Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
200.237.950/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Heeft de executeur onrechtmatig gehandeld door een bedrag van € 250.000,- aan zichzelf over te maken? Hof bekrachtigt beschikking kantonrechter dat executeur tekort is geschoten in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De executeur is in de proceskosten veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0068
JERF 2019/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 6 februari 2019

Zaaknummer : 200.237.950/01

Zaaknummer rechtbank : 6229757/EJ VERZ/17-87096

[appellant] ,

wonende te [land] , postadres te Den Haag,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: appellant,

advocaat mr. A.H. van Haga te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweersters in hoger beroep,

hierna te noemen: geïntimeerden,

advocaat mr. W. de Vries te Den Haag.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de belanghebbende,

advocaat mr. N.T. Vogelaar te ’s-Gravenzande.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Appellant is op 24 april 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 januari 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden, hierna: de bestreden beschikking.

Geïntimeerden hebben op 5 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de belanghebbende:

- op 5 juli 2018 een brief van diezelfde datum.

van de zijde van de geïntimeerden:

- op 30 november 2018 een brief van 29 november 2018 met bijlagen.

De zaak is op 14 december 2018 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de appellant, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de geïntimeerden, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de belanghebbende, bijgestaan door zijn advocaat.

Tevens is bijzondere toegang verleend aan [echtgenoot] , de echtgenoot van [geïntimeerde 1] .

De appellant en geïntimeerden hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de appellant met onmiddellijke ingang ontslag verleend als executeur van de nalatenschap van erflaatster [erflaatster] , overleden [in] 2016 te [plaats] , de moeder van partijen (hierna: erflaatster). Voorts is [vervangend executeur] , toegevoegd notaris bij [notariskantoor] in [plaats] , benoemd als vervangend executeur en is bepaald dat de appellant binnen tien dagen na betekening van de beschikking de gehele administratie van erflaatster dient over te dragen aan [vervangend executeur] op straffe van een dwangsom. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ontslag van appellant in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap.

2. Appellant verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de inleidende verzoeken van geïntimeerden alsnog af te wijzen.

3. Geïntimeerden verweren zich daartegen en verzoeken het hof de appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel het verzoek van appellant af te wijzen, met veroordeling van appellant in de proceskosten in beide instanties.

3. Appellant voert aan dat de rechtbank hem ten onrechte ontslag heeft verleend als executeur van de nalatenschap en daartoe ten onrechte heeft overwogen dat hij tekort zou zijn geschoten in zijn verplichtingen en dat er voldoende gewichtige redenen zijn om ontslag te verlenen. Appellant voert aan dat hij voortvarend te werk is gegaan in het uitoefenen van zijn taak. Deze uitoefening werd echter bezwaard en bemoeilijkt door het feit dat de onderlinge verhouding tussen de erfgenamen moeizaam was. Volgens appellant is het hem desondanks gelukt om zaken onderling te regelen, waarbij hij juist overleg met geïntimeerden heeft gezocht en hen, net als belanghebbende, heeft geïnformeerd. Appellant heeft aan alle erfgenamen een bedrag van ongeveer € 250.000,- betaalbaar willen stellen onder de voorwaarde dat de overige erfgenamen hem zouden vrijwaren van betalingsvorderingen van de belastingontvanger, omdat hij in zijn hoedanigheid van executeur jegens de fiscus wettelijk aansprakelijk is voor de betaling van de opgelegde aanslagen erfbelasting. De uitbetaling van € 250.000,- aan appellant is het bedrag dat hem in ieder geval toekomt. De betaling aan de anderen werd slechts opgehouden doordat de aangifte erfbelasting nog door de fiscus moest worden afgehandeld en hij mogelijk nog erfbelasting diende af te dragen. Voorts stelt appellant dat hij tijdig een boedelbeschrijving heeft opgesteld en tijdig de belastingaangifte heeft ingediend. Appellant begrijpt niet wat de kantonrechter niet toelaatbaar acht aan het hebben van een boedelbeschrijving voor intern en extern gebruik. Ook is de opbrengst van de verkochte vermogensbestanddelen volledig in overleg verdeeld, waarbij appellant geïntimeerden steeds op de hoogte heeft gehouden. Appellant voert aan dat hij reeds op 6 juni 2017 rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het voorgaande in combinatie met het feit dat de taak van de executeur feitelijk geëindigd is, had volgens appellant niet tot zijn ontslag kunnen en mogen leiden.

