Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3684

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
200.267.103/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hof wijst verzoek tot gezagsbeëindiging af. Het verzoek is gedaan binnen drie maanden na ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Hof oordeelt dat de aanvaardbare termijn niet is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0028
FJR 2020/27.37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.267.103/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 19-3653

zaaknummer rechtbank : C/09/573697

beschikking van de meervoudige kamer van 18 december 2019

inzake

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C. Arslaner te Leidschendam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 3 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Bij het hof zijn voorts nog de volgende stukken binnengekomen:

- een journaalbericht van 4 november 2019 met bijlagen van de zijde van de moeder, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van 4 november 2019 met bijlage van de zijde van de moeder, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. C. Arslaner;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

Ter zitting was eveneens aanwezig [maatschappelijk werker van de moeder] , de maatschappelijk werker van de moeder.

2.3

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder nog een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de moeder zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), [in] 2013, te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), [in] 2009, te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk: de minderjarigen).

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag is de moeder eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

3.4

De moeder heeft eveneens het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .

3.5

De minderjarigen verblijven feitelijk in een gezinshuis.

3.6

Bij (spoed)beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 12 februari 2019 zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van 12 februari 2019 tot 26 februari 2019, alsmede is voor dezelfde duur machtiging verleend om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en is de behandeling van het overig verzochte aangehouden.

3.7

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 21 februari 2019 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen beëindigd en is de gecertificeerde instelling benoemd tot voogdes over de minderjarigen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking en verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor zover nodig met verbetering en aanvulling van de gronden de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het gezag van de moeder over de minderjarigen wordt hersteld (het hof begrijpt: het verzoek van de raad alsnog af te wijzen).

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder voert in haar verzoekschrift – zoals aangevuld ter zitting – kort weergegeven, het volgende aan. De aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de moeder is niet verstreken. De termijn van drie maanden, waarbinnen de minderjarigen uit huis zijn geplaatst, er een verzoek tot voorlopige voogdij en een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder zijn gedaan, is te kort om een evenwichtige belangenafweging te maken over een drastische en vergaande maatregel als beëindiging van het gezag. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om de minderjarigen weer terug te plaatsen bij de moeder. De moeder heeft niet de kans gehad aan te tonen dat zij bereid is mee te werken met de hulpverlening en de zorg voor de minderjarigen weer op te pakken. Inmiddels werkt de moeder aan alles mee wat door de gecertificeerde instelling van haar wordt gevraagd. De minderjarigen laten tijdens de bezoekmomenten geen gedragsproblemen zien. De thuissituatie van de moeder is inmiddels veel rustiger en beter dan ten tijde van de uithuisplaatsing en daarvoor. Ook met de moeder gaat het veel beter. De moeder heeft een bewindvoerder die haar helpt met haar financiën en administratie en zij heeft zich bij PsyQ aangemeld voor haar vermeende psychische problemen. De moeder acht zich in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen binnen een aanvaardbare tijd op zich te nemen. Het huidige pleeggezin waar de minderjarigen verblijven is geen perspectiefbiedend pleeggezin nu de minderjarigen al twee keer bij een ander pleeggezin zijn ondergebracht. Er is op dat punt geen sprake van een ongestoord hechtingsproces. De moeder is de enige stabiele factor in het leven van de minderjarigen. [minderjarige 2] geeft zelf aan terug naar huis te willen. De zorgmeldingen bij de raad zijn niet dusdanig ernstig, liggen allemaal in het verleden en hebben nooit eerder geleid tot een kinderbeschermingsmaatregel. Een eerder verzoek om ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is bij de rechtbank ingetrokken omdat dit niet meer nodig bleek. De beëindiging van het gezag is disproportioneel. Het recht van de vrouw op family life weegt zo zwaar dat haar kans dient te worden geboden de kinderen zelf te verzorgen en op te voeden. De gezagsbeëindiging is een inbreuk op dit recht.

5.2

De raad heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Al vanaf 2014 zijn er zorgmeldingen. Er was sprake van echtscheidingsproblematiek. Een verzoek om ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] is door de rechtbank afgewezen. Daarna zijn de zorgmeldingen doorgelopen, maar niet meer binnengekomen bij de raad. De minderjarigen moeten opgroeien in een klimaat waarbij zij veiligheid ervaren, waar zij geen verwaarlozing ervaren en waar zij zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige individuen. [minderjarige 2] laat tekenen van parentificatie zien, hetgeen voortkomt uit loyaliteit, maar wat ook duidt op een ervaring van onveiligheid. Het is goed om te zien dat de moeder hulpverlening heeft gevraagd en dat de maatschappelijk werker aangeeft dat zij goed aan het werk is, maar ook in 2015 en 2016 heeft zij opengestaan voor hulp en kon dit door haar niet vastgehouden worden. De minderjarigen moeten duidelijkheid krijgen over waar ze nu moeten verblijven. Het contact met de moeder moet behouden blijven, maar de minderjarigen dienen te weten waar ze aan toe zijn. Het is onbekend of er diagnostiek bij de moeder heeft plaatsgehad en het is onbekend of die periode kan worden afgewacht. Voor de minderjarigen zit een terugkeer naar huis er niet meer in.

