Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3710

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BK-18/00745
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:8359, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur over de teruggaaf BPM rente had moeten vergoeden en of een kostenvergoeding voor de bezwaarfase verschuldigd is. Dient de Inspecteur over het eventueel terug te betalen griffierecht rente te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/389
NTFR 2020/662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00745

Uitspraak van 4 januari 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 juni 2018, nr. SGR 17/8044.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor de Nederlandse registratie van een als "Kampeerwagen" aangeduide personenauto, een Mercedes-Benz […] , op aangifte, die is gedaan aan de hand van een taxatierapport waaruit schade aan de auto blijkt en waarin verkoopinformatie is opgenomen van een aantal btw-referentievoertuigen, € 1.772 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan. Hij heeft bezwaar tegen de voldoening op aangifte gemaakt, stellend dat de aangifte is gedaan (mede) aan de hand van een X-ray koerslijst voor een btw-auto en aanvoerend dat mocht worden uitgegaan van een koerslijst voor een marge-auto, met de conclusie dat een teruggaaf moet worden verleend van 5 percent. De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar te kennen gegeven dat belanghebbende ten onrechte ervan is uitgegaan de aangifte te hebben gedaan op basis van een koerslijst en dat daarom geen reden is aan het bezwaar tegemoet te komen; gelet op de in het hoorgesprek gemaakte afspraken, heeft de Inspecteur toch een teruggaaf van 5 percent verleend, te weten € 88 zonder vergoeding van rente; een vergoeding van proceskosten in bezwaar is niet toegekend.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 168 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 253 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 23 november 2018. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de hoger beroepen met de BK-nummers 18/00746 ( [A] B.V.) en 18/00755 t/m 18/00761 [B] B.V.) behandeld. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt ook - voor zover van toepassing - voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is of:

a. [de Inspecteur] over de teruggaaf van € 88 rente had moeten vergoeden;

b. [de Inspecteur] een kostenvergoeding voor de bezwaarfase verschuldigd is.

Niet in geschil is dat [belanghebbende] terzake van de registratie van de auto in totaal een bedrag van € 1.684 (€ 1.772 - € 88) verschuldigd is.

6. [ Belanghebbende] beantwoordt deze vragen bevestigend. Verder stelt hij dat [de Inspecteur] over het eventueel terug te betalen griffierecht rente dient te vergoeden.

7. [ De Inspecteur] heeft ter zitting verklaard dat niet langer in geschil is dat in strijd met artikel 110 VWEU teveel belasting op aangifte is voldaan. Daarmee is evenmin in geschil dat op zichzelf rente moet worden vergoed. [De Inspecteur] stelt dat die rente ingevolge artikel 28c Invorderingswet (Iw) niet door hem moet worden vergoed maar dat [belanghebbende] zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. [De Inspecteur] stelt verder dat terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend omdat de teruggaaf uitsluitend het gevolg is van een compromis dat tijdens het hoorgesprek is gesloten. Voor vergoeding van rente over het terug te betalen griffierecht is volgens [de Inspecteur] geen aanleiding.

Beoordeling van het geschil

Rentevergoeding over de teruggaaf

8. Uit het arrest van het HvJ van de EU van 18 april 2013, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (Irimie arrest) volgt dat het een aangelegenheid van nationaal recht is van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de rentevergoeding moet worden betaald die een lidstaat verschuldigd is omdat belasting in strijd [met] het Unierecht is geheven. De wetgever heeft er dan ook voor mogen kiezen deze rentevergoeding via de ontvanger te laten lopen (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341). Het is vaste jurisprudentie dat dergelijke nationale procedureregels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). Het enkele feit dat [belanghebbende] zich voor de rentevergoeding die verschuldigd is vanwege in strijd met het Unierecht geheven belasting moet wenden tot een ander onderdeel van de Belastingdienst, maakt niet dat de nationale regelgeving ongunstiger is dan die voor bijvoorbeeld de vergoeding van belastingrente of invorderingsrente op grond van andere artikelen uit de Iw. Dit geldt temeer nu voor die keuze een rechtvaardiging kan worden gevonden in de functiescheiding tussen heffing en invordering zoals die in het nationale recht is vormgegeven. Evenmin kan gesteld worden dat de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie verleende recht op rentevergoeding aldus in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt (zie ook HR van 13 april 2018, nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583). De wetgever heeft de verplichting tot vergoeding van rente wegens met het Unierecht strijdige belastingheffing dus kunnen en mogen neerleggen bij de ontvanger, zodat de rechtbank [belanghebbende] niet volgt in zijn stelling dat [de Inspecteur] die rente dient te vergoeden.

