Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:451

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
22-002778-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin. Nadat de verdachte op WhatsApp een filmpje van zijn ex-vriendin en haar nieuwe vriend had gezien, is hij woedend met een vuurwapen naar haar woning gegaan om haar de waarheid te zeggen. Hij is ongevraagd haar woning ingegaan, heeft haar aldaar in het bijzijn van anderen geslagen en is de woning weer uitgegaan. Aangeefster is hem gevolgd, waarna de verdachte in het trappenhuis bij haar woning zijn pistool heeft gepakt en haar van korte afstand in het bovenbeen heeft geschoten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002778-18

Parketnummer: 10-661187-17

Datum uitspraak: 5 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1986,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep gedetineerd in de [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 februari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, impliciet primair, en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is ten aanzien van het beslag beslist zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 09 juli 2017 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op/in de richting van die [aangeefster] (waarbij die [aangeefster] in haar been werd geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 09 juli 2017 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Ceská zbrojovka, type 83, kaliber 9x17 mm en/of 12 bijbehorende kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot) voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt, reeds omdat de tenlastelegging op de grondslag waarvan in eerste aanleg is beraadslaagd ter zake van het tenlastegelegde onder 2., blijkens de weergave daarvan in het vonnis niet overeenstemt met de tekst van de tenlastelegging zoals deze luidt volgens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zoals daarvan blijkt uit de respectieve processen-verbaal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 09 juli 2017 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op/in de richting van die [aangeefster] (waarbij die [aangeefster] in haar been werd geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 09 juli 2017 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Ceská zbrojovka, type 83, kaliber 9x17 mm en/of 12 bijbehorende kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot) voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking van een verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen, betoogd dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangeefster ontbreekt, omdat de verdachte slechts een ongericht waarschuwingsschot heeft gelost.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, terwijl hij onderaan een 8 treden tellend trapdeel van een in een woonflat gelegen trap stond, een zich in zijn hand(-en) bevindend vuurwapen in trap-opwaartse richting heeft afgevuurd en dat aangeefster [aangeefster], die zich naar de verdachte wist bovenaan dit trapdeel bevond, door dit afgevuurde schot is geraakt.

Gegeven de wetenschap van de verdachte over de plaats waar [aangeefster] zich bevond, laat de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangeefster] door het schot dat hij wilde afvuren werd geraakt.

Dat de verdachte heeft verklaard ongericht te hebben geschoten doet daaraan niet af, gegeven de omstandigheid dat hij schoot in de richting van de plaats waar [aangeefster] zich, op korte afstand van hem, bevond. Door ongericht in haar richting te schieten heeft de verdachte juist de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangeefster] in een vitaal lichaamsdeel zou worden getroffen. Het hof beschouwt als van algemene bekendheid dat het menselijk lichaam talrijke organen bevat waarvan perforatie door een met een vuurwapen afgeschoten kogel, de aanmerkelijk kans te weeg brengt dat de getroffene daardoor overlijdt. Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen dan ook af dat de verdachte minst genomen met voorwaardelijk opzet op overlijden van [aangeefster] heeft gehandeld.

Het hof verwerpt het verweer.

Kwalificatie

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Feit 1

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde primair op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, subsidiair dat hem een beroep toekomt op noodweerexces en meer subsidiair op putatief noodweer(exces), zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte voelde zich bedreigd omdat aangeefster met een mes van boven achter hem aankwam terwijl van beneden vanuit de portiekdeur meerdere mannen, waaronder de nieuwe vriend van aangeefster, naar boven kwamen gerend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Behoudens de verklaring van de verdachte, bevat het dossier geen enkele feitelijke aanwijzing dat aangeefster de verdachte met een mes heeft achtervolgd. Dat het dossier verklaringen bevat inhoudende dat zij zou hebben geroepen “pak die mes” of woorden van gelijke strekking, wat er veeleer op wijst dat de verdachte in elk geval niet van het slachtoffer had te duchten dat hij met een mes zou worden bejegend, of dat de verdachte bij eerdere ruzies door haar met een mes is bewerkt, doet daaraan niet af. Voor de omstandigheid dat de verdachte rekening hield met een versperring van zijn uitweg uit de flat, omdat er mannen via de trap naar boven zouden komen gerend, of met een vuurwapen aan hun zijde, heeft het hof, behoudens de verklaring van de verdachte, in het dossier geen enkele feitelijke aanwijzing aangetroffen. Dat [getuige], op het moment dat hij het schot hoorde, zich op de derde trede van het eerste trapdeel trapopwaarts zou hebben bevonden, doet daaraan, gegeven de plaats waar verdachte zich bevond en hetgeen vanaf die plaats voor hem waarneembaar was, niet af.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft gepleegd in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel tegen een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Derhalve komt de verdachte geen beroep op noodweer toe.

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces reeds daarom niet.

Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer overweegt het hof dat daartoe aannemelijk dient te worden dat de verdachte niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, mede gelet op het vooroverwogene, niet aannemelijk is geworden. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte hieromtrent bij de politie en de rechtbank niet consistent heeft verklaard, waardoor het hof de lezing van de verdachte ongeloofwaardig acht. Aan voornoemd criterium is derhalve niet voldaan, zodat de verdachte geen beroep op putatief noodweer toekomt.

Nu geen sprake is geweest van putatief noodweer, slaagt het beroep op putatief noodweerexces reeds daarom niet.

Het hof verwerpt de verweren.

Feiten 1 en 2

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zijn het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin [aangeefster]. Nadat de verdachte op WhatsApp een filmpje van zijn ex-vriendin en haar nieuwe vriend had gezien, is hij woedend met een vuurwapen naar haar woning gegaan om haar de waarheid te zeggen. Hij is ongevraagd haar woning ingegaan, heeft haar aldaar in het bijzijn van anderen geslagen en is de woning weer uitgegaan. [aangeefster] is hem gevolgd, waarna de verdachte in het trappenhuis bij haar woning zijn pistool heeft gepakt en haar van korte afstand in het bovenbeen heeft geschoten. Aldus heeft de verdachte niet alleen het leven van [aangeefster] ernstig in gevaar gebracht, maar zich ook in het bijzijn van onder meer zijn eigen kind, in en bij de woning van het slachtoffer gewelddadig gedragen, terwijl een woning een plaats is waar de bewoners zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen.

Voorts neemt het hof de verdachte kwalijk dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Dergelijk bezit brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich, temeer aangezien vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting, hetgeen in de onderhavige zaak ook is gebleken.

Het hof rekent de verdachte het voorgaande te meer zwaar aan nu hij zich niet heeft ontzien om zich welbewust in een confronterende situatie te begeven zonder zijn vuurwapen achter te laten. Dat de verdachte het wapen bij zich draagt omdat hij zich door derden bedreigd voelt, doet daaraan niet af. In dat geval had hij een andere methode moeten kiezen om zijn gram jegens [aangeefster] te uiten.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2019. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van ernstige (gewelds)misdrijven, waaronder voor vuurwapenbezit, onder meer tot lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Die veroordelingen en ondergane straffen hebben hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden de onderhavige feiten te begaan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies d.d. 14 september 2018 van Reclassering Nederland, onder meer inhoudende een detentie & re-integratieplan voor de verdachte.

De reclassering schat het recidive risico in als hoog. Het hof onderschrijft die inschatting.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, het voornoemd uittreksel Justitiële Documentatie en het recidive risico, ziet het hof geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Voorwaarden, zoals in voornoemd reclasseringsadvies omschreven, kunnen aan de orde komen in het kader van een eventuele detentiefasering.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het hof zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

- 1.00 STK vuurwapen zwart CZ83.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2019.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.