Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3958

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
200.249.356/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil over kwijtscheldingsbeschikking van de Belastingdienst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-11-2020
FutD 2020-3547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.249.356/01

Rolnummer rechtbank : C/09/561594 / KG ZA 18/1081

arrest van 20 augustus 2019

inzake

1. [naam] Holding B.V.,

gevestigd te Moordrecht,

2. [naam] Engineering B.V.,

gevestigd te Moordrecht,

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna tezamen te noemen [appellant] (mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk [Holding] , [Engineering] en [appellant 3] ,

advocaat: mr. M.G. van den Boogerd te Rotterdam,

tegen

De Ontvanger van de Belastingdienst / Midden- en kleinbedrijf,

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 5 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 2 november 2018 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het bestreden vonnis). In het exploot heeft [appellant] zijn grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grieven bestreden. Hierna heeft [appellant] nog een akte genomen waarop de Ontvanger heeft gereageerd bij antwoordakte. Vervolgens heeft de Ontvanger de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

De feiten

1. De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis genoemde feiten zijn niet in geschil. Met inachtneming daarvan, en van hetgeen verder aannemelijk is geworden, gaat het in deze zaak om het volgende.

2. [Engineering] is een ingenieursadviesbureau. [Holding] is bestuurder en enig aandeelhouder van [Engineering] . [appellant 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [Holding] .

3. Aan de zijde van [Engineering] en [Holding] zijn sinds 2011 aanzienlijke schulden met betrekking tot loonbelasting en omzetbelasting ontstaan, waaronder begrepen een aansprakelijkheidsschuld voor de omzetbelasting van de door deze vennootschappen gevormde fiscale eenheid. In verband met de belastingschulden heeft de Ontvanger diverse dwangbevelen uitgevaardigd en - toen betaling uitbleef - invorderingsmaatregelen jegens [appellant] getroffen, bestaande uit conservatoire en executoriale beslagen. Partijen hebben vóór maart 2018 diverse malen getracht onderling tot een minnelijke oplossing te komen. Steeds bleek het echter voor [appellant] niet mogelijk om zijn betalingstoezeggingen na te komen.

4. Bij brief van 29 maart 2018 heeft de Ontvanger – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld aan de fiscaal advocaat van [appellant] , mevrouw mr. P. de Haas (hierna: mr. De Haas):

In het overleg van 28 maart 2018 tussen uw cliënten en de Belastingdienst hebben wij gesproken over de afwikkeling van de schuldpositie van [Holding] B.V., [Engineering] B.V. en de Fiscale eenheid omzetbelasting [appellant]

(...)

Ik heb, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, besloten uw cliënten gedeeltelijk kwijtschelding te verlenen voor het openstaande bedrag op de in de bijlagen genoemde aanslagen. Na betaling van een bedrag van € 750.000 zal de restschuld worden kwijtgescholden. Het bedrag van € 750.000 wordt betaald in twee termijnen.

(...)

Betaling in twee termijnen

De 1e betaling van € 128.000 (schuld 2017) moet worden overgemaakt op bankrekening (...) van de Belastingdienst (...). Deze betaling moet uiterlijk op 5 april 2018 zijn bijgeschreven. De 2e betaling ad € 622.000 moet uiterlijk op 20 april 2018 zijn bijgeschreven op bankrekening (...) van de Belastingdienst (…).”

Deze brief wordt hierna aangeduid als ‘de kwijtscheldingsbeschikking’.

5. Op 6 april 2018 is van de zijde van [appellant] een bedrag van € 28.000,-- aan de Ontvanger betaald. In een e-mailbericht van dezelfde datum heeft mr. De Haas aan de Ontvanger meegedeeld dat [appellant] niet in staat is om de volledige eerste termijn van de kwijtscheldingsbeschikking tijdig te betalen. De Ontvanger deelt haar daarop in een e-mailbericht nog diezelfde dag mee:

“Eens te meer is gebleken dat uw cliënt zich niet houdt aan gedane toezeggingen en

afspraken. De voorwaarden in de beschikking waren duidelijk, de betaaldata van de

termijnbetalingen zijn door uw cliënt zelf voorgesteld. De toezegging van 29 maart jl. om gedeeltelijk kwijtschelding te verlenen is hiermee komen te vervallen. De ontvanger zal voor de gehele schuld het invorderingstraject hervatten.”.

6. Bij vonnis van 24 april 2018 is [Holding] naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Ontvanger in staat van faillissement verklaard.

7. Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen het faillissement van [Holding] heeft de Ontvanger de mogelijkheid geboden om alsnog het in de kwijtscheldingsbeschikking genoemde bedrag binnen twee weken (te weten vóór 4 juli 2018) te voldoen.

