Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3609

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
200.255.105/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Art. 1:160 BW Samenwonen niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.255.105/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 18-764

zaaknummer rechtbank : C/10/543820

beschikking van de meervoudige kamer van 20 november 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.J. Sparreboom te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.C. Heijmann te Papendrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam van 26 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 25 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 16 mei 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 24 juli 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van 15 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 16 april 2019;

- een journaalbericht van 1 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 2 september 2019.

van de zijde van de vrouw:

- een journaalbericht van 29 augustus 2019 met bijlagen, ingekomen op 30 augustus 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 13 september 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting behoefte- en draagkrachtberekeningen overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- bij beschikking van 2 juni 2014 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is bepaald dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking;

- op 23 juni 2014 is de hiervoor genoemde beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

In het door partijen op 30 maart 2014 en 4 april 2014 ondertekend echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover thans relevant, het volgende overeengekomen:

Artikel 1 - partneralimentatie

1.1

Met het oog op het verschil in inkomen tussen partijen heeft de vrouw behoefte aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Partijen zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw een bedrag ad € 1.200,- per maand zal betalen terzake van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen.

1.2

Dit bedrag is aanzienlijk lager dan de behoefte van de vrouw, nu het gezamenlijk jaarinkomen van partijen ongeveer € 105.876,- bedraagt. Het jaarinkomen van de man bedraagt € 95.382,- en het jaarinkomen van de vrouw bedraagt ongeveer

€ 10.494,-. De vrouw behoudt zich dan ook alle rechten voor ten aanzien van de partneralimentatie.

1.3

De in het vorige lid van dit artikel genoemde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal met ingang van 1 januari 2015 zijn onderworpen aan wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW.”

3.3.

Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie in 2019 € 1.295,22 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking zijn de door partijen gedane verzoeken afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

4.2.

De grieven van de man zien op de beëindiging van zijn verplichting om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- voor recht te verklaren dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 juli 2017, althans met ingang van 14 maart 2018, althans met ingang van een door het hof in goede justitie vast te stellen datum is geëindigd op grond van het bepaalde in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

- te bepalen dat de vrouw de ten onrechte ontvangen partneralimentatie aan de man dient terug te betalen;

- de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen de ten behoeve van het rechercherapport gemaakte kosten;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

4.3.

De grieven van de vrouw zien op de wijziging van omstandigheden ter zake de partneralimentatie. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie daarin is afgewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de partneralimentatie te wijzigen in een door het hof te bepalen bedrag.

5 De motivering van de beslissing

Artikel 1:160 BW

5.1.

De man legt aan zijn hoger beroep het volgende ten grondslag. Hij stelt dat de feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, moeten leiden tot de conclusie dat de vrouw in 2017 en 2018 met [partner vrouw] samenwoonde als waren zij gehuwd. De man is van mening dat hij in eerste aanleg reeds heeft aangetoond dat de vrouw aan het samenwoningsvereiste voldoet en dat tussen haar en [partner vrouw] een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De man heeft hiertoe een rechercherapport overgelegd. Verder hebben de kinderen van partijen verklaard dat de vrouw en [partner vrouw] een relatie hebben, en dat zij vanaf het begin van deze relatie altijd bij elkaar waren. De vrouw en [partner vrouw] beschikten over en weer over de huissleutels van elkaars woningen. De omstandigheden dat de vrouw en [partner vrouw] samen koken, eten, de nacht doorbrengen en uitstapjes maken wijzen er op dat sprake is van samenwonen. Daarnaast staan de auto’s van de vrouw en [partner vrouw] voor de woning van een van hen of gebruiken zij samen één auto. De man acht het onbegrijpelijk dat uit het gegeven dat het huurcontract van de woning van [partner vrouw] aanvankelijk mede op naam van de vrouw stond en dat de naam van de vrouw en van [partner vrouw] op het naambordje bij die woning stonden, geen samenwoning kan worden afgeleid. Ondanks dat de vrouw zich op social media presenteert als vrijgezel, staat voor de man vast dat de levens van de vrouw en [partner vrouw] zodanig zijn vervlochten dat gesproken kan worden over een praktisch dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende een zekere tijd.

5.2.

De vrouw acht het onbegrijpelijk dat de man blijft volhouden dat hem een beroep op artikel 1:160 BW toekomt. Zij erkent dat er sprake is (geweest) van een affectieve relatie tussen haar en [partner vrouw] . Echter aan de overige vereisten van artikel 1:160 BW wordt niet voldaan. [partner vrouw] woont op een eigen adres. Vanwege de snelle verkoop van zijn eigen woning heeft [partner vrouw] haar woonpas gebruikt om in aanmerking te komen voor een woning, en daardoor zijn zij een korte periode aangemerkt als gezamenlijke huurders. Vandaar dat ook haar naam op het naambordje stond. De vrouw heeft al die tijd haar eigen woning in [woonplaats] behouden. Naast haar relatie met [partner vrouw] heeft de vrouw een geheel eigen leven met uitstapjes met vriendinnen, zorgmomenten voor haar moeder en contactmomenten met ouderen. Verder is de vrouw, naast haar relatie met [partner vrouw] , met ingang van januari 2019 een relatie aangegaan met [tweede partner vrouw] . Ook van de woning van deze man heeft zij een sleutel. Het feit dat zij een sleutel heeft van de woning van een man, waarmee zij al dan niet een exclusieve relatie heeft, zegt naar haar mening niets over het samenwonen met die man in de in de wet bedoelde zin. Daarnaast stelt de vrouw dat zij tijdens het huwelijk met de man teleurgesteld is in hem, waardoor een nieuwe vaste relatie haar angst inboezemt. Zij wordt nog steeds behandeld voor haar angsten die zij heeft voor de man. Ook thans blijkt nog steeds van de dominante houding van de man, aldus de vrouw. Tot slot betwist de vrouw de inhoud van het rechercherapport.

