Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3760

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
200.256.444/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding voorgezet huurrecht voormalige gezamenlijke woning. Belangenafweging. In acht te nemen belangen bij de beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.256.444/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 6863659 CV EXPL 18-16150

arrest d.d. 10 december 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

voorheen advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Leiden, die zich op 18 juni 2019 als advocaat aan de zaak heeft onttrokken,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.F.A. Notenboom te Rotterdam.

Het geding

De vrouw is bij exploot van 11 maart 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 februari 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie en verweerster in reconventie, en de man als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De vrouw heeft in de dagvaarding grieven geformuleerd en tevens een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend.

De man heeft een memorie van antwoord in zowel het incident als de hoofdzaak genomen.

Bij arrest van dit hof van 28 mei 2019 is het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad afgewezen. De kosten van het incident zijn gecompenseerd en de zaak is in de hoofdzaak verwezen naar de rol voor beraad partijen.

De man heeft vervolgens zijn procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Vaststaande feiten

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie twee thans nog minderjarige kinderen zijn geboren (9 en 13 jaar oud).

2. De relatie tussen partijen is in februari 2018 verbroken.

3. Partijen huurden samen een woning aan de [adres] te [plaatsnaam] , hierna: de woning.

4. Sinds het verbreken van hun samenwoning hebben partijen uitvoering gegeven aan een regeling waarbij de kinderen in de woning woonden en de ene week de ene ouder en de andere week de andere ouder bij hen in de woning verbleef.

Eerste aanleg

5. De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover van belang in dit hoger beroep, gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht zal verklaren dat de vrouw alleen, dus met uitsluiting van de man, gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de woning inclusief aanhorigheden;

- de man te veroordelen de huurovereenkomst met [de Verhuurder] ten aanzien van hemzelf per vroegst mogelijke datum op te zeggen, met dien verstande dat wanneer de man hiermee in gebreke blijft, het door de rechtbank te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een daartoe op te maken akte als bedoeld in artikel 3:300 BW;

- een en ander met veroordeling van de man in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, inclusief de btw over de daarvoor in aanmerking komende posten.

6. De man heeft verweer gevoerd en, voor zover van belang in dit hoger beroep, gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in conventie:

- de vorderingen van de vrouw zal afwijzen;

in reconventie:

- voor recht zal verklaren dat de man alleen, dus met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de woning met inbegrip van gebruik van alle inboedel, en daarbij te bepalen dat de vrouw de woning niet verder zal mogen betreden;

- de vrouw te veroordelen de huurovereenkomst met [de Verhuurder] per vroegst mogelijke datum op te zeggen, met dien verstande dat wanneer de vrouw hiermee in gebreke blijft, het door de rechtbank te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een daartoe op te maken akte als bedoeld in artikel 3:300 BW;

zowel in conventie als in reconventie:

- de proceskosten tussen partijen zal compenseren in die zin dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen.

7. In het proces-verbaal van de zitting van 5 juli 2018 is opgenomen dat partijen het volgende zijn overeengekomen:

- De vrouw en de man zeggen allebei toe actief op zoek te gaan naar een andere woning in [volgens plaatsnamen] , voor een huur van maximaal € 850,- in de maand. Actief zoeken betekent minimaal tien keer per maand reageren op een huis, buiten de huizen die worden aangeboden op [side] .

- De vrouw en de man geven elkaar tot 1 januari 2019 de tijd om een ander huis te zoeken. Voor het geval een van hen op dat moment geen ander huis heeft gevonden, vragen zij de kantonrechter alsnog te beslissen op het verzoek.

- De vrouw en de man nemen de zorg voor de kinderen gezamenlijk op zich, in die zin dat een van hen de ene week bij de kinderen in de huidige woning verblijft en de ander de andere week.

- De man werkt mee aan de vakantie van de vrouw met de kinderen naar [land] .

De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de rol van 29 januari 2019 om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het verloop van de regeling en hen zo nodig in staat te stellen vonnis te vragen.

8. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis voor recht verklaard dat de man vanaf 1 maart 2019, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de woning. De proceskosten zijn gecompenseerd, het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Hoger beroep

9. De vrouw vordert dat het dit hof moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de eis van de man in eerste aanleg in conventie alsnog af te wijzen en de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, en

- de man te veroordelen om al hetgeen de vrouw ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de man heeft voldaan aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling,

- met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, de nakosten daarbij inbegrepen.

