Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3736

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
200.264.621/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:9393, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:2125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Onverschuldigde betaling. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.264.621/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 7527659 CV EXPL 19-617

arrest van 12 november 2019

in de zaak van

Gea Food Solutions B.V.,

gevestigd te Bakel (gemeente Gemert-Bakel),

appellante,

hierna te noemen: Gea Food Solutions,

advocaat: mr. A. Robustella, advocaat te Ede,

tegen

[geïntimeerde], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding

1.1.

Bij exploot van 16 augustus 2019 is Gea Food Solutions in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, sector kanton, zittingsplaats Leiden (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis van 7 augustus 2019 (hierna: het vonnis). Bij memorie van grieven, met een productie, heeft Gea Food Solutions vier grieven aangevoerd. [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Op de rol van 3 september 2019 is verstek tegen hem verleend.

1.2.

Vervolgens heeft Gea Food Solutions arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Deze feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan (voor zover relevant aangevuld met feiten die evenmin ter discussie staan). Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.2.

Op 16 oktober 2017 heeft [geïntimeerde] aan Gea Food Solutions een factuur met factuurnummer 0116102017 ten bedrage van € 11.638,69 (inclusief btw) verzonden. Gea Food Solutions Bakel B.V. (een zustervennootschap van Gea Food Solutions, hierna: Gea Bakel) heeft deze factuur op 24 oktober 2017 voldaan (zie productie 5 bij conclusie van repliek).

Op 31 oktober 2017 heeft Gea Food Solutions een verzamelbetaling gedaan van totaal € 62.425,73, waaronder een bedrag van € 11.638,69 aan [handelsnaam geïntimeerde] (zie productie 6 bij conclusie van repliek en productie 1 bij memorie van grieven).

2.3.

Op 8 oktober 2018 heeft Gea Food Solutions aan [geïntimeerde] een e-mailbericht verzonden waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld:

Wij hebben in onze administraties 2 facturen met hetzelfde factuurnummer, 0116102017. Zowel vanuit GEA Food Solutions als vanuit GEA Food Solutions Bakel BV is deze factuur betaald. We hebben deze factuur dus 2 keer betaald, zowel op 24-10-2017 en op 31-10-2017. Ik verzoek u vriendelijk om het teveel betaalde bedrag, a EUR 11.638,69 over te maken naar GEA Food Solutions BV (…)”.

2.4.

Ondanks aanmaningen heeft [geïntimeerde] niet aan het onder 2.3 bedoelde verzoek voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Gea Food Solutions heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan Gea Food Solutions van een bedrag van € 14.022,23, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 11.638,69 vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

Gea Food Solutions heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij een bedrag van € 11.638,69 abusievelijk tweemaal – en derhalve eenmaal onverschuldigd – aan [geïntimeerde] heeft betaald, welk bedrag [geïntimeerde] op grond van onverschuldigde betaling dient terug te betalen.

3.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van Gea Food Solutions afgewezen, met veroordeling van Gea Food Solutions in de proceskosten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat uit de door Gea Food Solutions overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij op 31 oktober 2017 opnieuw een bedrag van € 11.638,69 aan [geïntimeerde] heeft voldaan en dat Gea Food Solutions daarmee niet heeft voldaan aan haar stelplicht.

3.3.

Gea Food Solutions kan zich met dit vonnis niet verenigen. Zij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de vordering van Gea Food Solutions alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Gea Food Solutions heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd erop neerkomend dat uit het door haar als productie 6 overgelegde bankafschrift van 31 oktober 2017 en het bijbehorende overzicht van deelbetalingen onmiskenbaar volgt dat zij op 31 oktober 2017 nogmaals een bedrag van € 11.638,69 aan [geïntimeerde] heeft voldaan.

4.2.

Het hof stelt voorop dat voor het slagen van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op grond van artikel 6:203 BW vereist is dat de betaling is verricht zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat. Hiervan is sprake als er op het moment van presteren geen rechtsverhouding aanwijsbaar is die het verrichten van de betaling rechtvaardigt. De stelplicht en bewijslast ter zake het ontbreken van een rechtsgrond voor de betaling rusten op Gea Food Solutions, omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen van de onverschuldigde betaling.

