Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3957

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
BK-19/00151
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1584
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de hoorplicht geschonden en bestaat recht op vergoeding van de werkelijke kosten van het bezwaar?

Verder zijn in geding de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, een toekenning van een vergoeding van de werkelijke kosten van het beroep en de teruggaaf van het griffierecht, vermeerderd met rente. Opmerking verdient dat uit de gedingstukken is op te maken dat de Inspecteur dan wel de Ontvanger te betalen bedragen telkens heeft vergoed met de eventueel verschuldigde rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-10-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00151

Uitspraak van 25 oktober 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 januari 2019, nr. SGR 18/2709.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor de Nederlandse registratie van een uit Duitsland afkomstige personenauto, een Audi A6 RS6, op aangifte € 15.124 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. Bij - na terugwijzing door de Rechtbank gedane - uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op aangifte gegrond verklaard en (al eerder) een teruggaaf van € 757 aan bpm verleend met een vergoeding van proceskosten van € 249.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 170 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld belanghebbende € 1.500 aan immateriële schade te vergoeden, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 501 en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 259 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De voor 18 oktober 2019 geplande mondelinge behandeling van het hoger beroep is niet doorgegaan: de gemachtigde van belanghebbende heeft bij faxbericht van 16 oktober 2019 bericht dat hij wegens verhindering niet aanwezig is bij de zitting, zonder om een zitting op een latere datum te verzoeken, en de Inspecteur heeft in reactie op dat bericht telefonisch, in aansluiting op diens e-mail van 15 oktober 2019, te kennen gegeven te hebben besloten de zitting ook niet bij te wonen. Het Hof acht zich met de stukken van het geding voldoende geïnformeerd zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

1. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar alsnog gegrond verklaard, waarbij wordt verwezen naar de eerder (ambtshalve) verleende teruggaaf van € 757.

Geschil

2. [ Belanghebbende] stelt dat de hoorplicht is geschonden en voorts dat hij recht heeft op vergoeding van de werkelijke kosten van het bezwaar. Verder verzoekt [belanghebbende] om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, om toekenning van een vergoeding van de werkelijke kosten van het beroep en om een teruggaaf van het griffierecht, vermeerderd met rente.

3. [ De Inspecteur] stelt dat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. Met betrekking tot het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding is [de Inspecteur] van mening dat er na de ambtshalve teruggaaf van Bpm op 20 juni 2017 geen sprake meer is van spanning en frustratie. Bovendien is de onderhavige zaak verknocht met de procedure over de naheffingsaanslag met zaaknummer SGR 17/3896, waarin reeds een immateriële schadevergoeding van € 2.000 is toegekend. Voorts ziet [de Inspecteur] geen aanleiding voor een vergoeding van de werkelijke kosten van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

4. [ De Inspecteur] heeft [belanghebbende] twee maal uitgenodigd voor een hoorgesprek, te weten op 19 en 22 februari 2018. Telkens werd aangegeven dat de gemachtigde en/of [A] van [bedrijf] verhinderd waren. Uiteindelijk zijn de gemachtigde en [A] , ondanks eerder bericht, wel verschenen op 19 februari 2018, maar zij weigerden om te worden gehoord. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een schending van de hoorplicht. Hierbij zij ten overvloede nog opgemerkt dat [de Inspecteur] - behoudens met de agenda van de gemachtigde - niet is gehouden rekening te houden met de agenda van een derde die in deze procedure geen partij is.

Proceskostenvergoeding voor bezwaar

5. Aan [belanghebbende] is in bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend van € 249. [Belanghebbende] is van mening dat hij op grond van het Unierecht in aanmerking komt voor vergoeding van de werkelijke kosten van het bezwaar.

