Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3948

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
BK-18/00746
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1176
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde, namelijk of over de teruggaaf rente moet worden vergoed, de Inspecteur de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden, de Inspecteur terecht de kostenvergoeding voor bezwaar heeft beperkt tot € 246, de Inspecteur de dwangsom op het juiste bedrag heeft vastgesteld en of er reden is voor vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende heeft de hoogte van de al vergoede rente betwist.

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond, met als toevoeging aan de beslissing van de Rechtbank dat de Inspecteur de wettelijke rente moet vergoeden over de vastgestelde immateriële schadevergoeding van € 2.500 vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening van die vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/2251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00746

Uitspraak van 4 januari 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 juni 2018, nr. SGR 17/6127.

Overwegingen

1.1.

Belanghebbende heeft in het jaar 2013 voor de Nederlandse registratie van zeven personenauto’s, zes Jaguars en een Volvo, op aangiften, die zijn gedaan aan de hand van X-ray koerslijsten voor marge-auto’s, in totaal € 71.378 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. De Inspecteur meende dat voor de heffing van bpm moet worden uitgegaan van koerslijsten voor btw-auto’s en heeft een naheffingsaanslag in de bpm van € 7.900 opgelegd.

1.2.

Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur ook aangemerkt als gericht tegen de voldoeningen op aangiften. Bij brief van 24 februari 2017, ontvangen door de Inspecteur op 6 maart 2017, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld nog niet op het bezwaar te hebben beslist.

1.3.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar, gedagtekend 23 maart 2017, heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoeningen op aangiften wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard: de naheffingsaanslag is vernietigd, ambtshalve is een teruggaaf verleend van de op aangiften voldane bpm van in totaal € 2.627 zonder vergoeding van rente en is een vergoeding van proceskosten in bezwaar van € 246 toegekend.

1.4.

Met dagtekening 28 juli 2017 heeft de Inspecteur een dwangsom van € 60 toegekend, omdat niet binnen twee weken na de ingebrekestelling is beslist op het bezwaar.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 333 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep, voor zover het ziet op de teruggaaf, niet-ontvankelijk en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen vergoeding van immateriële schade van € 2.500, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.002 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De pleitnota van belanghebbende is op 14 november 2018 bij het Hof binnengekomen.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 23 november 2018. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de hoger beroepen met de BK-nummers 18/00745 ([A]) en 18/00755 t/m 18/00761 ([B] B.V.) behandeld. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt ook - voor zover van toepassing - voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

6. In geschil is of:

a. over de teruggaaf rente moet worden vergoed;

b. [de Inspecteur] de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden;

c. [de Inspecteur] terecht de kostenvergoeding voor bezwaar heeft beperkt tot € 246;

d. [de Inspecteur] de dwangsom op het juiste bedrag heeft vastgesteld;

e. er reden is voor vergoeding van immateriële schade.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar voor zover dit betrekking heeft op de voldoeningen op aangiften terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

7. [ Belanghebbende] beantwoordt de vragen a, b en e bevestigend en de overige vragen ontkennend. Verder stelt zij dat [de Inspecteur] tegen beter weten in heeft gehandeld en daarom moet worden veroordeeld tot integrale vergoeding van de proceskosten. Ook stelt zij dat [de Inspecteur] over het eventueel terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden.

8. [ De Inspecteur] beantwoordt de vragen a, b en e ontkennend en de overige vragen bevestigend. Voor een integrale proceskostenvergoeding of vergoeding van rente over het terug te betalen griffierecht is volgens [de Inspecteur] geen aanleiding.

9. [ Belanghebbende] concludeert tot vergoeding door [de Inspecteur] van rente over de verleende teruggaaf, tot toekenning van de maximale dwangsom van € 1.260, tot veroordeling van [de Inspecteur] in de kosten van het geding ten bedrage van € 4.000, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding door [de Inspecteur] van rente over het te vergoeden griffierecht.

10. [ De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Rentevergoeding over de teruggaaf

11. Niet in geschil is dat het bezwaar tegen de voldoeningen op aangiften terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is dan ook in zoverre ongegrond. De teruggaaf die in verband met het bezwaar tegen de voldoeningen op aangiften is verleend, is een met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar samenhangende ambtshalve beslissing van [de Inspecteur]. Tegen een dergelijke ambtshalve beslissing en dus ook tegen het daarbij al dan niet vergoeden van rente, staat geen afzonderlijk bezwaar of beroep open. Voor zover het beroep daartegen is gericht, is het dus niet-ontvankelijk.

12. Ter zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat op de naheffingsaanslag niets is betaald. Er is dus geen sprake van enige teruggaaf in verband met de naheffingsaanslag. De vraag of rente vergoed zou moeten worden in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag, behoeft daarom geen behandeling.

