte te volgen, dan wel bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie, waarna vrijspraak moet volgen.

Volgens de raadsman voldoet artikel 27c, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet aan de Richtlijn 2012/13EU van het Europees Parlement en de Europese Raad. In deze richtlijn is in artikel 6 opgenomen dat verdachten onverwijld informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht en dat deze informatie zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. Uit Richtlijn 2013/48EU van het Europees Parlement en de Raad blijkt voorts dat een verdachte op zodanige wijze toegang tot een advocaat dient te hebben dat hij de rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kan uitoefenen. Artikel 6 van Richtlijn 2012/13EU is niet, althans gebrekkig geïmplementeerd in artikel 27c Sv, aldus de raadsman. Voor zover het hof niet tot de conclusie komt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte is, verzoekt de raadsman het hof over het voorgaande prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen en de behandeling van de zaak aan te houden.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de ochtend van 8 oktober 2014 zijn twee opsporingsambtenaren met toestemming van de verdachte het huis van de verdachte binnengetreden. Hij is toen aangehouden als verdachte. Vervolgens werd aan hem door een opsporingsambtenaar medegedeeld waarvan hij werd verdacht. Volgens het proces-verbaal van aanhouding is de verdachte aangehouden wegens overtreding van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aan de verdachte is de cautie gegeven en is medegedeeld dat hij recht heeft op consultatiebijstand door een advocaat voor de aanvang van het verhoor. De verdachte gaf daarop te kennen dat hij een toegewezen advocaat wilde consulteren. Op dezelfde dag werd de verdachte aan de hulpofficier van justitie voorgeleid, die het bevel gaf de verdachte op te houden voor onderzoek.

Op 8 oktober 2014 om 13:15 werd de verdachte voor het eerst gehoord door twee verbalisanten. Daarvoor had hij overleg gehad met zijn advocaat. Bij de aanvang van het verhoor werd aan de verdachte nogmaals medegedeeld waarvan hij werd verdacht en werd aan hem de cautie gegeven. Het begin van het verhoor verliep als volgt:

‘Weet je waarvoor je bent aangehouden?’

‘Nee.’

Noot verbalisanten: De verdachte wordt uitgelegd waarvan hij wordt verdacht.

‘Heb je nu begrepen waarvoor je bent aangehouden?’

‘Ja.’

Daarna heeft de verdachte een uitgebreide, deels bekennende, verklaring afgelegd.

Op 8 oktober 2014 om 14:00 uur werd de verdachte in het kader van zijn inverzekeringstelling gehoord, werd hem wederom de cautie gegeven en werd nog eens medegedeeld waarvan hij werd verdacht: overtreding van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oplichting) c.q. artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift). De verdachte verklaarde vervolgens: ‘Ik heb vanmorgen al een gesprek gehad met een advocaat. […] Ik begrijp dat er een onderzoek loopt met betrekking tot het Centraal Bureau Rijbewijzen en dat ik hierin verdachte ben. Ik begrijp dat ik nu in verzekering word gesteld’.

Op 9 oktober 2014 vond het tweede verhoor door de politie plaats, werd de cautie aan de verdachte gegeven en werd aan de verdachte weer medegedeeld waarvan hij werd verdacht.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is de Richtlijn 2012/13EU (hierna: de Richtlijn) voldoende geïmplementeerd in het Nederlandse strafrecht, in casu in het bijzonder in artikel 27c van het Wetboek van Strafrecht, in welk artikel onder meer wordt bepaald dat de verdachte bij zijn staandehouding of aanhouding wordt medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte wordt aangemerkt. Daarbij is het naar het oordeel van het hof van belang in ogenschouw te nemen dat de Richtlijn op de gehele procedure ziet en dat, naarmate de tijd verstrijkt, de uit de genoemde richtlijn en de wet voortvloeiende eisen ertoe dienen te leiden dat de verdachte steeds concreter en gedetailleerder op de hoogte moet worden gesteld van het verwijt dat hem wordt gemaakt. Het de verdachte onverwijld inlichten over de tegen hem bestaande verdenking kan – ook in het belang van het onderzoek - bij zijn aanhouding bestaan uit het (slechts) in korte bewoordingen aanduiden van de verdenking (bijvoorbeeld door verwijzing naar het wetsartikel waarin hetgeen waarvan de verdachte wordt verdacht is strafbaar gesteld), terwijl op latere momenten gedurende de strafprocedure de verdenking (steeds) vollediger zal moeten worden omschreven. Dat alles volgt overigens ook uit de door de raadsman aangehaalde richtlijn en de daaraan voorafgaande overwegingen (de zogeheten preambule). In artikel 6 van de genoemde richtlijn is immers – voor zover hier met name van belang – bepaald:

1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.

