Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:467

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.212.521/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte, aanwezigheid hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.212.521/01

Rolnummer rechtbank : 5646678 VV EXPL 17-18

arrest van 29 januari 2019 in de hoofdzaak en in het incident tot schorsing

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in de hoofdzaak en eiseres in het incident,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

Stichting Maasdelta Groep,

gevestigd te Spijkenisse,

geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,

hierna te noemen: MDG,

advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse.

1 Het geding

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot dat moment naar het arrest van 18 april 2017, waarin een comparitie van partijen is bevolen. De comparitie heeft niet plaats gevonden. [appellante] heeft bij memorie van grieven van 29 augustus 2017 drie grieven aangevoerd tegen het kort geding vonnis van 23 februari 2017 (het bestreden vonnis). Bij memorie van antwoord (met één productie) heeft MDG deze grieven bestreden. Daarna is arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

De feiten die de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld zijn niet in geschil. Het hof gaat van deze feiten uit. Het gaat om het volgende.

2.2.

Tussen [appellante] en MDG is op 24 augustus 2011 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning aan de [adres] (het gehuurde). Op 12 november 2016 is in het gehuurde een hennepkwekerij aangetroffen. [appellante] heeft vervolgens via een formulier op internet schriftelijk de huur opgezegd tegen 28 december 2016. Bij brief van 28 november 2016 heeft MDG de huuropzegging bevestigd. [appellante] heeft vanaf november 2016 geen huur betaald, zodat in de periode tot en met januari 2017 een huurachterstand van € 1.909,98 is ontstaan.

Het geschil en de beslissingen in eerste aanleg en in de bodemzaak

2.3.

MDG heeft bij exploot van 23 december 2016 een bodemprocedure aanhangig gemaakt. MDG heeft in die bodemprocedure – samengevat – primair gevorderd te verklaren voor recht dat [appellante] de huurovereenkomst tegen 28 december 2016 heeft opgezegd, dat de huurovereenkomst daarmee op 28 december 2016 eindigt en dat [appellante] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde per 28 december 2016. Subsidiair heeft MDG – samengevat – gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en [appellante] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen één week na dagtekening van het vonnis.

2.4.

MDG heeft vervolgens bij exploot van 24 januari 2017 dit kort geding aanhangig gemaakt. In dit kort geding heeft MDG – samengevat – gevorderd [appellante] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen en, na vermeerdering van eis, tot betaling van een voorschot van € 1.500,00 met betrekking tot de huurachterstand, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

2.5.

Op 23 februari 2017 heeft de kantonrechter in kort geding geoordeeld dat los van de vraag of de huurovereenkomst door middel van de opzegging door [appellante] is beëindigd, de onweersproken huurachterstand en de in het gehuurde ontdekte hennepkwekerij een zodanig ernstige tekortkoming van [appellante] in de nakoming van de huurovereenkomst opleveren dat de kans zeer groot is dat de huurovereenkomst in de bodemprocedure zal worden ontbonden. Het is, zo oordeelde de kantonrechter, gerechtvaardigd om op de beslissing in de bodemprocedure vooruit te lopen en de gevorderde ontruiming toe te wijzen. De kantonrechter heeft [appellante] – samengevat – veroordeeld (1) tot ontruiming van het gehuurde uiterlijk op 30 april 2017, (2) tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan MDG bij wijze van voorschot met betrekking tot de huurachterstand en (3) in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van dit vonnis is [appellante] in hoger beroep gekomen. Dit heeft geresulteerd in deze procedure.

2.6.

Op 2 juni 2017 heeft de kantonrechter te Rotterdam uitspraak gedaan in de bodemprocedure tussen partijen. De kantonrechter heeft – voor zover van belang – (1) voor recht verklaard dat de tussen [appellante] en MDG bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde op 28 december 2016 is geëindigd en (2) [appellante] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.

Beoordeling in hoger beroep van het kort geding vonnis van 23 februari 2017

2.7.

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een tekortkoming die, vooruitlopende op de bodemprocedure, de ontruiming rechtvaardigt. De tweede grief komt op tegen de termijn waartegen de kantonrechter de ontruiming heeft vastgesteld. De derde grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling. De grieven van [appellante] strekken tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van MDG, met veroordeling van MDG in de proceskosten.

2.8.

