Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:471

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
22-002029-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens oplichting, valsheid in geschrift en ambtelijke corruptie door passieve omkoping (art. 363 Sr) in de zogenoemde rijbewijszaak. Een voormalige rijexaminator van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) liet zich door rijschoolhouders herhaaldelijk betalen voor het laten slagen van examenkandidaten. Verwerping beroep op (partiële) nietigheid van de dagvaarding. Overschrijding redelijke termijn. Het hof legt een gevangenisstraf op van 13 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, alsmede een beroepsverbod voor de maximale duur van 5 jaar. Ook moet de verdachte een deel van de onderzoekskosten van het CBR betalen. Ingevolge art. 6:96, tweede lid onder b, BW komt als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen (HR 22 april 2008, NJ 2008/468).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002029-16

Parketnummer: 09-808906-14

Datum uitspraak: 27 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1951,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het op 13 december 2016, 30 januari 2019 en 13 februari 2019 gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ter zake van feit 1 partiële nietigheid van de tenlastelegging bepleit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat het gedachtestreepje ‘één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen, terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd’ op twee verschillende manieren kan worden uitgelegd, namelijk enerzijds dat het examen niet juist/volledig is aangeboden en anderzijds dat het examen niet juist/volledig is afgelegd. Het is niet geheel duidelijk wat de verdachte wordt verweten, aldus de raadsman.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Onder 1 wordt de verdachte - onder meer en voor zover hier van belang - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) door als examinator kandidaten voor het rijexamen tegen betaling te laten slagen (en dit door te geven aan het CBR), terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd’. Naar het oordeel van het hof laat de tenlastelegging bezien in samenhang met het onderliggende dossier geen andere conclusie toe dan dat aan de verdachte duidelijk geweest moet zijn welk verwijt hem hiermee wordt gemaakt en is de dagvaarding, ook voor zover deze het dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde betreft, voldoende geconcretiseerd. Daarbij komt dat de verdachte er op geen enkel moment en op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven niet te hebben geweten wat hem wordt verweten. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat bovengenoemd gedachtestreepje inderdaad kan worden uitgelegd als het door hem, verdachte, ‘een oogje dichtknijpen’ tijdens het rijexamen en als het kiezen en rijden van een makkelijke route.

Het hof is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging ter zake van feit 1 voldoende duidelijk is en in zoverre voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. Het verweer wordt verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal (197), in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan het CBR voorgedaan als een bonafide en/of onafhankelijke en/of onpartijdige examinator terwijl hij

- afspraken had gemaakt met rij-instructeur(s) en/of kandida(a)ten en/of rijschoolhouder(s) over de data en/of tijden en/of locaties waar hij examens zou afnemen en/of - één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, ook als zij niet over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikten en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, terwijl zij het examen in een auto met automaat hadden gereden, zonder daar melding van te maken en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen, terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd en/of

- één of meerdere kandidaten liet zakken, terwijl zij wel over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n) en/of

(vervolgens) aan het CBR via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel heeft doorgegeven/verwerkt dat die kandidaten waren geslaagd voor dat rijexamen,

waardoor het CBR (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) een bewijs van behalen rijexamen en/of een document van geschiktheid voor het categorie B-rijbewijs (personenauto) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door (telkens) valselijk via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel aan het CBR door te geven dat een kandidaat was geslaagd voor het rijexamen

- terwijl sprake was van een oplichting en/of omkoping met betrekking tot het behalen van het rijexamen en/of

- terwijl de betreffende kandidaat niet voldeed aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft verdachte geld aangenomen voor het laten slagen van die kandidaten,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als examinator van het CBR, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten 500 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte werd gedaan, verleend of werd aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldeden aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en dat – te dien aanzien opnieuw rechtdoende - de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot de ontzetting van het recht tot uitoefening van de beroepen van rijinstructeur, rijschoolhouder en rij-examinator voor de duur van 5 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, eerste en tweede cumulatief, ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgreepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft bewogen tot de afgifte van een groot aantal (197), in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

zich aan het CBR voorgedaan als een bonafide en/of onafhankelijke en/of onpartijdige examinator terwijl hij