2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.

3. De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.

In de preambule wordt voorts nog uitdrukkelijk overwogen dat de informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, weliswaar onverwijld, doch ook zonder lopende onderzoeken te schaden, dient te worden verstrekt en dat deze informatie dient te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.

Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde feitelijke gang van zaken is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak artikel 27c van het Wetboek van Strafvordering nageleefd en daarmee wel degelijk ook voldaan aan de minimale eisen gesteld in de Richtlijn 2012/13EU en in artikel 6 van het EVRM. De eisen die volgens de raadsman aan de te verstrekken informatie dienen te worden gesteld, uit welke eisen zou voortvloeien dat het bij de aanhouding van een verdachte, ter duiding van de verdenking enkel noemen van het artikelnummer onvoldoende is, vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat - het gehele strafrechtelijk onderzoek overziende - de aanhouding, de inverzekeringstelling en het eerste verhoor gedurende de beginfase van het onderzoek plaatsvinden.

Overigens kan uit de omstandigheid dat in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte in verband met de verdenking alleen een artikelnummer is vermeld niet worden afgeleid dat aan hem niet meer informatie is verstrekt omtrent de aard van de verdenking.

Schending van de door de raadsman nog genoemde Richtlijn 2013/48EU is onvoldoende gemotiveerd en daarvan is ook overigens naar oordeel van het hof mede gelet op hetgeen hierboven is vastgesteld niet gebleken.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat er geen grond is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Ook is er geen reden voor bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd.

Het hof ziet gelet op het voorgaande voorts geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen en wijst het verzoek daartoe, alsmede het daarmee verband houdende aanhoudingsverzoek van de raadsman, af.

Bewijsuitsluiting op grond van Vidgen-jurisprudentie van de verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd als getuige?

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich overeenkomstig zijn pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten op basis van de Vidgen-jurisprudentie. De verdediging stelt geen gelegenheid te hebben gehad om deze getuige te ondervragen. Het verweer ziet met name op het verhoor van [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg, alwaar [medeverdachte 1] zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. De raadsman heeft in het verlengde hiervan vrijspraak bepleit.

Tevens heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan [medeverdachte 1] alsnog te horen als getuige.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat het voor het bewijs bezigen van een ambtsedig proces-verbaal, voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, doch voor de verdachte belastende, verklaring van een getuige niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste en derde lid, van het EVRM, indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen door die getuige te ondervragen. Het bezigen van zo’n verklaring voor het bewijs is tevens niet ongeoorloofd, indien de genoemde gelegenheid is onderbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Deze andere bewijsmiddelen moeten in een dergelijk geval betrekking hebben op die onderdelen die voor de verdachte belastend zijn en door hem worden betwist.

Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van [medeverdachte 1], afgelegd als getuige, in voldoende mate steun in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, welke bewijsmiddelen – ook voor wat betreft de door de verdachte betwiste onderdelen - in belangrijke mate belastend zijn voor de verdachte. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet van dien aard zijn dat deze kunnen worden aangemerkt als ‘sole and decisive’. De omstandigheid dat de verdediging [medeverdachte 1] niet (zonder beperkingen) heeft kunnen horen staat dus niet in de weg aan het gebruik van de door hem afgelegde verklaring voor het bewijs.

Het hof zal gelet op vorenoverwogene de verklaringen van [medeverdachte 1] bezigen voor het bewijs en verwerpt het verweer.

Het hof ziet – mede gelet op de onderbouwing van het verzoek daartoe - geen noodzaak [medeverdachte 1] nogmaals te horen, nu het hof zich reeds voldoende acht voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna:) CBR.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich (meer subsidiair) – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld, dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde, noch alleen, noch samen met (een) ander(en). De raadsman heeft dan ook vrijspraak van dat feit bepleit.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3474), voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal van voldoende gewicht moeten zijn.

Naar het oordeel van het hof komen de handelingen die aan de verdachte worden verweten, ook na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, neer op het gelegenheid bieden aan rijexaminator [medeverdachte 1], medeverdachte, om het CBR op te lichten en zijn deze daarmee hooguit in verband te brengen met medeplichtigheid.