9. Aangezien onderhavig beroep niet is gericht tegen een beschikking die de ontvanger heeft genomen op de voet van artikel 28c Iw kan de rechtbank zich in deze procedure verder niet uitspreken over de stelling van [belanghebbende] dat de eisen die in artikel 28c Iw worden gesteld voor het verkrijgen van de rentevergoeding strijdig zijn met het Unierecht.

Kostenvergoeding bezwaar

10. Ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [de Inspecteur] een kostenvergoeding voor het bezwaar verschuldigd wanneer de teruggaaf het gevolg is van een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid.

11. [ Belanghebbende] heeft weersproken dat de teruggaaf het gevolg is van een tussen hem en [de Inspecteur] gesloten compromis. Dat sprake is van een compromis blijkt niet uit het hoorverslag en ook anderszins heeft [de Inspecteur] zijn stelling dat de teruggaaf het enkele gevolg is van een compromis niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt echter vast dat, gezien het feit dat de aangifte is gedaan aan de hand van een taxatierapport, geen sprake is van een situatie als bedoeld in de uitspraak van deze rechtbank waarnaar [belanghebbende] in bezwaar heeft verwezen. Gesteld noch gebleken is dat [de Inspecteur] op grond van enige jurisprudentie gehouden was desalniettemin de teruggaaf te verlenen. Dat hij daartoe kennelijk op grond van het hoorgesprek heeft besloten, maakt dan ook niet dat de teruggaaf het gevolg is van aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de uitspraak van deze rechtbank waarnaar [belanghebbende] in bezwaar verwijst dateert van 20 februari 2014 en dus reeds ten tijde van het doen van de aangifte bekend verondersteld kon worden. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht geen kostenvergoeding voor het bezwaar toegekend.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De stelling van [belanghebbende] dat over het te vergoeden griffierecht rente moet worden vergoed, behoeft daarom geen behandeling.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

6. In hoger beroep zijn, naar het Hof begrijpt, dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde.

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden juist geoordeeld. Belanghebbende heeft niets aangevoerd - ook waar het gaat om de in hoger beroep aangedragen "nieuwe grief" betreffende belastingrente en invorderingsrente en om de in hoger beroep aangedragen stelling over de rechterlijke onafhankelijkheid - dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen doel treft, daar zijn stellingen, zo al relevant en begrijpelijk, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.

8. Met betrekking tot de conclusie van de Rechtbank dat de Inspecteur terecht geen vergoeding voor proceskosten in bezwaar heeft toegekend, wijst het Hof in het bijzonder op wat in het verweerschrift in eerste aanleg, niet afdoende weersproken, is toegelicht:

"Belanghebbende komt ook niet in aanmerking voor een forfaitaire PKV, in dit geval 2 x € 246 (bezwaar-horen) met een weging van 1. Dat kan alleen indien het aan de inspecteur te wijten is dat teveel belasting is geheven (artikel 7:15, lid 2, Awb). Dat is hier niet aan de orde. Hierboven had ik immers al geschreven dat belanghebbende niet in zijn bewijslast is geslaagd de voor de betreffende Auto de waarde verminderende factoren aan te tonen. Belanghebbende had immers een koerslijst van alleen de referentie auto’s overgelegd en niet die van de Auto zelf. Om toch aan het bezwaar tegemoet te gekomen inzake de BTW/marge kwestie is bij wijze van uitzondering in een compromis de aangifte dienovereenkomstig verminderd."

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.