Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3950

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2019
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
BK-19/00315
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1200
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in hoger beroep, net als voor de Rechtbank, het antwoord op de vraag in geschil of belanghebbende bij de betekening van het dwangbevel op 27 februari 2018 rechtens terecht € 12.197 aan kosten in rekening is gebracht.

Het Hof merkt op dat in alle redelijkheid niet kan worden volgehouden dat belanghebbende op het moment dat het dwangbevel is betekend in gebreke is gebleven de bedragen van de hem welgeteld drie minuten tevoren betekende aanslagen te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-07-2020
NTFR 2020/2555
NLF 2020/1674 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00315

Uitspraak van 15 november 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Ontvanger,

op het hoger beroep van de Ontvanger tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 april 2019, nr. SGR 18/4674.

Procesverloop

1.1.

De Ontvanger heeft bij beschikking van 27 februari 2018 tegen belanghebbende een dwangbevel ter versnelde invordering van zes (navorderings)aanslagen uitgevaardigd en laten betekenen en hem € 12.197 aan kosten in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar zijn de bij beschikking vastgestelde betekeningskosten gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd, de beschikking vernietigd, de Ontvanger veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.278 en de Ontvanger opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3.

De Ontvanger is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft nog gereageerd bij aan de Ontvanger op 5 september 2019 doorgezonden brief van 4 september 2019 ("nadere reactie") met 3 bijlagen en de Ontvanger bij aan belanghebbende op 18 september 2019 doorgezonden brief van 13 september 2019 ("Reactie op brief gemachtigde").

1.4.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 8 november 2019. Partijen zijn verschenen.

Feiten

2.1.

Op 5 september 2016 heeft de inspecteur een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd met betrekking tot de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) met betrekking tot de jaren 2013 tot en met 2015. Het boekenonderzoek heeft geresulteerd in correcties in de IB/PVV en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor die jaren.

2.2.

De Ontvanger heeft belanghebbende bij brief van 27 februari 2018 bericht dat hem (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2013 tot en met 2015 worden opgelegd en dat bij beschikkingen vergrijpboetes zullen worden opgelegd. De brief is belanghebbende door de belastingdeurwaarder op 27 februari 2018 om 9.50 uur in persoon betekend. De Ontvanger heeft belanghebbende voorts bij brief van 27 februari 2018 bericht dat hem dadelijk en ineens invorderbare aanslagen IB/PVV en Zvw met vergrijpboetes worden opgelegd. Belanghebbende is die brief door de belastingdeurwaarder op 27 februari 2018 om 9.54 uur in persoon betekend.

2.3.

De aanslagen zijn geformaliseerd op 27 februari 2018. De aanslagen (inclusief vergrijpboetes, revisierente en belastingrente) bedragen in totaal € 172.679. De aanslagen zijn belanghebbende door de belastingdeurwaarder op 27 februari 2018 om 9.56 uur in persoon betekend. Op elk van de aanslagbiljetten staat: "De aanslag is dadelijk en ineens invorderbaar ingevolge artikel 10, lid 1, letter B en D, juncto 15 van de Invorderingswet 1990. U moet het volledige bedrag van de aanslag dus direct betalen."

2.4.

Vervolgens heeft de belastingdeurwaarder op 27 februari 2018 om 9.59 uur belanghebbende de onderwerpelijke beschikking in persoon betekend. Op de beschikking staat dat het dwangbevel is uitgevaardigd op grond van artikel 10, eerste lid, onderdelen b en d, en artikel 15 van de Invorderingswet 1990 en dat de kosten van betekening niet zijn verschuldigd als binnen twee werkdagen na de betekening het volledige bedrag van de aanslagen wordt betaald.

2.5.

De belastingdeurwaarder heeft met betrekking tot de invordering van de ter zake van de aanslagen openstaande belastingschuld op 27 februari 2018 om 14.00 uur executoriaal beslag gelegd op de woning van belanghebbende aan de [adres] te [Q].

2.6.

De Ontvanger heeft in de periode tussen 27 februari 2018 en 2 maart 2018 geen betalingen van belanghebbende ontvangen.

2.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 2 maart 2018 bezwaar tegen de beschikking gemaakt en verzocht om uitstel van betaling. De Ontvanger heeft het uitstel op 19 maart 2018 verleend.