10. De man concludeert, zo begrijpt het hof, tot afwijzing van het door de vrouw gevorderde.

11. De vrouw is van mening dat bij de beantwoording van de vraag aan wie van partijen het voortgezet gebruik van de woning moet worden toegekend, de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Zij voert daartoe het volgende aan. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, heeft de vrouw wel degelijk gereageerd op te huur aangeboden woningen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw wel en de man niet de huur van de woning betaalt. Door onwil of onmacht van de man om de huur te betalen, is er een zodanige achterstand in de huurbetalingen ontstaan dat partijen door de verhuurder zijn gedagvaard. De vrouw kan en wil de huur betalen. Als zij de woning krijgt toegewezen, raken de kinderen van partijen dus niet binnenkort hun huis kwijt. De kinderen kunnen dan in de woning blijven wonen. Dit belang dient volgens de vrouw, zo begrijpt het hof, zwaarder te wegen dan het volgens de kantonrechter iets grotere belang dat de man bij voortgezet gebruik van de woning heeft omdat hij een lager en onstabieler inkomen heeft dan de vrouw. De man heeft volgens de vrouw ook gereageerd op te huur aangeboden woningen en hij kan blijkbaar in aanmerking komen voor een woning die bij zijn inkomen en leefsituatie past. Dat is nog een reden om het gebruiksrecht aan de vrouw toe te wijzen.

12. De man voert als volgt verweer. De man betwist dat de vrouw daadwerkelijk op te huur aangeboden woningen heeft gereageerd dan wel dat zij dit heeft gedaan op de wijze zoals tussen partijen was afgesproken in de tussen hen getroffen schikking op 5 juli 2018. De vrouw laat na een en ander met stukken te onderbouwen, zodat het niet mogelijk is voor de man om de juistheid van haar stelling te controleren. De man is van mening dat hij vaker op te huur aangeboden woningen heeft gereageerd dan de vrouw, waardoor een belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen. Hetgeen de vrouw stelt met betrekking tot de huurbetalingen kan de man naar zijn mening niet worden tegengeworpen in de belangenafweging over het voortgezet gebruik van de woning. De problemen met de huurbetalingen aan de zijde van de man zijn ontstaan door toedoen van de vrouw. Zij hield in de woning post achter voor de man. Daardoor is er ook meerdere malen in 2018 loonbeslag op het inkomen van de man gelegd. Gelukkig heeft de man, op het moment dat hij bekend werd met de procedure van [de Verhuurder] waarbij partijen waren gedagvaard vanwege een huurachterstand, zich nog tijdig in deze procedure kunnen stellen. Hij heeft de volledige huurachterstand inclusief kosten van [de Verhuurder] voldaan, en zo verdere onnodige kosten en problemen voor partijen voorkomen. Sinds de man alleen in de woning woont, wordt de huur iedere maand voldaan.

13. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat het belang van de man bij het voortgezet gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang dat de vrouw heeft bij het voortgezet gebruik van de woning, en oordeelt daartoe als volgt. Het hof heeft in zijn arrest van 28 mei 2019 met betrekking tot de incidentele vordering van de vrouw reeds overwogen dat de vrouw op geen enkele wijze heeft aangetoond dat het voor haar niet mogelijk is om op korte termijn woonruimte te vinden. Bovendien heeft het hof in voornoemd arrest overwogen dat zij, gelet op de door partijen op 5 juli 2018 gemaakte afspraken, de tijd heeft gehad om tijdig stappen op de woningmarkt te zetten om binnen een redelijke termijn tot het vinden van andere woonruimte te kunnen komen. De vrouw heeft een en ander in de hoofdzaak op geen enkele wijze weerlegd. Zij stelt weliswaar dat zij heeft gereageerd op te huur aangeboden woningen, maar bij gebreke van onderliggende stukken gaat het hof aan deze stelling voorbij. De man heeft in eerste aanleg bij brief van 29 januari 2019, onderbouwd met stukken, aangetoond overeenkomstig de afspraken van 5 juli 2019 op zoek te zijn gegaan naar een andere woning. Het hof is voorts niet gebleken dat de man, zoals de vrouw stelt, niet in staat is de huur van de woning te voldoen. De man heeft het door de vrouw geschetste verhaal met betrekking tot de huurachterstanden gemotiveerd weerlegd. Er is nu geen huurachterstand meer, de man betaalt de huur maandelijks en de kinderen kunnen dan ook in de woning blijven wonen. Het hof neemt voorts in de belangenafweging mee dat de vrouw een hoger en stabieler inkomen heeft dan de man, hetgeen door haar ook niet wordt betwist. Ook dit maakt het belang van de man bij het voortgezet gebruik van de woning groter dan het belang van de vrouw, nu het voor hem gelet op zijn inkomen lastiger zal zijn een andere woning te vinden.

Het vorenstaande in samenhang bezien leidt ertoe dat de man naar het oordeel van het hof een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan de vrouw. Het bestreden vonnis wordt dan ook in zoverre bekrachtigd.

14. De vrouw heeft voorts nog gevorderd om de man te veroordelen om al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de man heeft voldaan aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling. Bij gebreke van enige onderbouwing van deze vordering wijst het hof deze vordering af.

Proceskosten

15. Het hof ziet geen aanleiding om, nu het een procedure in de familierechtelijke sfeer betreft, de man te veroordelen in de proceskosten en zal deze kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

16. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.B Kamminga, A.H.N. Stollenwerck en F. Ibili en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.