5.3.

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Om aan te kunnen nemen dat de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vereist dat tussen de vrouw en de ander (1) een affectieve relatie bestaat van (2) duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar (3) wederzijds verzorgen, (4) met elkaar samenwonen en (5) een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (vgl. onder meer HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).

5.5.

Het hof gaat er vanuit dat de vrouw en [partner vrouw] in ieder geval in 2017 en 2018 een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben gehad, hetgeen ook door de vrouw wordt erkend. Op basis van de in het geding gebrachte stukken, waaronder het rechercherapport van [recherchebedrijf] , kan naar het oordeel van het hof echter, anders dan de man meent, niet worden geconcludeerd dat de vrouw sinds 2017 met [partner vrouw] samenleeft als waren zij gehuwd. Het hof neemt hierbij over de gronden van de rechtbank die hebben geleid tot het oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van samenwonen en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt voorts nog als volgt. Naar het oordeel van het hof is niet althans onvoldoende gebleken dat de vrouw en [partner vrouw] een gezamenlijke financiële huishouding voeren dan wel hebben gevoerd. Het enkele gegeven dat zij regelmatig samen eten, boodschappen doen, uitstapjes maken en hun auto’s op bepaalde dagen en tijdstippen voor de woning van de vrouw of [partner vrouw] zijn aangetroffen, is daartoe niet voldoende. Naar het oordeel van het hof heeft de man voorts niet althans onvoldoende gesteld dat is voldaan aan het vereiste van wederzijdse verzorging. Ook houdt het hof rekening met de onweersproken stelling van de vrouw dat zij relaties onderhoudt met meerdere mannen. Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de restrictieve uitleg van artikel 1:160 BW, is het hof van oordeel dat de man er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw in of na 2017 is gaan samenwonen met [partner vrouw] als waren zij gehuwd, in de zin van voornoemde bepaling. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.

5.6.

Het beroep van de man om de vrouw te veroordelen de kosten van het rechercherapport aan hem te voldoen, slaagt, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.5. is overwogen, evenmin. De bestreden beschikking zal op dit onderdeel worden bekrachtigd.

Wijziging van omstandigheden

5.7.

De vrouw stelt zich vervolgens op het standpunt dat het wegvallen van haar WW-uitkering moet worden aangemerkt als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Zij heeft in de echtscheidingsprocedure uiteindelijk genoegen genomen met een lager bedrag aan partneralimentatie dan waar zij conform de wettelijke maatstaven recht op zou hebben. Een redelijke uitleg van artikel 1.2. van het echtscheidingsconvenant maakt dat zij de mogelijkheid heeft behouden om een wijziging conform de geldende maatstaven te verzoeken. De vrouw stelt dat zij, ook met inachtneming van haar inkomen uit dienstbetrekking, niet in staat is om zelf in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.8.

De man voert verweer tegen het incidenteel appel van de vrouw. Hij stelt dat het destijds overeengekomen bedrag conform het voorstel van de advocaat van de vrouw is vastgesteld. Het convenant brengt niet met zich dat ook zonder een wijziging de bijdrage zou kunnen worden gewijzigd. Daarbij komt dat er sprake was van een package-deal, nu hij de huwelijkse schulden en de onderwaarde van de echtelijke woning voor zijn rekening heeft genomen. Verder was het wegvallen van de WW-uitkering voorzienbaar en kan dit vier jaar na de echtscheiding geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden meer opleveren, aldus de man. Tot slot zou de vrouw, in de visie van de man, net als tijdens het huwelijk van partijen wederom fulltime arbeid kunnen verrichten. Volgens hem blijkt uit niets dat zij in dit verband heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting.

5.9.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende het levensonderhoud bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.10.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gelet op de datum waarop het convenant is gesloten en de datum waarop de WW-uitkering is gestopt, het ondenkbaar is dat partijen daarmee bij de bepaling van de hoogte van de partneralimentatie geen rekening zouden hebben gehouden. Nog daargelaten dat er reeds verscheidene jaren zijn verstreken na het stoppen van de WW-uitkering alvorens de vrouw een wijziging van de partneralimentatie heeft verzocht. Verder volgt uit de strekking van het convenant dat er sprake is van een package-deal, zoals de man heeft gesteld. Dit alles brengt met zich dat de vrouw naar het oordeel van het hof niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Op grond hiervan zal het hof de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.

Terugbetaling te veel ontvangen partneralimentatie

5.11.

Het hof zal het verzoek van de man strekkende tot terugbetaling door de vrouw van de door haar te veel ontvangen partneralimentatie, gelet op het bovenstaande, afwijzen.

Proceskostenveroordeling

5.12.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. De vrouw verweert zich hiertegen.

5.13.

Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en het de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, P.B. Kamminga en A. Zonneveld, bijgestaan door mr. A.J. Nederveen als griffier, en is op 20 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.