- afspraken had gemaakt met rij-instructeur(s) en/of kandida(a)ten en/of rijschoolhouder(s) over de data en/of tijden en/of locaties waar hij examens zou afnemen en/of - één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, ook als zij niet over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikten en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen voor het rijexamen, terwijl zij het examen in een auto met automaat hadden gereden, zonder daar melding van te maken en/of

- één of meerdere kandidaten tegen betaling liet slagen, terwijl zij het (officiële) examen niet (volledig en/of juist) hadden afgelegd en/of

- één of meerdere kandidaten liet zakken, terwijl zij wel over het gewenste en/of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n) en/of

(vervolgens) aan het CBR via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel heeft doorgegeven/verwerkt dat die kandidaten waren geslaagd voor dat rijexamen,

waardoor het CBR (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) een bewijs van behalen rijexamen en/of een document van geschiktheid voor het categorie B-rijbewijs (personenauto) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door (telkens) valselijk via een tablet en/of computer en/of ander communicatiemiddel aan het CBR door te geven dat een kandidaat was geslaagd voor het rijexamen,

-terwijl sprake was van een oplichting en/of omkoping met betrekking tot het behalen van het rijexamen en/of

- terwijl de betreffende kandidaat niet voldeed aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examenimmers heeft verdachte geld aangenomen voor het laten slagen van die kandidaten,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2:
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van of omstreeks 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of de provincie Utrecht en/of in de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als examinator van het CBR, (telkens) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten 500 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte werd gedaan, verleend of werd aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van ééeen of meerdere kandidaaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaaten niet voldeeden aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd.

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich aan een drietal feiten schuldig gemaakt, te weten oplichting van het CBR, het plegen van valsheid in geschrift en het zich als ambtenaar, namelijk als rijexaminator, laten omkopen door rijexaminatoren of rijschoolhouders.

De verdachte heeft zich aan het CBR als bonafide rijexaminator voorgedaan en kandidaten – tegen betaling - laten slagen voor hun rijexamen, en/of terwijl die kandidaten het officiële examen niet volledig en/of juist hadden afgelegd. Daarmee heeft de verdachte het CBR bewogen categorie B-rijbewijzen af te geven, terwijl er sprake was van oplichting en omkoping. De verdachte heeft in strijd met zijn plicht geldbedragen aangenomen en de desbetreffende kandidaten vervolgens voor hun rijexamen laten slagen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het CBR in hem stelde en heeft hij zich kennelijk alleen laten leiden door geldelijk gewin. De verdachte heeft ook het vertrouwen beschaamd dat burgers mogen stellen in ambtenaren en de door hen uit te voeren publieke taak in het algemeen en in ambtenaren van het CBR in het bijzonder. Daarmee heeft hij schade toegebracht aan de publieke orde en het algemeen belang. Hij heeft daarenbij een groot goed op het spel gezet, namelijk de verkeersveiligheid. Het hof beoordeelt dit alles als schokkend en ernstig.

Bij de bepaling van de op te leggen straf neemt het hof voorts nog het volgende in overweging.

Enerzijds hecht het hof eraan de ernst van de feiten, als overwogen, nadrukkelijk tot uitdrukking te brengen in de op te leggen straf. De verdachte heeft de rijschoolhouders actief benaderd om onder één hoedje te spelen en heeft zich gedurende een lange periode, namelijk ruim drieënhalf jaar, schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten. In de tussentijd is hij niet tot inkeer gekomen. De feiten hebben betrekking op een groot aantal rij-kandidaten. Geenszins is sprake van een incident. De verdachte heeft door zijn handelen juist de kern van zijn taak verzaakt en daarmee, zoals al overwogen, de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Hij heeft niet alleen de goede naam van het CBR, maar ook van andere collega’s in de branche schade berokkend. Voorts is sprake van forse financiële schade voor het CBR. Al met al gaat het om een vorm van ambtelijke corruptie die naar het oordeel van het hof streng bestraft dient te worden.

Gelet op vorenstaande acht het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal in beginsel passend.