Van de aan de verdachte ten laste gelegde uitvoeringshandelingen heeft alleen hetgeen is opgenomen bij het tweede gedachtestreepje betrekking op handelingen van de verdachte. De andere verweten uitvoeringshandelingen zijn enkel te herleiden tot [medeverdachte 1]. Gelet daarop en op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is het in de kern telkens [medeverdachte 1] geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 1 ten laste gelegde oplichting van het CBR te komen. Dat de verdachte, althans zijn rijschool, baat had bij de door medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde oplichting, doet daar niet aan af.

Gelet op voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van oplichting van het CBR. De verdachte zal daarvan dan ook wederom worden vrijgesproken.

Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen impliceert dat er uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin aanwijzingen naar voren zijn komen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde alleen, als pleger, heeft begaan. De verdachte zal, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, ook daarvan worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het bewijs

-Verklaringen verdachte

Het hof ziet op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de (aanvankelijk) bekennende verklaringen van de verdachte, gelet ook op de inhoud daarvan. Het hof neemt daarbij in acht de mate van gedetailleerdheid van deze verklaringen en het feit dat deze belastende verklaringen op de voor de bewijsvoering essentiële onderdelen overeenkomen met en steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaringen van [medeverdachte 1] en de inhoud van de sms-berichten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte.

Het hof acht de bekennende verklaringen van de verdachte dan ook betrouwbaar en zal deze bezigen voor het bewijs.

-Verklaringen medeverdachten

Voor wat betreft het gebruik voor het bewijs van de verklaring van medeverdachten overweegt het hof dat met de verklaringen van een andere verdachte in dezelfde zaak behoedzaam en met enige terughoudendheid dient te worden omgegaan, gelet op diens belang om, ook in het geval van een bekennende verklaring, de eigen schuld te verlichten en gelet op de omstandigheid dat hij als verdachte niet is gehouden naar waarheid te verklaren. Voor zover het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van een medeverdachte is de genoemde behoedzaamheid uitgangspunt geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan ambtenaar [medeverdachte 1], te weten als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) een giften en/of beloften heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, namelijk een geldbedrag van (telkens) 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldoen aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij-instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in verenging met anderen en/of een ander, althans alleen, dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven en/of aangeboden, door

- het geldbedrag in de koffer en/of tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die koffer en/of tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of

- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in de portierszijde te leggen van de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen en/of

- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan omkoping van een ambtenaar, namelijk van een rijexaminator die in dienst was bij het CBR, met als doel kandidaten van de rijschool van de verdachte te laten slagen voor het rijexamen. Door aldus te handelen is de verdachte getreden in het objectief, onafhankelijk en zuiver functioneren van een ambtenaar en daarmee in het goed functioneren van het openbaar bestuur. Door zijn handelen heeft de verdachte voorts de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, terwijl de verkeersveiligheid in zijn werk nou juist voorop staat.

Hij heeft ook de goede naam van zijn collega’s in de branche schade toegebracht. De feiten zijn voorts gedurende een lange periode en vele keren gepleegd.

Het hof beoordeelt dit alles als ernstig.

Het hof acht het dan ook passend om een onvoorwaardelijke taakstraf met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.

Anderzijds houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft ook kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte voor het overige nimmer met politie of justitie in aanraking is geweest.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormen.

Het hof constateert echter dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 2 mei 2016 en het wijzen van dit arrest op 27 februari 2019 meer dan 2 jaren zijn verstreken. Het hof zal, dat in aanmerking genomen, de duur van de duur van de taakstraf verlagen naar 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof acht het voorts passend en geboden, deels overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aan de verdachte, gelet op de aard en ernst van de feiten, een bijkomende straf op te leggen, namelijk de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 jaren.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een uitgebreider beroepsverbod, aangezien het hof er – net als de rechtbank – van uitgaat dat de verdachte zelf geen rijexamens meer mag aanvragen en geen examinator mag zijn, terwijl het opleggen van een verbod tot het uitoefenen van zijn beroep, dat van rijinstructeur, onevenredig grote gevolgen zou hebben voor de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding van het CBR

In het onderhavige strafproces heeft het CBR zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 104.718,75, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 104.718,75, te vermeerderen de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door de raadsman, namens de verdachte, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen betwist.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 57 en 177 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 (drie) jaren.

Verklaart de benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer,

in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.