Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3805

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
BK-19/00024
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:14489, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is dus nog uitsluitend in geschil of in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) voor de auto meer belasting is voldaan dan nog rust op een vergelijkbare binnenlandse auto en of grond bestaat tot vergoeding van rente. Belanghebbende] stelt dat voor de waardebepaling van de auto mag worden uitgegaan van ex-rentals en dat daarom een teruggaaf van 10% dient te worden verleend. De bewijslast dat dit percentage onjuist is, rust volgens [belanghebbende] op [de Inspecteur].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/1902
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00024

Uitspraak van 3 mei 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 november 2018, nr. SGR 18/2577.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor de Nederlandse registratie van een uit Zweden afkomstige personenauto, een […] , op aangifte € 2.744 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen voldaan. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op aangifte afgewezen.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 338 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 519 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 19 april 2019. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de hoger beroepen in de zaken BK-18/01137 en BK-18/01138 [A] B.V.) en de zaken BK-19/00025 t/m BK-19/00034 (belanghebbende) behandeld. Met instemming van partijen geldt wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht ook, voor zover van toepassing, voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In beroep heeft [belanghebbende] aangevoerd dat alsnog moet worden uitgegaan van aangifte op basis van een koerslijst (verzoek tot switchen) en dat voor de waardebepaling van de auto mag worden uitgegaan van de waarde van zogenoemde ex-rentalvoertuigen (ex-rentals). Ter zitting heeft [belanghebbende] het verzoek tot switchen ingetrokken en aangevoerd dat rente moet worden vergoed omdat zij de belasting ten minste 14 dagen voorafgaand aan de registratie heeft voldaan.

5. Tussen partijen is dus nog uitsluitend in geschil of in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) voor de auto meer belasting is voldaan dan nog rust op een vergelijkbare binnenlandse auto en of grond bestaat tot vergoeding van rente.

6. [ Belanghebbende] stelt dat voor de waardebepaling van de auto mag worden uitgegaan van ex-rentals en dat daarom een teruggaaf van 10% dient te worden verleend. De bewijslast dat dit percentage onjuist is, rust volgens [belanghebbende] op [de Inspecteur]. [Belanghebbende] stelt verder dat niet alleen rente dient te worden vergoed over een eventuele teruggaaf, maar dat ook rente dient te worden vergoed over de periode gelegen tussen de voldoening op aangifte en de registratie van de auto in het kentekenregister. [Belanghebbende] acht het in strijd met artikel 110 VWEU dat voor een auto afkomstig uit een andere lidstaat de belasting moet worden voldaan voordat de registratie plaatsvindt terwijl bij de aanschaf van een nieuwe auto in Nederland de belasting moet worden voldaan op het moment van de registratie. [Belanghebbende] wijst in dit kader op het arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) van 17 juni 1998, C‑68/96, Grundig Italiana SpA, ECLI:EU:C:1998:299 (Grundig-arrest).

7. [ De Inspecteur] heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast dat sprake is van waardeverminderende factoren op [belanghebbende] rust, zodat het aan haar is aannemelijk te maken dat zij te veel belasting op de aangifte heeft voldaan. Het zijn van een ex-rental is weliswaar een waardeverminderende factor, maar dit kan alleen een rol spelen als de auto waarvoor aangifte wordt gedaan ook zelf een ex-rental is. Verder stelt [de Inspecteur] dat indien sprake is van belastingheffing in strijd met het EU-recht de in verband daarmee verschuldigde rente ingevolge artikel 28c Invorderingswet niet door hem moet worden vergoed maar dat [belanghebbende] zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. Voor wat de vergoeding van rente over een mogelijke te vroege betaling betreft, conformeert [de Inspecteur] zich aan het oordeel van de rechtbank.

ex-rentals

8. In zijn arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, heeft het HvJ met betrekking tot de vraag wanneer voertuigen gelijksoortig zijn het volgende overwogen:

'Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C‑101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).'

