Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3692

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2019
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
BK-19/00150
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet op de beschikbare gegevens is inderdaad sprake van verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2020/136 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00150

Uitspraak van 14 juni 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [A], de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 27 december 2018, nr. SGR 18/2073.

Overwegingen

1. De heffingsambtenaar heeft bij op naam van [B] B.V. te Amsterdam gestelde beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [Y] te [A] naar het prijspeil per 1 januari 2016 en voor het jaar 2017 op € 735.000 vastgesteld. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het door belanghebbende tegen de beschikking ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 333 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 519 is geheven. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Een mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft het Hof niet nodig gevonden. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben te kennen gegeven dat geen bezwaar bestaat de zaak zonder mondelinge behandeling af te doen.

4. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak, een winkelpand in eigendom van [C] in het winkelcentrum [D] te [A] . De beschikking is gegeven aan [B] B.V., een per 1 mei 2015 niet meer bestaande rechtspersoon waarvan de activiteiten in 2015 zijn overgenomen door belanghebbende.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of [de heffingsambtenaar] het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beoordeling van het geschil

5. [ De heffingsambtenaar] heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) sprake is van een zogeheten gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit gesloten stelsel heeft tot gevolg dat slechts bezwaar kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de aanslag is opgelegd.

6. [ Belanghebbende] heeft zich op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] en [ [B] B.V.] met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat [ [B] B.V.] een niet meer bestaande rechtspersoon is welke al in 2015 is overgenomen door [belanghebbende]. Het bezwaar had derhalve niet namens [ [B] B.V.] kunnen worden ingediend. Omdat het een feit van algemene bekendheid is dat [ [B] B.V.] voortaan als [belanghebbende] door het leven gaat en er dus geen verwarring kan bestaan over de vraag voor wie de aanslag is bestemd, is ervan afgezien de aanslag vanwege een onjuiste aanslag te laten vernietigen.

7. Aan [belanghebbende] kan worden toegegeven dat uit het ingediende uittreksel van de K.v.K. (gedateerd 26 januari 2018) ten name van [belanghebbende] is af te leiden dat er in elk geval samenhang bestaat tussen [belanghebbende] en [ [B] B.V.], reeds [omdat] in zoverre daarin is vermeld dat een van de handelsnamen van [belanghebbende] is ' [B] met [X] ' alsook dat het internetadres van [belanghebbende] luidt: www. [B] .nl.

8. Uit wat [belanghebbende] heeft gesteld volgt echter niet zonder meer dat [ [B] B.V.] in juridisch opzicht zou hebben opgehouden te bestaan. Voorts heeft [belanghebbende] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij met [ [B] B.V.] moet worden vereenzelvigd.

9. De slotsom is dan ook dat [belanghebbende] moet worden aangemerkt als een andere rechtspersoon dan [B] B.V.

10. Het voorgaande brengt met zich mee dat [de heffingsambtenaar] het door [belanghebbende] ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Al wat partijen over en weer nog hebben aangevoerd kan daar niet aan afdoen.

11. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

(…)"

6. In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

7. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet op de beschikbare gegevens is inderdaad sprake van verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd of ingebracht, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de heffingsambtenaar, dat een formeel of inhoudelijk beletsel is voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Opmerking verdient dat het in geding zijnde, op naam van [B] B.V., gestelde aanslagbiljet weliswaar melding maakt van de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde en een aanslag in de rioolheffing, maar niet, anders dan waar de Rechtbank van is uitgegaan, van een aanslag die deze waarde als maatstaf van heffing heeft: door de gemeente [A] is het tarief van het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelastingen voor niet-woningen met ingang van het jaar 2016 op nihil gesteld. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende een belang bij de hoogte van de waarde en dus bij het tegen de waarde gerichte bezwaar heeft.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen. De beslissing is op 14 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.