6. Voor een toekenning van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is grond indien [de Inspecteur] het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ten aanzien van de voldoening op aangifte geldt dat deze plaatsvindt op initiatief van de belanghebbende en dat daarbij geen sprake is van een besluit door [de Inspecteur]. Derhalve kan niet worden gesteld dat [de Inspecteur] een besluit heeft genomen waarvan duidelijk is dat dit geen stand zal houden. De rechtbank volgt [belanghebbende] ook niet in zijn stelling dat de forfaitaire regeling van het Besluit in strijd is met het Unierecht en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929.

7. [ Belanghebbende] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire regeling zou moeten worden afgeweken en overigens is ook niet inzichtelijk gemaakt wat de werkelijke kosten zijn geweest.

Immateriële schadevergoeding

8. In zijn arresten van 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (onder meer ECLI:NL:HR:2011:BO5046). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat [de Inspecteur] het bezwaarschrift ontvangt.

9. Het bezwaarschrift is door [de Inspecteur] ontvangen op 20 maart 2014. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De spanning en frustratie eindigde naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval op het moment dat de Bpm ambtshalve werd verminderd (althans de vooraankondiging daarvan werd verstuurd), derhalve op 4 mei 2017. Vanaf dat moment was er tussen partijen geen geschil meer over de verschuldigde Bpm. Het enkele feit dat er daarna wellicht nog rente moest worden vergoed, levert, naar het oordeel van de rechtbank, geen spanning en frustratie op als bedoeld in de arresten van 10 juni 2011. Aldus is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en twee maanden. [Belanghebbende] heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding over die periode van 3 x € 500 = € 1.500. Anders dan [de Inspecteur] is de rechtbank van oordeel dat er geen verknochtheid bestaat met zaaknummer SGR 17/3896. Dat betrof een eerder door de rechtbank behandelde zaak over de ambtshalve vermindering. Weliswaar is bij de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2017 een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toegekend, maar die zag op een andere tegelijkertijd behandelde zaak (17/3914) betreffende een naheffingsaanslag BTW-auto.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De enkele omstandigheid dat een immateriële schadevergoeding wordt toegekend leidt immers niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECL1:NL:HR:2016:252, ov. 3.14.1).

Irimie-rente

11. [ Belanghebbende] stelt dat ingevolge het Unierecht over het griffierecht rente moet worden vergoed. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

12. In het Irimie arrest is onder meer overwogen:

'Bovendien moet in herinnering worden geroepen dat wanneer een lidstaat heffingen heeft toegepast in strijd met het recht van de Unie, de justitiabelen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting, maar ook van de aan die staat betaalde of door hem ingehouden bedragen die rechtstreeks met die belasting verband houden. Dit omvat mede de verliezen die het gevolg zijn van het feit dat geldsommen wegens de voortijdige verschuldigdheid van de belasting niet beschikbaar zijn.'

13. De rechtbank leidt daaruit af dat alleen recht bestaat op vergoeding van verliezen die een gevolg zijn van het feit dat het ten onrechte betaalde belastingbedrag niet beschikbaar is geweest. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor toekenning van een rentevergoeding over het griffierecht omdat dit niet een bedrag aan ten onrechte betaalde belasting betreft.

Proceskosten

14. Omdat een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5). Het gewicht van de zaak is gesteld op 0,5 (licht) (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660).

(…)"

6. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, nagenoeg dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd, gelet ook op de aannemelijk te achten weerspreking door de Inspecteur, dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins, bijvoorbeeld wat betreft de heffing van griffierecht en een vergoeding van de werkelijke proceskosten, een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Al wat belanghebbende heeft aangevoerd treft geen doel, daar zijn stellingen, zo al relevant en te volgen, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen. Opmerking verdient dat uit de stukken van het geding, het Hof verwijst onder andere naar de bijlagen bij het verweerschrift in hoger beroep, is op te maken dat de Inspecteur dan wel de Ontvanger te betalen bedragen telkens heeft vergoed met de eventueel verschuldigde rente.

8. Het Hof ziet voor deze procedure geen reden het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen voor te leggen.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 25 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.