Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3734

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
BK-18/00760
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:8354, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bpm) In geschil is of: a. over de teruggaaf rente moet worden vergoed; b. [de Inspecteur] terecht de kostenvergoeding voor bezwaar heeft beperkt tot € 246 voor de vier gegronde bezwaren gezamenlijk. [ Belanghebbende] beantwoordt vraag a bevestigend en vraag b ontkennend. Verder stelt zij dat [de Inspecteur] over het eventueel terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00760

Uitspraak van 4 januari 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 juni 2018, nr. SGR 17/6634.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor de Nederlandse registratie van een uit Duitsland afkomstige personenauto, een Maserati Ghibli 3.0 V6 Diesel, op aangifte, die is gedaan aan de hand van een X-ray koerslijst voor een marge-auto, € 9.375 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. Zij heeft bezwaar tegen de voldoening op aangifte gemaakt, stellend dat de aangifte is gedaan (mede) aan de hand van een X-ray koerslijst voor een btw-auto en aanvoerend dat mocht worden uitgegaan van een koerslijst voor een marge-auto, met de conclusie dat een teruggaaf moet worden verleend van 5 percent; ook stelt zij dat niet het meest gunstige tarief is toegepast; in het hoorgesprek heeft belanghebbende nog gesteld dat voor de waardebepaling van de auto moet worden uitgegaan van de waarde van ex-rentalauto’s en dat ook daarom een teruggaaf moet worden verleend. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat belanghebbende ten onrechte ervan is uitgegaan de aangifte te hebben gedaan op basis van een X-ray koerslijst voor een btw-auto, dat de auto is aangegeven als marge-auto, dat bij de aangifte al rekening is gehouden met het feit dat de auto een ex-rental is, dat ook al het meest gunstige tussenliggende tarief is toegepast en dat toepassing van dat tarief evenwel resulteert in een lager bedrag aan bpm dan op aangifte is voldaan; een teruggaaf van € 9 is verleend; een vergoeding van proceskosten in bezwaar van € 246 is toegekend, met dien verstande dat die vergoeding ook geldt voor drie andere gegrond verklaarde bezwaren.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Voor de zeven zaken met de SGR-nummers 17/6629 t/m 17/6635 gezamenlijk is een griffierecht van € 333 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De pleitnota van belanghebbende is op 14 november 2018 bij het Hof binnengekomen.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 23 november 2018. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de hoger beroepen met de BK-nummers 18/00745 ( [A] ), 18/00746 ( [B] B.V.) en 18/00755 t/m 18/00759 en 18/00761 (belanghebbende) behandeld. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt ook - voor zover van toepassing - voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

6. In geschil is of:

a. over de teruggaaf rente moet worden vergoed;

b. [de Inspecteur] terecht de kostenvergoeding voor bezwaar heeft beperkt tot € 246 voor de vier gegronde bezwaren gezamenlijk.

7. [ Belanghebbende] beantwoordt vraag a bevestigend en vraag b ontkennend. Verder stelt zij dat [de Inspecteur] over het eventueel terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden.

8. [ De Inspecteur] stelt dat de rente die eventueel is verschuldigd ingevolge artikel 28c Invorderingswet (Iw) niet door hem moet worden vergoed, maar dat [belanghebbende] zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. Voor de kostenvergoeding voor bezwaar stelt [de Inspecteur] primair dat ten onrechte een kostenvergoeding is toegekend, omdat geen sprake is van aan hem te wijten onrechtmatigheid. Subsidiair stelt [de Inspecteur] dat de kostenvergoeding op een te laag bedrag is vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met het hoorgesprek en met een hogere wegingsfactor. Voor vergoeding van rente over het terug te betalen griffierecht is volgens [de Inspecteur] geen aanleiding.

9. [ Belanghebbende] concludeert tot veroordeling van [de Inspecteur] tot vergoeding van rente over de verleende teruggaaf, veroordeling van [de Inspecteur] in de kosten van het geding en tot het vergoeding van rente over het te vergoeden griffierecht.