4. Geïntimeerden stellen dat een belangrijke reden en eerste pijler voor het ontslag van de appellant als executeur de overmaking van € 250.000,- van de executeur aan zichzelf betreft. Volgens geïntimeerden heeft appellant voornoemd bedrag op 12 januari 2017 aan zichzelf overgemaakt, hetgeen door geïntimeerden medio juni 2017 is ontdekt. De appellant gaf eerst als reden aan dat hij niet langer deel wilde uitmaken van de onverdeelde boedel. Later heeft appellant aangegeven dat hij bang was dat er beslag zou worden gelegd op de ervenrekening en hij dan niet de erfbelasting zou kunnen betalen. Geïntimeerden betwisten dit. Geïntimeerden stellen voorts dat het overgelegde overzicht van de appellant van 6 juni 2017 onvolledig is. Dit blijkt volgens hen uit stukken inzake de banktransacties die zij later hebben ontvangen via de bank. Zo werden bepaalde transacties niet vermeld en was tevens een ander bedrag van € 14.148,- door appellant naar zichzelf overgemaakt. Geïntimeerden merken deze voornoemde handelingen van appellant aan als een onmiskenbare ernstige fout van appellant als executeur. Het oordeel van de kantonrechter dat het de executeur in geen geval vrij stond eigenmachtig het voormelde bedrag aan de nalatenschap te onttrekken, is volgens geïntimeerden dan ook terecht. Appellant stelt als rechtvaardiging voor het alleen aan zichzelf overmaken dat hij daar in ieder geval recht op had. Geïntimeerden voeren echter aan dat dit ook voor de drie andere erfgenamen volgt aan wie hij het bedrag niet overmaakte. Uit een e-mailwisseling met [notaris] volgt dat appellant zelfs weigerde toestemming te geven voor het overmaken van de bedragen aan de andere erven. Een tweede pijler voor het ontslag is het tekortschieten in de informatieplicht die de appellant als executeur heeft. Geïntimeerden hebben geen kopie van de aangifte erfbelasting ontvangen ondanks herhaaldelijke verzoeken hieromtrent. De derde pijler ziet op het gebrek aan vertrouwen en de verstoorde verhoudingen. Het is volkomen terecht dat de kantonrechter appellant als executeur heeft ontslagen. Voorts merken geïntimeerden op dat de boedelbeschrijving zeer summier was en niet bleek te kloppen. De stelling van appellant dat hij zijn taak heeft afgerond, is niet waar.

5. De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de erven in onderling overleg, onder begeleiding van een procesbegeleider, tot een oplossing moeten komen. De belanghebbende is van mening dat appellant hierin, mede gezien zijn kennis van het dossier, een actieve rol zal dienen te hebben, al dan niet in zijn rol van executeur.

6. Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of appellant nog een belang heeft bij de procedure in hoger beroep nu de werkzaamheden van de executeur inmiddels reeds zijn afgerond, zoals het hof afleidt uit het overlegde e-mailbericht van de executeur van 27 juni 2018. Immers, de vernietiging van de bestreden beschikking zal er niet toe kunnen leiden dat appellant wordt hersteld in zijn hoedanigheid als executeur van de nalatenschap. Ter zitting is door appellant desgevraagd aangevoerd dat zijn belang erin is gelegen dat - zo begrijpt het hof - handhaving van de bestreden beschikking ertoe kan leiden dat appellant aansprakelijk wordt gesteld op basis van onzorgvuldig handelen. Naar het oordeel van het hof ligt hierin een voldoende belang van appellant, hetgeen leidt tot de ontvankelijkheid van appellant in hoger beroep.

7. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat de taak van de executeur onder meer eindigt wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid en door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent (artikel 4:149 lid 1 aanhef en onder a en f BW). Het ontslag wordt hem verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, zulks op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve (artikel 1:149 lid 2 BW).

8. Het hof oordeelt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de kantonrechter op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in het bijzonder nog in aanmerking dat het enkele feit dat appellant in zijn hoedanigheid als executeur zonder medeweten van de andere erfgenamen een bedrag van € 250.000,- aan zichzelf heeft overgemaakt een gewichtige reden voor ontslag oplevert. De door appellant aangevoerde reden voor deze overmaking biedt naar het oordeel van het hof geenszins een rechtvaardiging voor zijn handelen. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen.

9. Als de in het hoger beroep ongelijk te stellen partij zal het hof appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden zullen worden vastgesteld op € 318,- aan griffierecht en € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (tariefgroep II, 2 punten). Het hof zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Hoewel geïntimeerden ook concluderen tot veroordeling van appellant in de proceskosten in eerste aanleg, hebben zij geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitgesproken compensatie van proceskosten in de bestreden beschikking. Het hof komt dan ook niet toe aan de vraag of aanleiding bestaat om appellant in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg te veroordelen.

10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 318,- voor verschotten en op € 2.148,- salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, S.H.M. van der Heiden en

A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. I. Kroezen als griffier en uitgesproken ter terechtzitting van 6 februari 2019.