Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:473

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
22-002075-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens omkoping van ambtenaar (art. 177 Sr) in de zogenoemde rijbewijszaak. Een voormalige rijschoolhouder heeft een examinator van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) herhaaldelijk betaald om leerlingen te laten slagen van examenkandidaten. Vrijspraak van het medeplegen van oplichting van het CBR. Het is in de kern telkens de examinator geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt en daarvan geprofiteerd. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht. Verwerping verweer dat de verdachte bewust door de politie is misleid door hem een status van anonieme getuige te beloven met het doel van hem als direct betrokkene informatie te verkrijgen over de onderhavige zaak en hem vervolgens een verklaring te laten afleggen, maar hem er niet op te wijzen dat hij in de onderhavige zaak vervolgd kon worden. In het dossier zijn naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen te vinden dat de verdachte bewust is misleid. Openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Verweer over omzeilen cautieplicht leidt niet tot niet-ontvankelijkheid OM. Het hof gebruikt de door de verdachte als getuige afgelegde verklaringen niet voor het bewijs.

Overschrijding redelijke termijn. Het hof legt een werkstraf op van 210 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, alsmede een beroepsverbod voor de duur van 3 jaar. Benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002075-16

Parketnummer: 09-809238-14

Datum uitspraak: 27 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1966,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het op 13 december 2016, 30 januari 2019 en 13 februari 2019 gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 5 jaren. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een groot aantal, in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

de volgende gedragingen verricht:

-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich aan het CBR (telkens) voorgedaan als een bonafide rijbewijs examinator,

en/of

-hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft (telkens) data, tijden en/of locaties afgesproken waar rijexamen(s) zouden worden afgenomen, en/of

-hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft

een of meer examenkandidaten laten slagen voor het rijexamen, ook in gevallen waarin niet of niet voldoende

gebleken was dat die kandida(a)t(en) over het gewenste of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n),

en/of

-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft na de afgesproken examendata/datum via een communicatiemiddel

medegedeeld aan het CBR dat die kandida(a)t(en) waren/was geslaagd voor dat/die rijexamen(s);

door welke gedraging(en) het CBR (telkens) werd bewogen tot afgifte, zoals hiervoor omschreven;


2:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan ambtenaar [medeverdachte 1], te weten als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) giften en/of beloften heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, namelijk een geldbedrag van (telkens) 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldoen aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij-instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in verenging met anderen en/of een ander, althans alleen, dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven en/of aangeboden, door

- het geldbedrag in de koffer en/of tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die koffer en/of tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of

- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in de portierszijde te leggen van de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen en/of

- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder, rijinstructeur en rij-examinator voor de duur van 5 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd is.


Gevoerde verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte bewust door de politie is misleid door hem een status van anonieme getuige te beloven met het doel van hem als direct betrokkene informatie te verkrijgen over de onderhavige zaak en hem vervolgens een verklaring te laten afleggen, maar hem er niet op te wijzen dat hij in de onderhavige zaak vervolgd kon worden.

Daarnaast is hem niet van meet af aan en bijtijds de cautie gegeven. De opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] moet immers toen hij de verdachte als getuige 2 hoorde, op de hoogte zijn geweest van de identiteit van de verdachte en zijn betrokkenheid bij de rijbewijsfraude. De politie heeft willens en wetens geprobeerd de cautieplicht te omzeilen.

Er is sprake van een schending waardoor de verdachte ernstig en rechtstreeks in zijn belangen is geschaad en waarvan geen herstel mogelijk is.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat zij met de door haar genoemde ‘schending’ bedoelt dat de verdachte bewust is misleid en voorts dat de cautieplicht willens en wetens is omzeild. De raadsvrouw doet, zo begrijpt het hof, met betrekking tot deze schendingen een beroep op vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Sv.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw bewijsuitsluiting ten aanzien van alle verklaringen van de verdachte afgelegd als getuige, alsmede van de dreigbrief van medeverdachte [medeverdachte 1].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 7 maart 2014 ontving het CBR per e-mail een melding van fraude met betrekking tot rijschool [rijschool].

Omstreeks juni 2014 ontving [examenmanager] (hierna: [examenmanager]), examenmanager divisie rijvaardigheid bij het CBR, een anoniem telefoontje van een rijopleider die met hem een gesprek wilde over een examinator die fraude zou plegen en die zelf ook afspraken zou maken om kandidaten te laten slagen voor geldelijke beloning.

Het gesprek tussen de betreffende rijopleider en [examenmanager] heeft (naar het hof begrijpt) op 21 juni 2014 plaatsgevonden. [examenmanager] heeft omtrent de gang van zaken een notitie opgesteld, waaruit blijkt dat [examenmanager] in het gesprek de rijopleider herkende als een van de opleiders van [rijschool].