10. [ De Inspecteur] concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep voor zover betrekking hebbend op de kostenvergoeding in bezwaar.

Beoordeling van het geschil

Rentevergoeding over de teruggaaf

11. Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende] in eerste instantie meer Bpm heeft voldaan dan zij volgens het Unierecht verschuldigd was en dat onder die omstandigheden [belanghebbende] op grond van het arrest van het HvJ van de EU van 18 april 2013, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (Irimie arrest) aanspraak kan maken op een rentevergoeding die afwijkt van het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Uit het Irimie arrest volgt echter dat het een aangelegenheid van nationaal recht is van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de rentevergoeding moet worden betaald die een lidstaat verschuldigd is omdat belasting in strijd [met] het Unierecht is geheven. De wetgever heeft er dan ook voor mogen kiezen deze rentevergoeding via de ontvanger te laten lopen (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341). Het is vaste jurisprudentie dat dergelijke nationale procedureregels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) gelden en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). Het enkele feit dat [belanghebbende] zich voor de rentevergoeding die verschuldigd is vanwege in strijd met het Unierecht geheven belasting moet wenden tot een ander onderdeel van de Belastingdienst, maakt niet dat de nationale regelgeving ongunstiger is dan die voor bijvoorbeeld de vergoeding van belastingrente of invorderingsrente op grond van andere artikelen uit de Iw. Dit geldt temeer nu voor die keuze een rechtvaardiging kan worden gevonden in de functiescheiding tussen heffing en invordering zoals die in het nationale recht is vormgegeven. Evenmin kan gesteld worden dat de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie verleende recht op rentevergoeding aldus in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt (zie ook HR van 13 april 2018, nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583). De wetgever heeft de verplichting tot vergoeding van rente wegens met het Unierecht strijdige belastingheffing dus kunnen en mogen neerleggen bij de ontvanger, zodat de rechtbank [belanghebbende] niet volgt in haar stelling dat [de Inspecteur] die rente dient te vergoeden.

12. Aangezien onderhavig beroep niet is gericht tegen een beschikking die de ontvanger heeft genomen op de voet van artikel 28c Iw kan de rechtbank zich in deze procedure verder niet uitspreken over de stelling van [belanghebbende] dat de eisen die in artikel 28c Iw worden gesteld voor het verkrijgen van de rentevergoeding strijdig zijn met het Unierecht.

Kostenvergoeding voor bezwaar

13. Ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht is [de Inspecteur] een kostenvergoeding voor het bezwaar verschuldigd wanneer de teruggaaf het gevolg is van aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid.

14. Dat in onderhavig geval een teruggaaf is verleend van € 9 is slechts een gevolg van het feit dat [de Inspecteur] bij de toepassing van het meest gunstige tarief (het tarief van 2016) op een lager bedrag uitkomt dan het bedrag dat [belanghebbende] had berekend. Anders dan [belanghebbende] stelt, maakt het enkele feit dat [de Inspecteur] de rekenfout van [belanghebbende] niet eerder heeft opgemerkt, niet dat de teruggaaf het gevolg is van een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid. [De Inspecteur] had daarom geen kostenvergoeding voor bezwaar hoeven toekennen en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot een hogere vergoeding dan [de Inspecteur] reeds bij de uitspraak op bezwaar heeft toegekend.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. De stelling van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] over het eventueel terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden, behoeft daarom geen behandeling.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

6. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden juist geoordeeld. Belanghebbende heeft niets aangevoerd - ook waar het gaat om de in hoger beroep gevraagde, op de zitting door de Inspecteur uitdrukkelijk weersproken, teruggaaf van € 530 en om de in hoger beroep aangedragen stelling over de rechterlijke onafhankelijkheid - dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen doel treft, daar haar stellingen, zo al relevant en begrijpelijk, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.