Hoorplicht in bezwaar

13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014, nr. 13/05801, ECLI:NL:HR:2014:3510, volgt zonder meer dat [belanghebbende] de bezwaren tegen de voldoeningen op aangiften niet verschoonbaar te laat heeft ingediend. [De Inspecteur] heeft daarom kunnen en mogen afzien van het horen van [belanghebbende] in de bezwaarfase. Nu [belanghebbende] erkent dat het bezwaar tegen de voldoeningen op aangiften terecht niet-ontvankelijk is verklaard, kan ook niet gesteld worden dat [belanghebbende] in haar belangen is geschaad, omdat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Aangezien de naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar geheel wordt teruggenomen, was ook op dat punt geen reden meer [belanghebbende] te horen voorafgaand aan die uitspraak op bezwaar. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

Kostenvergoeding voor bezwaar

14. De door [de Inspecteur] toegekende kostenvergoeding voor het bezwaar is in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De kostenvergoeding is toegekend omdat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond is verklaard. Dat die naheffingsaanslag betrekking heeft op meerdere voldoeningen op aangiften, maakt niet dat reden is af te wijken van de forfaitaire regeling zoals die is neergelegd in het Besluit. Het enkele feit dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag deze rechtbank in vergelijkbare zaken reeds had geoordeeld dat belastingplichtigen bij het doen van de aangifte Bpm mogen uitgaan van een margeauto, betekent niet dat [de Inspecteur] met het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gehandeld tegen beter weten in. Pas met de arresten van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (onder meer ECLI:NL:HR:2017:902) is onherroepelijk komen vast te staan dat van een margeauto mag worden uitgegaan. [De Inspecteur] heeft daarom terecht een kostenvergoeding voor bezwaar toegekend van € 246.

Hoogte dwangsom

15. [ Belanghebbende] heeft bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking. Ingevolge artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te betrekking te hebben op de dwangsombeschikking.

16. [ Belanghebbende] heeft bij brief van 24 februari 2017 [de Inspecteur] in gebreke gesteld. [De Inspecteur] heeft de ingebrekestelling ontvangen op 6 maart 2017. [De Inspecteur] had binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar moeten doen. Die termijn eindigde op 20 maart 2017. Nu de uitspraak op bezwaar is gedagtekend 23 maart 2017 is [de Inspecteur] over drie dagen een dwangsom verschuldigd. Er is daarom terecht een dwangsom toegekend van € 60 (artikel 4:17, tweede lid, Awb).

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Vergoeding van immateriële schade

18. [ Belanghebbende] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199, en van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade.

19. Het bezwaarschrift is op 21 maart 2014 door [de Inspecteur] ontvangen. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank is afgerond vier jaar en drie maanden verstreken. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is, behoudens bijzondere omstandigheden, twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. [De Inspecteur] heeft gesteld dat in onderhavig geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat de redelijke termijn moet worden verlengd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bezwaar op verzoek van [belanghebbende] is aangehouden totdat de Hoge Raad had beslist over de BTW/marge kwestie. Nu [de Inspecteur] geen kopie van dat verzoek heeft overgelegd en [belanghebbende] weerspreekt dat zij heeft ingestemd met aanhouding van het bezwaar, zal de rechtbank met deze omstandigheid geen rekening houden. De overschrijding van de redelijke termijn in deze fase bedraagt dan afgerond twee jaar en drie maanden. Deze termijnoverschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dat betekent dat [belanghebbende] recht heeft op een vergoeding van 5 x € 500 = € 2.500.

Proceskosten

20. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, volgt dat indien een beroep ongegrond is, maar er wel een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, het griffierecht aan belanghebbende moet worden vergoed en een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, indien overigens aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

21. Nu aan [belanghebbende] een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. [Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire regeling zou moeten worden afgeweken. Zoals bij 14 is overwogen, is geen sprake van een handelen door [de Inspecteur] tegen beter weten in.

22. [ Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] over het terug te betalen griffierecht rente moet vergoeden omdat het hier een betaling betreft die het gevolg is van belastingheffing in strijd met het Unierecht. Nu het griffierecht uitsluitend moet worden vergoed omdat een vergoeding voor de immateriële schade is toegekend, behoeft die stelling geen behandeling.

(…)"

6. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden juist geoordeeld. Belanghebbende heeft niets aangevoerd - ook waar het gaat om de in hoger beroep aangedragen stelling over de rechterlijke onafhankelijkheid - dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen doel treft, daar haar stellingen, zo al relevant en begrijpelijk, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.

8. Ter correcte uitvoering van de beslissing van de Rechtbank acht het Hof het gepast aan die beslissing toe te voegen dat de Inspecteur de wettelijke rente moet vergoeden over de vastgestelde immateriële schadevergoeding van € 2.500 vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening van die vergoeding. Belanghebbende heeft de hoogte van de al vergoede rente betwist.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet, ook in de vaststelling dat de Inspecteur de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade moet vergoeden, geen reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep en hem te gelasten het griffierecht in hoger beroep te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, met dien verstande dat de Inspecteur de wettelijke rente moet vergoeden over € 2.500 aan vergoeding van immateriële schade vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening van die vergoeding.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.