2.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 2 maart 2018 bezwaar tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen gemaakt. Bij de bezwaren is ook uitstel van betaling gevraagd. De Ontvanger heeft op 14 maart 2018 met het oog op het gevraagde uitstel zekerheid gevraagd voor een bedrag van € 184.876, het op de onroerende zaak gelegde beslag van 27 februari 2018 als zekerheid gedurende het uitstel aanvaard en het uitstel op 19 maart 2018 verleend. Bij uitspraken op bezwaar van 15 juni 2018 hebben diverse verminderingen plaatsgehad.

2.9.

Op 28 juni 2018 heeft belanghebbende voor de beroepsfase uitstel van betaling verzocht en ook van de Ontvanger onder de al in de bezwaarfase gestelde zekerheid verkregen.

2.10.

Bij brief van 13 september 2019 heeft de Ontvanger bericht dat - mede met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank van 16 april 2019, nummers SGR 18/4568 t/m SGR 18/4570, over de beroepen betreffende de aanslagen, de boetebeschikkingen, de beschikkingen belastingrente en de beschikking revisierente - het bedrag van de betekeningskosten is verlaagd naar € 5.729.

2.11.

De aanslagen zijn door belanghebbende volledig voldaan. De terugbetaling van de belasting door de Ontvanger in verband met de verminderingen in de uitspraken op bezwaar van 15 juni 2018 en in verband met de uitspraak van de Rechtbank van 16 april 2019 moet nog plaatsvinden.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

7. In geschil is of de in de beschikking vermelde kosten van de betekening van het dwangbevel terecht in rekening zijn gebracht.

Beoordeling van het geschil

8. Het is vaste rechtspraak dat alleen kosten van vervolging in rekening kunnen worden gebracht indien de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen (vgl. Hoge Raad 29 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1817, en Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN9567).

9. Naar het oordeel van de rechtbank is aan [belanghebbende] onvoldoende gelegenheid geboden om zijn belastingschuld van € 172.679 te voldoen. De (navorderings)aanslagen zijn op 27 februari 2018 om 9.56 uur aan hem betekend. Om 9.59 uur is het dwangbevel betekend. Ondanks het feit dat het bedrag terstond invorderbaar was, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hiervoor onder 8 genoemde jurisprudentie, aan [belanghebbende] ten minste enige tijd had moeten worden gegeven om de belastingschuld te kunnen voldoen. De tijd tussen het uitreiken van de (navorderings)aanslagen en het betekenen van de beschikking is daartoe naar het oordeel van de rechtbank te kort geweest. Dat [belanghebbende] na het uitreiken van de (navorderings)aanslagen aan de deurwaarder heeft gemeld dat hij niet in staat was om de (navorderings)aanslagen te betalen, maakt dit niet anders. De kosten ter zake van de betekening van het dwangbevel zijn daarom ten onrechte aan [belanghebbende] in rekening gebracht.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient de beschikking te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. De rechtbank veroordeelt [de Ontvanger] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.278 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep, net als voor de Rechtbank, het antwoord op de vraag in geschil of belanghebbende bij de betekening van het dwangbevel op 27 februari 2018 rechtens terecht € 12.197 aan kosten in rekening is gebracht.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden beslist dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. Het Hof merkt, de overwegingen van de Rechtbank volgend, op - zo al, gegeven de door de Ontvanger gevolgde bijzondere beleidslijn, sprake is van een dwangbevel - dat, ondanks de door de Ontvanger ook in hoger beroep aangedragen feiten en geschetste omstandigheden, in alle redelijkheid niet kan worden volgehouden dat belanghebbende op het toetsingsmoment van artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, te weten het moment dat het dwangbevel is betekend, in gebreke is gebleven de bedragen van de hem welgeteld drie minuten tevoren betekende aanslagen te voldoen.

5.2.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof ziet reden de Ontvanger te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De kosten stelt het Hof, onder handhaving van de door de Rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, vast op € 1.024 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 512 x 1 (gewicht). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Ontvanger wegens het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 519.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep, vastgesteld op € 1.024, en

- verstaat dat de griffier van de Ontvanger € 519 aan griffierecht heft.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 15 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.