Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3732

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
BK-18/00758
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:8323, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of: a. het in strijd is met artikel 110 VWEU dat bij de waardebepaling van de auto niet mag worden uitgegaan van ex-rentals als referentievoertuigen; b. of over een eventuele teruggaaf rente moet worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/775
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00758

Uitspraak van 4 januari 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 juni 2018, nr. SGR 17/6632.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor de Nederlandse registratie van een uit Duitsland afkomstige personenauto, een Volvo XC60 D4 Summum, op aangifte, die is gedaan aan de hand van een X-ray koerslijst voor een marge-auto, € 4.485 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. Zij heeft bezwaar tegen de voldoening op aangifte gemaakt, stellend dat de aangifte is gedaan (mede) aan de hand van een X-ray koerslijst voor een btw-auto en aanvoerend dat mocht worden uitgegaan van een koerslijst voor een marge-auto, met de conclusie dat een teruggaaf moet worden verleend; in het hoorgesprek heeft belanghebbende nog gesteld dat voor de waardebepaling van de auto moet worden uitgegaan van de waarde van ex-rentalauto’s en dat ook daarom een teruggaaf moet worden verleend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur, onder andere stellend dat al bij de aangifte is uitgegaan van een marge-auto, het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Voor de zeven zaken met de SGR-nummers 17/6629 t/m 17/6635 gezamenlijk is een griffierecht van € 333 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De pleitnota van belanghebbende is op 14 november 2018 bij het Hof binnengekomen.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 23 november 2018. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de hoger beroepen met de BK-nummers 18/00745 ( [A] ), 18/00746 ( [B] B.V.) en 18/00755 t/m 18/00757 en 18/00759 t/m 18/00761 (belanghebbende) behandeld. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt ook - voor zover van toepassing - voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of:

a. het in strijd is met artikel 110 VWEU dat bij de waardebepaling van de auto niet mag worden uitgegaan van ex-rentals als referentievoertuigen;

b. of over een eventuele teruggaaf rente moet worden vergoed.

5. [ Belanghebbende] beantwoordt de vragen a en b bevestigend. Indien voor de waardebepaling mag worden uitgegaan van ex-rentals, dient een teruggaaf van 7,5% te worden verleend. De bewijslast dat dit percentage onjuist is, rust volgens [belanghebbende] op [de Inspecteur]. Verder stelt zij dat [de Inspecteur] over het terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden.

6. [ De Inspecteur] beantwoordt de vragen a en b ontkennend. De bewijslast dat sprake is van waardeverminderende factoren rust volgens [de Inspecteur] op [belanghebbende] zodat het aan haar is aannemelijk te maken dat zij teveel belasting op de aangifte heeft voldaan. Het zijn van een ex-rental is weliswaar een waardeverminderende factor, maar dit kan alleen een rol spelen als de auto waarvoor aangifte wordt gedaan ook zelf een ex-rental is. Verder stelt [de Inspecteur] dat indien sprake is van belastingheffing in strijd met het EU-recht, de in verband daarmee verschuldigde rente ingevolge artikel 28c Invorderingswet (Iw) niet door hem moet worden vergoed maar dat [belanghebbende] zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. Voor vergoeding van rente over terug te betalen griffierecht is volgens [de Inspecteur] geen aanleiding.

7. [ Belanghebbende] concludeert tot het verlenen van een teruggaaf van 7,5%, veroordeling van [de Inspecteur] tot vergoeding van rente over de te verlenen teruggaaf, veroordeling van [de Inspecteur] in de kosten van het geding en tot het vergoeding van rente over het te vergoeden griffierecht.

8. [ De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

ex-rentals

9. In zijn arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, overwoog het Hof van Justitie van de EU met betrekking tot de vraag wanneer voertuigen gelijksoortig zijn het volgende:

'Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).'

10. In zijn arrest van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

'2.4.2. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, teneinde te voldoen aan artikel 110 VWEU, bij de berekening van de waardedaling van de referentieauto moet worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat door een particulier is aangekocht (…) en anderzijds van de prijs waarvoor de referentieauto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde bpm moet worden bepaald, door een handelaar van een particulier wordt aangekocht (vgl. het arrest BNB 2009/273, onderdeel 3.3, het arrest BNB 2012/147, onderdeel 3.5.3, en het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2014, nr. 13/02558, ECLI:NL:HR:2014:2707, BNB 2015/2, onderdeel 3.6.2).'

11. Het zijn van een ex-rental is naar het oordeel van de rechtbank een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto. Een niet ex-rental bevindt zich dan ook niet in een concurrentieverhouding tot ex-rental auto’s als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest. Evenmin kan gesteld worden dat sprake is van eenzelfde gebruikte staat als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. De rechtbank volgt [belanghebbende] daarom niet in haar stelling dat altijd mag worden uitgegaan van de waarde van een in Nederland aanwezige ex-rental. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de auto geen ex-rental is, kan voor de waardebepaling daarvan niet worden aangesloten bij referentievoertuigen die ex-rental zijn. Het beroep is daarom ongegrond.

12. Aangezien het beroep ongegrond is en ook in bezwaar geen sprake is geweest van een teruggaaf van belasting, behoeft de vraag of [de Inspecteur] rente verschuldigd is geen behandeling.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

(…)"

6. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden juist geoordeeld. Belanghebbende heeft niets aangevoerd - ook waar het gaat om de in hoger beroep gevraagde, op de zitting door de Inspecteur uitdrukkelijk weersproken, teruggaaf van € 530 en om de in hoger beroep aangedragen stelling over de rechterlijke onafhankelijkheid - dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen doel treft, daar haar stellingen, zo al relevant en begrijpelijk, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.