In de memorie van antwoord heeft MDG aangevoerd dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het bodemvonnis van 2 juni 2017. MDG heeft aangevoerd dat dit tot gevolg heeft dat [appellante] na 28 november 2016 (bedoeld is: 28 december 2016) geen enkel recht meer kan ontlenen aan de huurovereenkomst. MDG heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellante], omdat [appellante] geen belang meer heeft bij haar hoger beroep.

2.9.

Het hof stelt voorop dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening, nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de bodemzaak heeft gewezen, in beginsel zijn uitspraak moet afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis, ongeacht of dit een tussenvonnis of een eindvonnis is, en ongeacht of de beslissingen in de overwegingen of in het dictum van het bodemvonnis staan. Niet relevant is of het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft; als een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld mag de kortgedingrechter de kans van slagen van het rechtsmiddel niet bij zijn voorlopige oordeel betrekken. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden aanvaard als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015). Deze regel geldt ook ten aanzien van het hoger beroep in kort geding.

2.10.

Verder is het vaste rechtspraak dat de proceskostenveroordeling in eerste instantie voldoende belang vormt om in hoger beroep te worden ontvangen (HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1272), zodat het hof hoe dan ook dient te onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toegewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661).

2.11.

Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt in dit hoger beroep, ongeacht of er hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de bodemrechter van 2 juni 2017, dat de huurovereenkomst op 28 december 2016 is geëindigd. Dit betekent dat de vordering tot ontruiming in kort geding op 23 februari 2017 terecht is toegewezen, ook al is dat op een andere grondslag gebeurd. Dat sprake zou zijn van een uitzonderingssituatie (als bedoeld onder 2.9) is niet gesteld en ook niet gebleken. De proceskosten in kort geding in eerste aanleg zijn daarmee terecht toegewezen, zodat de derde grief van [appellante] niet slaagt. De andere grieven slagen evenmin. [appellante] heeft geen belang meer bij die grieven, omdat de ontruiming op grond van de geëindigde huurovereenkomst kon worden toegewezen.

2.12.

Ten overvloede overweegt het hof dat de kantonrechter op goede andere gronden heeft geoordeeld dat het aannemelijk was dat de ontbinding zou worden toegewezen. De door de kantonrechter genoemde onweersproken huurachterstand en de in het gehuurde ontdekte hennepkwekerij leveren, anders dan in de memorie van grieven betoogd, ook met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van [appellante] een zodanig ernstige tekortkoming op dat – vooruitlopende op de bodemprocedure – ontruiming gerechtvaardigd was. Daarbij komt dat de kantonrechter juist vanwege de persoonlijke omstandigheden van [appellante] heeft geoordeeld dat [appellante] het gehuurde pas uiterlijk 30 april 2017 diende te ontruimen, ruim 2 maanden na de datum van het vonnis. [appellante] heeft in haar memorie van grieven onvoldoende gemotiveerd waarom dit een te korte termijn zou zijn. De eerste en tweede grief van [appellante] zouden ook om die reden niet slagen.

Beoordeling in hoger beroep van het opgeworpen incident

2.13.

[appellante] heeft tegelijk met het instellen van hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv ingesteld. [appellante] heeft – samengevat – gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen en geschorst te houden gedurende de hoger beroepsprocedure.

2.14.

MDG heeft gevorderd [appellante] in haar incidentele vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen als ongegrond en niet bewezen.

2.15.

De vordering van [appellante] in het incident zal worden afgewezen nu [appellante] ook hierbij geen belang meer heeft, omdat de datum van het arrest in het incident gelijk is aan de datum van het arrest in de hoofdzaak.

Conclusie

2.16.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, nu [appellante] geen belang meer heeft bij vernietiging van de veroordeling tot ontruiming op grond van een toerekenbare tekortkoming en de in het vonnis gegeven proceskostenveroordeling juist is. Het hof zal de incidentele vordering van [appellante] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep in het incident en in de hoofdzaak veroordelen.

Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak

- bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

in het incident

- wijst de vordering van [appellante] in het incident af;

in de hoofdzaak en in het incident

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van MDG in het incident en in de hoofdzaak tot aan deze uitspraak begroot op € 716,00 voor verschotten en op € 1.138,50 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, J.J. van der Helm en K.J. van den Herik en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.