4.3.

In hoger beroep heeft Gea Food Solutions haar stellingen in eerste aanleg gecorrigeerd en verduidelijkt dat zij slechts eenmaal het bedrag van € 11.638,69 aan [geïntimeerde] heeft betaald (en wel op 31 oktober 2017). De eerdere betaling van hetzelfde bedrag (op 24 oktober 2017) was door haar zustervennootschap GEA Bakel verricht. Volgens Gea Food Solutions doet dit aan de grondslag van haar vordering niet af. Door deze betaling door GEA Bakel was zij immers gekweten van haar betalingsverplichting uit hoofde van de factuur van [geïntimeerde] van 16 oktober 2017 (op grond van artikel 6:30 BW). Aldus was haar betaling aan [geïntimeerde] op 31 oktober 2017 onverschuldigd, aangezien er slechts aanspraak bestond op enkelvoudige betaling van die factuur.

4.4.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gemotiveerd betwist dat er geen rechtsgrond voor de betaling door Gea Food Solutions bestond. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De door Gea Food Solutions genoemde betalingen betreffen twee separate aanbetalingsfacturen, één factuur voor het seminar (op 24 en 26 oktober 2017) en één factuur voor het bedrijfsfeest (het GEA FoodFest op 27 oktober 2017). De totale factuur moest gesplitst worden omdat de kosten bij Gea Food Solutions uit verschillende budgetten kwamen. Op verzoek van Gea Food Solutions is voor de facturen hetzelfde PO nummer gebruikt. Ook de wijze van adressering is met Gea Food Solutions afgestemd. De (75% aanbetalings)facturen zijn op 17 oktober respectievelijk 19 oktober 2017 verstuurd naar twee verschillende entiteiten. Daarnaast betoogt [geïntimeerde] dat er een tweetal facturen (gedateerd 30 oktober 2017 en 31 oktober 2017) van [handelsnaam geïntimeerde] met betrekking tot de nacalculatie door Gea Food Solutions niet zijn voldaan. [geïntimeerde] beroept zich ter onderbouwing van zijn verweer op verschillende concepten van de offerte/ opdrachtbevestiging van [handelsnaam geïntimeerde] met betrekking tot de “Seminar dagen en bedrijfsfeest GEA” alsmede op e-mail correspondentie tussen hemzelf en medewerkers van Gea Food Solutions (productie 4 bij conclusie van antwoord en producties bij conclusie van dupliek).

4.5.

Op basis van de wederzijdse stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van Gea Food Solutions dat zij op 31 oktober 2017 onverschuldigd een bedrag van € 11.638,69 aan [geïntimeerde] heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft, in eerste aanleg, gemotiveerd betwist dat er een rechtsgrond ontbrak aan de betaling door Gea Food Solutions aan [handelsnaam geïntimeerde] op 31 oktober 2017. De bewijslast ter zake rust op Gea Food Solutions. Nu Gea Food Solutions bewijs heeft aangeboden op dit punt, zal zij worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij op 31 oktober 2017 onverschuldigd een bedrag van € 11.638,69 aan [geïntimeerde] heeft betaald.

4.6.

De slotsom van het voorgaande is dat Gea Food Solutions zal worden toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs. Voor het geval zij niet slaagt in dit bewijs zal een comparitie van partijen worden gelast voor het inwinnen van informatie met betrekking tot de (nog openstaande) facturen van [handelsnaam geïntimeerde] en de door Gea Food Solutions daarop gedane betalingen alsmede om een vereniging te beproeven.

4.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat Gea Food Solutions toe tot het in rov. 4.5 omschreven bewijs;

- bepaalt dat, indien Gea Food Solutions getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. G.C. de Heer, op donderdag 12 december 2019 om 9.30 uur;

- bepaalt dat aansluitend aan het (eventuele) getuigenverhoor een comparitie van partijen zal worden gehouden voor het inwinnen van informatie met betrekking tot de (nog openstaande) facturen van [handelsnaam geïntimeerde] en de door Gea Food Solutions daarop gedane betalingen en om een vereniging te beproeven;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden januari tot en met maart 2020, opgeeft op donderdag 12 december 2019 om 9.30 uur verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, M.M. Olthof en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.