5.3

Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling, bij monde van de jeugdbeschermer, het volgende naar voren gebracht. De gecertificeerde instelling staat achter de voogdijaanvraag van de raad. De moeder is al vroeg in de ontwikkeling van de minderjarigen nalatig geweest. Er was sprake van drugs- en alcoholgebruik. De moeder was vaak de niet beschikbare ouder die de minderjarigen nodig hadden. Dit blijkt ook uit de parentificatie die [minderjarige 2] laat zien. De minderjarigen zijn getuige en slachtoffer geweest van fysieke en emotionele verwaarlozing en mishandeling. Uit een psychologisch onderzoek dat kort geleden is verricht, blijkt dat er sprake is van hechtingsproblematiek bij beide minderjarigen, maar bij [minderjarige 2] in het bijzonder. De minderjarigen kunnen nu opgroeien in een stabiele omgeving, in een gezinshuis. De minderjarigen verblijven in twee gezinshuizen naast elkaar. De moeder laat aan de minderjarigen weten dat zij het verblijf van de minderjarige in het gezinshuis steunt. De omgangsregeling van twee uur per zes weken is, gelet op het feit dat er sprake is van hechtingsproblematiek, erg weinig. Het uitgangspunt van de gecertificeerde instelling is dat de minderjarigen zullen opgroeien op een andere plek dan thuis bij de moeder, maar te zorgen dat, indien de omstandigheden dat toelaten, de omgangsregeling in frequentie en in duur zo ruim en zo speels mogelijk wordt gemaakt.

5.4

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat in dit geval te spoedig is overgegaan tot de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarigen en dat deze maatregel op dit moment een te vergaande maatregel is. Vanaf het moment dat de minderjarigen voorlopig onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst tot aan het moment dat er om een gezagsbeëindiging is verzocht, zijn er slechts drie maanden verstreken. Het hof heeft onvoldoende zicht op de vraag of in dit geval, mede gelet op de leeftijd van de minderjarigen en het feit dat de minderjarigen tot aan februari 2019 altijd bij de moeder hebben verbleven, de aanvaardbare termijn daadwerkelijk is verstreken. Hoewel vaststaat dat er in het verleden meerdere meldingen zijn gedaan over huiselijk geweld, maar ook drank- en drugsgebruik van de moeder, heeft dit voorheen niet geleid tot het opleggen van een beschermingsmaatregel. De moeder heeft niet eerder in de situatie verkeerd dat de minderjarigen onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst. Uit de verklaring van de psycholoog, maar ook uit de verklaringen van de jeugdbeschermer ter zitting, blijkt dat de moeder groei vertoont in positieve zin. Zij vertoont doorzettingsvermogen, betrokkenheid bij de minderjarigen en komt haar afspraken na. Het hof is van oordeel dat, nu de moeder deze groei vertoont en het gaat om een voor haar geheel nieuwe situatie, gekeken dient te worden of de situatie voor de moeder nog verder verbeterd kan worden. Het hof acht een periode van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aangewezen om te bezien of het perspectief van terugkeer van de minderjarigen naar huis gerealiseerd kan worden. Hetgeen de raad met de gecertificeerde instelling naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om op dit moment al de conclusie te trekken dat er sprake is van het verstrijken van de aanvaardbare termijn en dat terugkeer van de minderjarigen naar huis in het geheel niet meer tot de mogelijkheden behoort. Het hof wijst het inleidende primaire verzoek van de raad dan ook alsnog af.

5.6

Gezien de afwijzing van het verzoek tot gezagsbeëindiging komt het hof nu toe aan de beoordeling van het inleidende subsidiaire verzoek van de raad tot een ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van één jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van de afwijzing van het verzoek tot gezagsbeëindiging en dan met name het oordeel van het hof dat het thans de vraag is of terugkeer van de minderjarigen naar huis tot de mogelijkheden behoort, zal het hof dit verzoek toewijzen en wel voor een kortere periode dan verzocht. Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen uit de stukken en ter zitting naar voren is gekomen is voldaan is aan de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en dat het voorts in het belang van de minderjarigen is dat er op kortere termijn duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief. Gelet op dit laatste zal het hof het verzoek voor zes maanden toewijzen en voor het overige afwijzen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende, primaire verzoek, van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alsnog af;

wijst het inleidende, subsidiaire verzoek, van de raad om de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam voor de periode van 6 maanden en de gecertificeerde instelling te machtigen de minderjarigen te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling, alsnog toe en wijst dit verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, A.H.N. Stollenwerck en M. Th. Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 18 december 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.