8. In een e-mailbericht van 4 juli 2018 heeft de Ontvanger het volgende aan de advocaat van [appellant] meegedeeld:

“Inmiddels is duidelijk geworden dat [Holding] B.V. in ieder geval de

Belastingdienst onbetaald heeft gelaten. Bij de zitting van 19 april (19 juni, hof) jl. heb ik u aangegeven dat de ontvanger alleen na ontvangst van de betaling van het bedrag van € 722.000 vóór 4 juli de toezegging in de voorwaardelijke beschikking van 29 maart 2018 gestand zou doen. Voor de volledigheid en om misverstanden te voorkomen bevestig ik hierbij dat de toezegging om een deel van de schuld van het [appellant 3] -concern kwijt te schelden thans definitief is komen te vervallen.”

9. Bij arrest van 10 juli 2018 heeft het gerechtshof Den Haag het in overweging 6 genoemde vonnis vernietigd en het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [Holding] afgewezen in verband met het ontbreken van pluraliteit van schuldeisers. De Ontvanger heeft hierop de invordering van de belastingschulden van [appellant] weer opgepakt.

10. [appellant] heeft de Ontvanger herhaaldelijk verzocht om de regeling opgenomen in de kwijtscheldingsbeschikking (alsnog) toe te passen. De Ontvanger heeft aan [appellant] hierop steeds meegedeeld daarvoor geen aanleiding te zien. Vervolgens heeft [appellant] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

De vordering in eerste aanleg en de beslissing van de voorzieningenrechter

11. [appellant] vorderde in eerste aanleg (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de Ontvanger te veroordelen tot medewerking aan de tenuitvoerlegging van de in de kwijtscheldingsbeschikking vastgelegde regeling;

  • -

    de Ontvanger te veroordelen om alle ten laste van [Holding] , [Engineering] en/of [appellant 3] gelegde beslagen op te heffen;

  • -

    indien en voor zover daartoe aanleiding bestaat zodra de regeling tussen partijen volledig is nageleefd, de Ontvanger te veroordelen de reeds genomen invorderingsmaatregelen op te schorten en de Ontvanger te verbieden nieuwe invorderingsmaatregelen te nemen;

  • -

    de Ontvanger te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief de nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente.

De Ontvanger heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

12. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hiertoe heeft hij (samengevat) overwogen dat de kwijtscheldingsbeschikking als voorwaarde voor de kwijtschelding stelde dat [appellant] het bedrag van € 750.000,-- tijdig zou betalen. Dit heeft hij nagelaten. De Ontvanger heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de toezegging om de restschuld kwijt te schelden, is komen te vervallen. Dat niet expliciet in de kwijtscheldingsbeschikking is vermeld dat deze bij niet-tijdige betaling vervalt en dat de volledige belastingschuld dan weer opeisbaar wordt, maakt dit niet anders nu dit een logisch gevolg is van het niet langer kwijtschelden van de restschuld. Uit het feit dat de Ontvanger [appellant] een aantal malen in gelegenheid heeft gesteld om het in de kwijtscheldingsbeschikking genoemde bedrag (alsnog) te voldoen, heeft [appellant] niet mogen afleiden dat de Ontvanger hiertoe ook nadien nog bereid zou blijven. Niet valt in te zien op grond waarvan de Ontvanger op dit moment gehouden zou zijn om mee te werken aan de in de kwijtscheldingsbeschikking vastgelegde regeling en/of opheffing van de gelegde beslagen en zich zou moeten onthouden van invorderingsmaatregelen. Dit geldt te meer omdat [appellant] ook lopende belastingverplichtingen niet (volledig) heeft voldaan, hij de fiscus door het onbetaald laten van belastingschulden heeft gebruikt als kredietverlener en er aanzienlijke bedragen zijn onttrokken aan [Holding] en [Engineering] .


De vordering in hoger beroep en de grieven

13. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van de Ontvanger tot terugbetaling met wettelijke rente van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan en met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten van beide instanties inclusief de nakosten.

14. De bezwaren van [appellant] tegen het bestreden vonnis komen erop neer dat de Ontvanger volgens [appellant] ook op dit moment nog gehouden is de belastingschulden van [appellant] kwijt te schelden zodra hij € 750.000,-- betaalt. De grieven, die niet als zodanig worden benoemd en genummerd, laten zich als volgt samenvatten. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de regeling in de betalingsbeschikking voorwaardelijk is en dat deze als gevolg van niet-tijdige betaling is vervallen. Met de tweede grief betoogt [appellant] dat hij, op grond van het feit dat de Ontvanger na het aflopen van de betalingstermijnen verschillende keren bereid is geweest om de in de kwijtscheldingsbeschikking opgenomen regeling te verlengen, erop mocht vertrouwen dat kwijtschelding ook zou plaatsvinden indien het vastgestelde bedrag van € 750.000,-- na die verlengde termijn alsnog zou worden voldaan. De derde grief is gericht tegen het oordeel dat de Ontvanger op dit moment niet gehouden is om mee te werken aan kwijtschelding conform de in de kwijtscheldingsbeschikking opgenomen regeling.