Op 14 augustus 2014 heeft [manager rijvaardigheid], manager rijvaardigheid bij het CBR, aangifte gedaan tegenover de opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (hierna: [opsporingsambtenaar]). Bij dit verhoor is als bijlage de notitie van [examenmanager], d.d. 21 juni 2014, gevoegd.

Op 7 september 2014 is de persoon die de melding op 7 maart 2014 had gedaan door [opsporingsambtenaar] als getuige 1 gehoord. Deze getuige verklaarde onder meer dat de eigenaren van [rijschool] de verdachte en [medeverdachte 3] waren.

Op 8 september 2014 heeft [examenmanager] gebeld naar de rijopleider met wie hij op 21 juni 2014 had gesproken en heeft hij hem medegedeeld dat hij de zaak had overgedragen aan de politie.

Eveneens op 8 september 2014 heeft [opsporingsambtenaar] met de rijopleider gebeld en heeft [opsporingsambtenaar] in overleg met de officier van justitie besloten deze man onder de naam getuige 2 te horen waarbij zijn identiteit bij [opsporingsambtenaar] bekend zou zijn.

Op 8 september 2014 is voorts [examenmanager] door [opsporingsambtenaar] gehoord.

Vervolgens is op 10 september 2014 ‘anonieme getuige 2’ gehoord in een MacDonalds-restaurant in de buurt van Hoofddorp. In dat verhoor verklaart de verdachte in de derde persoon belastend over zichzelf en heeft hij te kennen gegeven anoniem te willen blijven. De verhorende verbalisant [opsporingsambtenaar] heeft opgemerkt dat in overleg met en in opdracht van de officier van justitie de verdachte in eerste instantie als anonieme getuige zou worden gehoord. De persoonsgegevens van de verdachte waren bij [opsporingsambtenaar] bekend.

Uit het proces-verbaal ‘opheffen anonimiteit getuige 2’ en het verhoor van [opsporingsambtenaar] ten overstaan van de raadsheer-commissaris blijkt dat [opsporingsambtenaar] tijdens het verhoor van 10 september 2014 aan de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hij niet 100% kon garanderen dat zijn identiteit niet bekend zou worden. [opsporingsambtenaar] heeft hem, zo verklaart hij bij de raadsheer-commissaris “vanaf het begin af aan uitgelegd dat (…) op het moment dat het een zaak wordt en er mensen gehoord moeten worden bij de rechter-commissaris, wij zijn identiteit niet kunnen afschermen”. Voorts heeft [opsporingsambtenaar] aan de verdachte te kennen gegeven dat hij niet de garantie aan de verdachte kon geven dat hij zelf niet zou worden vervolgd.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [opsporingsambtenaar] aan de verdachte geen toezegging heeft gedaan dat hij niet als verdachte zou worden aangemerkt en de verdachte erop heeft gewezen dat hij op enig moment als verdachte kon worden aangemerkt en zijn anonimiteit kon verliezen. Hoewel [opsporingsambtenaar] uit alle informatie die hem ter beschikking stond toen hij het gesprek op 10 september 2014 met de verdachte aanving, had kunnen afleiden dat getuige 2 zelf ook betrokken was bij de strafbare feiten die hij aan het CBR had gemeld, blijkt uit het dossier niet dat [opsporingsambtenaar] zich tijdens het gesprek op 10 september 2014 van deze situatie bewust is geweest. Dit kan verwijtbaar worden geacht. In het dossier zijn echter naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen te vinden dat de verdachte bewust is misleid.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het Zwolsmancriterium).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat aan dit criterium niet is voldaan. Het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar Ministerie wordt derhalve verworpen.

Het hof overweegt daartoe nog als volgt.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, en in het bijzonder gelet op hetgeen is geverbaliseerd en verklaard door [opsporingsambtenaar] tegen de achtergrond van de rest van het dossier, waarin onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor de door de verdediging gestelde toedracht, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan de verdachte de toezegging is gedaan dat hij gedurende het gehele onderhavige strafrechtelijke onderzoek de status van een anonieme getuige zou krijgen en behouden. Daarin kan dus geen grond worden gevonden voor niet-ontvankelijkverklaring dan wel bewijsuitsluiting. Voor wat betreft dat onderdeel verwerpt het hof het gevoerde verweer.

Ten aanzien van het al dan niet voldoen aan de cautieplicht overweegt het hof voorts als volgt.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, aangezien de door de verdediging gestelde schending van de cautieplicht – mede gelet op hetgeen dienaangaande is aangevoerd en hetgeen overigens blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting – niet de conclusie rechtvaardigt dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om bewijsuitsluiting ten aanzien van de verklaringen van de verdachte afgelegd als getuige (dus als ‘getuige 2’) en van de dreigbrief afkomstig van [medeverdachte 1]. Het hof zal deze verklaringen en de dreigbrief niet voor het bewijs bezigen. Het verweer behoeft daarom geen verdere bespreking.