9. In zijn arrest van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

'2.4.2. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, teneinde te voldoen aan artikel 110 VWEU, bij de berekening van de waardedaling van de referentieauto moet worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat door een particulier is aangekocht (…) en anderzijds van de prijs waarvoor de referentieauto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde bpm moet worden bepaald, door een handelaar van een particulier wordt aangekocht (vgl. het arrest BNB 2009/273, onderdeel 3.3, het arrest BNB 2012/147, onderdeel 3.5.3, en het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2014, nr. 13/02558, ECLI:NL:HR:2014:2707, BNB 2015/2, onderdeel 3.6.2).'

10. Het zijn van een ex-rental is naar het oordeel van de rechtbank een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto. Een niet ex-rental auto bevindt zich dan ook niet in een concurrentieverhouding tot ex-rental auto’s als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van het HvJ. Evenmin kan worden gesteld dat sprake is van eenzelfde gebruikte staat als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. De rechtbank volgt [belanghebbende] daarom niet in haar stelling dat ook bij de waardebepaling van een niet ex-rental moet worden uitgegaan van de waarde van een in Nederland aanwezige ex-rental.

11. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 21 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1695) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door [de Inspecteur], aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. [Belanghebbende] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de auto een ex-rental is. Zij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt zij teveel Bpm op aangifte heeft voldaan.

rentevergoeding

12. Uit het vorenstaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een teruggaaf van belasting moet worden verleend, zodat de vraag of daarover rente moet worden vergoed geen behandeling behoeft.

13. Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan bij de bestuursrechter alleen beroep worden ingesteld tegen een belastingaanslag of tegen een voor bezwaar vatbare beschikking. Het tweede lid van artikel 26 Awr bepaalt dat de voldoening op aangifte van een belastingbedrag voor de mogelijkheid van beroep gelijk gesteld wordt met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Daaruit volgt dat een beroep tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de materiële belastingschuld. De renteschade die [belanghebbende] stelt te hebben geleden doordat zij de belasting heeft moeten voldoen voordat registratie in het kentekenregister plaatsvindt, vindt niet zijn grondslag in de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan. Voor het gestelde rentenadeel dient [belanghebbende] zich dan ook tot de civiele rechter te wenden. De stelling van [belanghebbende] dat bij een binnenlands voertuig de belasting niet behoeft te worden voldaan voordat registratie plaatsvindt, wat daar overigens van zij, en dat reeds daarom sprake is van schending van artikel 110 VWEU op grond waarvan het door haar gestelde rentenadeel onderdeel uitmaakt van onderhavige procedure, leidt niet tot een ander oordeel. Dit artikel zegt immers niets over het tijdstip van betaling van de belasting en een eventueel daaruit voortvloeiend rentenadeel. De schadevergoedingsplicht zoals die is geformuleerd in het Irimie-arrest bestaat dan ook alleen indien in strijd met het Unierecht teveel belasting is voldaan. Ook in het Grundig-arrest kan geen steun worden gevonden voor de stelling dat een eventuele rentevergoeding in deze zaak aan de orde gesteld kan worden.

griffierecht

14. Over de stelling van [belanghebbende] dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering merkt de rechtbank het volgende op. Indien de hoogte van het griffierecht een belemmering vormt voor het instellen van beroep kan betrokkene verzoeken om matiging dan wel vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht. De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] niet een dergelijk verzoek heeft gedaan en ook op zitting niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij het griffierecht niet kon betalen. De rechtbank stelt tevens vast dat [belanghebbende] het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Daarom kan niet gesteld worden dat de hoogte van het griffierecht [belanghebbende] heeft belemmerd in haar toegang tot de rechter. Het algemene betoog van eiseres over de hoogte van het griffierecht behoeft daarom geen behandeling.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

6. Afgezien van het punt dat belanghebbende bij de Rechtbank heeft ingetrokken, zijn in hoger beroep, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle in hoger beroep resterende onderdelen van het geschil op goede gronden begrijpelijk en juist geoordeeld. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd, gelet ook op de aannemelijk te achten weerspreking door de Inspecteur, dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen doel treft, daar haar stellingen, zo al relevant en te volgen, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 mei 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.