Anderzijds neemt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf – in het voordeel van de verdachte – de volgende omstandigheden in aanmerking. De verdachte heeft nagenoeg volledig meegewerkt aan het onderhavige onderzoek. Hij heeft een open proceshouding aangenomen en, onder andere ter terechtzitting in hoger beroep, spijt betuigd en laten blijken inmiddels het laakbare van zijn handelen in te zien. Hij heeft zich langdurig vrijwillig laten behandelen bij De Waag. Door het gebeurde heeft de verdachte zijn baan verloren, hetgeen de nodige financiële consequenties heeft gehad en lijden zijn relatie en zwakke gezondheid sterk onder de strafzaak.

Het hof heeft ook gezien dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

9 januari 2019, voor het overige nimmer met politie of justitie in aanraking is geweest.

Verder houdt het hof rekening met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten en het feit dat de verdachte al in december 2016 te kennen heeft gegeven zijn zaak te willen afdoen. De behandeling van de strafzaak van de verdachte is vervolgens door niet aan hem te wijten omstandigheden uitgesteld, waardoor de behandeling in hoger beroep uiteindelijk bijna drie jaar heeft moeten duren.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in verband met de genoemde strafmatigende factoren een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.

Het hof onderschrijft echter het standpunt van de raadsman, inhoudende dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 29 april 2016 en het wijzen van dit arrest op 27 februari 2019 meer dan 2 jaren zijn verstreken. Het hof zal, dat in aanmerking genomen, een gevangenisstraf opleggen van 13 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

Het hof acht het voorts passend en geboden, deels overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aan de verdachte, gelet op de aard en ernst van de feiten en ter bescherming van de maatschappij, ter zake van het bewezenverklaarde een bijkomende straf op te leggen, namelijk de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rij-examinator voor de duur van 5 jaren. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in die hoedanigheid heeft begaan. Het hof ziet geen aanleiding ook voor de andere door de advocaat-generaal genoemde beroepen een ontzetting op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding van het CBR

In het onderhavige strafproces heeft CBR zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 212.463,39, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 212.463,39, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door de raadsman, namens de verdachte, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen betwist.

Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen die schade in aanmerking komt die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit (artikel 361, tweede lid onder b, Sv). Indien daarvan sprake is komen ingevolge art. 6:96, tweede lid onder b, BW als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking, redelijke kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen (HR 22 april 2008, NJ 2008/468).

Gelet op de in casu ontstane verdenking dat sprake was van fraude/omkoping van een examinator heeft het CBR naar het oordeel van het hof – mede gelet op de gevoelige aard van de verdenking - in alle redelijkheid eerst zelf onderzoek kunnen laten doen door [bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche, alvorens de politie in te schakelen. De daarmee gemoeide kosten komen het hof – in ieder geval voor zover het na te noemen bedrag betreft - ook niet onredelijk voor. Dat het CBR bij een vermoeden van fraude/omkoping kosten zou gaan maken om deze fraude op te sporen was overigens ook zonder meer voorzienbaar, ook voor de verdachte.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 11.153,35 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.

Voor de berekening van dit bedrag sluit het hof aan bij hetgeen als subsidiair standpunt door de raadsman naar voren is gebracht. Het hof merkt daarbij op dat in elk geval als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt de kosten voor het fraudeonderzoek van [bedrijfsrecherche] (= € 23.249,32), waarop – overeenkomstig hetgeen door de raadsman is bepleit – de volgende bedragen in mindering worden gebracht:

  • -

    € 7.117,03, te weten de kosten van het onderzoek door [bedrijfsrecherche] zoals uitgevoerd na het doen van de aangifte op 14 augustus 2014, alsmede

  • -

    € 4.978,94, te weten de kosten voor de observaties in Den Helder. Het hof komt daarmee op de volgende berekening:

Rapport [bedrijfsrecherche]: € 23.249,32

Kosten in - € 7.117,03

mindering: € 4.978,94

----------

= € 11.153,35

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 11.153,35 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer CBR

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 11.153,35 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer CBR.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 29, 36f, 57, 225, 326, 339 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, eerste en tweede cumulatief, en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde van het recht tot uitoefening van het beroep van rij-examinator voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij CBR ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.153,35 (elfduizend honderddrieënvijftig euro en vijfendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige

niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd CBR, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.153,35 (elfduizend honderddrieënvijftig euro en vijfendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 augustus 2014.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer,

in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.