Samenvattend verwerpt het hof de gevoerde verweren voor zover zij bespreking behoeven, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en bezigt het hof de verklaringen van de verdachte afgelegd als ‘getuige 2’ en de dreigbrief van [medeverdachte 1] niet voor het bewijs.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Voor wat betreft het gebruik voor het bewijs van de verklaring van medeverdachten overweegt het hof dat met de verklaringen van de andere verdachte in deze zaak behoedzaam en met enige terughoudendheid dient te worden omgegaan, gelet op diens belang om, ook in het geval van een bekennende verklaring, de eigen schuld te verlichten en gelet op de omstandigheid dat hij als verdachte niet is gehouden naar waarheid te verklaren. Voor zover het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van een medeverdachte is de genoemde behoedzaamheid uitgangspunt geweest.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld, dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde, noch alleen, noch tezamen en in vereniging met anderen, zodat de verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof stelt, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3474), voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal van voldoende gewicht moeten zijn.

Naar het oordeel van het hof komen de handelingen die aan de verdachte worden verweten, ook na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, neer op het gelegenheid bieden aan rijexaminator [medeverdachte 1], medeverdachte, om het CBR op te lichten en zijn deze daarmee hooguit in verband te brengen met medeplichtigheid.

Van de aan de verdachte ten laste gelegde uitvoeringshandelingen heeft alleen hetgeen is opgenomen bij het tweede gedachtestreepje betrekking op handelingen van de verdachte. De andere verweten uitvoeringshandelingen zijn enkel te herleiden tot [medeverdachte 1]. Gelet daarop en op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is het in de kern telkens [medeverdachte 1] geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 1 ten laste gelegde oplichting van het CBR te komen. Dat de verdachte, althans zijn rijschool, baat had bij de door medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde oplichting, doet daar niet aan af.

Gelet op voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van oplichting van het CBR. De verdachte zal daarvan dan ook wederom worden vrijgesproken.

Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen impliceert dat er uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin aanwijzingen naar voren zijn komen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde alleen, als pleger, heeft begaan. De verdachte zal, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, ook daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan ambtenaar [medeverdachte 1], te weten als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) een giften en/of beloften heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, namelijk een geldbedrag van (telkens) 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere een kandidaaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaaten niet voldoetn aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij-instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in vereniging met anderen en/of een ander, althans alleen, dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven en/of aangeboden, door

- het geldbedrag in de koffer en/of tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die koffer en/of tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of

- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in de portierszijde te leggen van de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen en/of

- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan omkoping van een ambtenaar, namelijk van een rijexaminator die in dienst was bij het CBR, met als doel kandidaten van de rijschool van de verdachte te laten slagen voor het rijexamen. Door aldus te handelen is de verdachte getreden in het objectief, onafhankelijk en zuiver functioneren van een ambtenaar en daarmee in het goed functioneren van het openbaar bestuur. Door zijn handelen heeft de verdachte voorts de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, terwijl de verkeersveiligheid in zijn werk nou juist voorop staat.

Hij heeft ook de goede naam van zijn collega’s in de branche schade toegebracht. De feiten zijn voorts gedurende een lange periode en vele keren gepleegd.

Het hof beoordeelt dit alles als ernstig.

Het hof acht het dan ook passend om een onvoorwaardelijke taakstraf met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.

Anderzijds houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft ook kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2019, op grond waarvan het hof de verdachte ten aanzien van de thans bewezen geachte feiten als een first offender beschouwt.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormen.

Het hof constateert echter dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 2 mei 2016 en het wijzen van dit arrest op 27 februari 2019 meer dan 2 jaren zijn verstreken. Het hof zal, dat in aanmerking nemende, de duur van de duur van de taakstraf verlagen naar 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof acht het voorts passend en geboden, deels overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aan de verdachte, gelet op de aard en ernst van de feiten, een bijkomende straf op te leggen, namelijk de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 jaren.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een uitgebreider beroepsverbod, aangezien het hof er – net als de rechtbank – van uitgaat dat de verdachte zelf geen rijexamens meer mag aanvragen en geen examinator mag zijn, terwijl het opleggen van een verbod tot het uitoefenen van zijn beroep, dat van rijinstructeur, onevenredig grote gevolgen zou hebben voor de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding van het CBR

In het onderhavige strafproces heeft het CBR zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 72.542,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 72.542,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 47, 57, 63 en 177 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 (drie) jaren.

Verklaart de benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer,

in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.