De beoordeling van het hoger beroep

15. De eerste vraag is of de kwijtscheldingsbeschikking onvoorwaardelijk is en dus ook nog geldt nadat de daarin opgenomen betalingstermijnen zijn verlopen. Het hof stelt voorop dat een besluit als de kwijtscheldingsbeschikking duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn geformuleerd zodat degene tot wie het besluit is gericht weet waar hij aan toe is. Artikel 26.1.5. van de Leidraad Invordering 2008 bepaalt verder dat als de Ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, hij die voorwaarden in de beschikking opneemt. De kwijtscheldingsbeschikking vermeldt dat kwijtschelding wordt verleend na betaling van € 750.000,-- en dat betaling moet plaatsvinden in twee termijnen met bijbehorende uiterste betaaldata. Het hof is van oordeel dat dit redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan dat kwijtschelding wordt verleend onder de voorwaarde dat de twee termijnen vóór de uiterste betaaldata zijn voldaan. Het feit dat in de kwijtscheldingsbeschikking niet expliciet is opgenomen dat de hierin vermelde regeling zou vervallen als [appellant] niet tijdig zou voldoen aan de gestelde betalingsvoorwaarden doet hier niet aan af: ook zonder deze expliciete vermelding moet voor [appellant] duidelijk zijn geweest dat de kwijtscheldingsregeling zou vervallen als niet tijdig zou worden betaald. Gelet hierop was een afzonderlijk intrekkingsbesluit niet nodig. De eerste grief slaagt dus niet.

16. Vast staat dat de Ontvanger na het verstrijken van de in de kwijtscheldingsbeschikking gestelde betalingstermijnen, tijdens de daarop gevolgde faillissementsprocedure, de kwijtscheldingsregeling heeft verlengd. De Ontvanger heeft een laatste mogelijkheid gegeven om van deze regeling gebruik te maken, onder de voorwaarde dat het totale bedrag van € 750.000,-- uiterlijk 3 juli 2018 betaald zou zijn. Het vertrouwen dat [appellant] hieraan mocht ontlenen strekt niet verder dan dat de Ontvanger de toezegging tot kwijtschelding tot deze datum gestand zou doen. Aan het feit dat de Ontvanger de regeling tijdens de faillissementsprocedure nog heeft verlengd, mocht [appellant] niet het vertrouwen ontlenen dat de Ontvanger ook daarna nog bereid zou zijn om tegen betaling van € 750.000,-- de rest van de belastingschulden kwijt te schelden, temeer nu de Ontvanger in zijn e-mail van 4 juli 2018 in duidelijke bewoordingen heeft laten weten dat de kwijtscheldingsregeling definitief is komen te vervallen. Het voorgaande betekent dat ook de tweede grief faalt.

16. Tot slot geldt dat de Ontvanger ook niet op een andere grond gehouden is om de regeling in de kwijtscheldingsbeschikking op dit moment nog gestand te doen. Om te beginnen heeft de Ontvanger onbetwist gesteld (i) dat [appellant] op basis van de Leidraad Invordering 2008 niet (alsnog) in aanmerking komt voor uitstel van betaling en (ii) dat [appellant] ook niet voldoet aan de in artikel 21 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 gestelde voorwaarden die gelden voor kwijtschelding van belastingen voor ondernemers. Dat de Ontvanger in het verleden bereid is geweest om uit coulance kwijtschelding te verlenen, en die regeling ook nog eens heeft verlengd, betekent niet dat de Ontvanger gehouden is om die coulance nogmaals te betrachten nadat [appellant] verschillende malen zijn afspraken tot betaling niet is nagekomen. Het argument van [appellant] dat de redelijkheid en billijkheid dit wel zouden eisen, gaat niet op. [appellant] maakt ook onvoldoende duidelijk dat de Ontvanger bestuursrechtelijke beginselen (vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir) zou hebben geschonden. Hierbij geldt dat niet is gebleken dat het handelen van de Ontvanger ten opzichte van [appellant] is ingegeven door “persoonlijke frustratie en wrok”. De stelling van [appellant] dat de Ontvanger niet (meer) gemotiveerd reageert op verzoeken van [appellant] tot overleg ter zake van de belastingschulden is hiervoor eveneens onvoldoende: de Ontvanger heeft in het verleden juist vele malen met [appellant] getracht om tot een minnelijke oplossing te komen en ook de afwijzing van de voorstellen van [appellant] gedaan na het vervallen van de kwijtscheldingsbeschikking is door de Ontvanger voorzien van een motivering. Ook de derde grief faalt.

18. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • -

    wijst de vordering tot terugbetaling af;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 1.611,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, J.E.H.M. Pinckaers en P. Glazener en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.