Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3539

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
200.259.116-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AVG; Recht om vergeten te worden; Bijzondere en strafrechtelijke gegevens; Gegevens over civielrechtelijk contactverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.259.116/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/548500 / HA RK 18-356

beschikking van 24 december 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: Appellant,

advocaat: mr. F.I. van Dorsser te Rijswijk,

tegen

Google LLC,

gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Google,

advocaat: mr. A. Strijbos te Amsterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij beroepschrift, met producties, binnengekomen bij het hof op 6 mei 2019, heeft appellant het hof verzocht de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2019

te vernietigen en opnieuw recht doende – samengevat – het in eerste aanleg verzochte alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Google in de kosten van beide instanties.

1.2.

Google heeft bij verweerschrift, binnengekomen bij het hof op 6 augustus 2019, verweer gevoerd.

1.3.

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Beide zijden hebben bij die gelegenheid hun standpunten laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten en Google ook door mr. M.A.A. Oostveen, advocaat te Amsterdam. De advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities.

1.4.

Met het oog op de mondelinge behandeling heeft Appellant de aanvullende producties 63-67 en heeft Google de aanvullende producties 46-52 ingediend.

2 De feiten

2.1.

De feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in de bestreden beschikking onder 2 zijn niet in geschil. Ook het hof gaat uit van die feiten, aangevuld met een aantal feiten die het hof heeft vastgesteld.

2.2.

Appellant is vastgoedondernemer en verhuurt woningen.

2.3.

Appellant is op [datum 1] 2015 strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht, meer specifiek voor een poging twee huurders zo onder druk te zetten dat zij hun zaak tegen Appellant bij de huurcommissie zouden intrekken. Er is een voorwaardelijke taakstraf en een boete van € 1000,- opgelegd. De bestrafte feiten dateren van [datum 2] 2013 en [datum 3] 2013. De proeftijd verliep op 12 maart 2017.

2.4.

Bij vonnis van [datum 4] 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland een door drie huurders gevorderd gebieds- en contactverbod tegen Appellant toegewezen. Bij arrest van [datum 5] 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat vonnis bekrachtigd. Het hof heeft in dat arrest geoordeeld dat genoegzaam aannemelijk was gemaakt dat de huurders in periode van 31 juli 2017 tot en met 22 augustus 2017 slachtoffer zijn geworden van intimiderend gedrag en dat een redelijkerwijs een verband te leggen is met een procedure van de huurders tegen Appellant voor de Huurcommissie en een bepalende rol van Appellant bij het intimiderende gedrag.

2.5.

Aan Appellant zijn diverse bestuurlijke lasten onder dwangsom opgelegd ter nakoming van de verplichting van Appellant ervoor zorg te dragen dat er geen gevaar voor veiligheid of gezondheid bestaat als gevolg van de staat van een bouwwerk waarvan Appellant eigenaar is. Appellant heeft ook bestuursrechtelijke boetes opgelegd gekregen.

2.6.

Google Search is een door Google op het internet aangeboden zoekmachine. Google Search helpt internetgebruikers om aan de hand van één of meer opgegeven zoektermen informatie op het internet te vinden. De naar aanleiding van de opgegeven zoekterm(en) weergegeven zoekresultatenpagina toont hyperlinks (URL’s) die verwijzen naar webpagina’s, maar ook naar afbeeldingen of video’s op het internet.

2.7.

Bij het opgeven van de volledige naam van Appellant als zoekterm in Google Search worden als zoekresultaten verschillende URL’s weergegeven.

2.8.

Op 14 maart 2018 heeft Appellant met behulp van een daartoe bestemd onlineformulier Google verzocht om 74 URL’s niet langer als resultaat te tonen bij het invoeren van zijn naam in Google Search.

2.9.

Google heeft hierop per e-mail van 21 maart 2018 ten aanzien van het grootste gedeelte van de URL’s het volgende aan (de advocaat van) Appellant bericht:

Onze conclusie is dat de rol van uw client in het openbare leven het algemeen belang, het verdere gebruik van de URL’s in kwestie in de zoekresultaten van Google rechtvaardigt.

Google heeft besloten op dit moment geen actie te ondernemen tegen deze URL’s.

3 Het geschil

3.1.

In eerste aanleg heeft Appellant verzocht om Google te gebieden om onverwijld, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, de verwijzing naar 36 weblinks die voortkomen uit de zoekopdracht naar zijn naam uit de zoekresultaten te verwijderen dan wel af te schermen, een en ander op straffe van het aan Appellant verbeuren van een dwangsom ten bedrage van € 10.000,00 per dag, dan wel zulk ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van Google in de proceskosten.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, met veroordeling van Appellant in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat zoekresultaten leiden naar bronpagina’s met bijzondere persoonsgegevens geen grond om het verwijderingsverzoek zonder nadere beoordeling of afweging toe te wijzen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het publiek belang bij kennisneming van de berichtgeving omtrent Appellant zwaarder weegt dan het belang van Appellant bij verwijdering van de URL’s.

3.3.

In beroep verzoekt Appellant het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2019 te vernietigen en opnieuw recht doende – samengevat – het in eerste aanleg verzochte alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Google in de kosten van beide instanties. Appellant voert in dat kader acht grieven aan, waarmee hij beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Google heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

4 De beoordeling

toepasselijk recht

4.1.

Het verzoek van Appellant moet worden beoordeeld aan de hand van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679, hierna: AVG) in plaats van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), omdat de AVG op 25 mei 2016 in werking is getreden en na een overgangstermijn van twee jaar met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is geworden (art. 99 AVG).

4.2.

Dat de Nederlandse wetgever in artikel 48, tiende lid, van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (hierna: UAVG) heeft bepaald dat op schriftelijke verzoeken als bedoeld in artikel 46 Wbp die op het moment van inwerkingtreding van de UAVG reeds aanhangig zijn bij de rechtbank, het recht van toepassing is zoals dit gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de UAVG, kan niet leiden tot een andere uitkomst. Het verzoekschrift is in dit geval het herziene verzoekschrift dat Appellant op 28 september 2018, dus na inwerkingtreding van de UAVG, heeft ingediend. Dat Appellant in april 2018 ook een verzoekschrift heeft ingediend is niet relevant. Appellant heeft aangegeven dat het herziene verzoekschrift in de plaats moest worden gesteld van het in april 2018 ingediende verzoekschrift. De rechtbank heeft conform de wens van Appellant beslist op dat herziene verzoek. In hoger beroep heeft Appellant daar ook geen grieven tegen gericht. Bovendien moet het hof de zaak, binnen het door de grieven getrokken gebied, opnieuw beoordelen. Ook om die reden moet het hof in deze zaak de AVG toepassen. De Uniewetgever heeft immers gekozen voor directe werking van de AVG na afloop van de overgangstermijn van twee jaar na de inwerkingtreding.

4.3.

Overigens maakt het voor de uitkomst van deze zaak niet uit of wordt getoetst aan de AVG of de Wbp. Dat zal het hof hierna ten overvloede toelichten.

bijzondere en strafrechtelijke gegevens

4.4.

Het betoog van Appellant dat er bij zoekresultaten die verwijzen naar webpagina’s waarop bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 9 AVG of strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van artikel 10 AVG staan, geen plaats is voor een belangenafweging en dat Google geen beroep kan doen op de toepasselijke uitzonderingen op het verbod om die persoonsgegevens te verwerken, moet worden verworpen. Bij arrest van 24 september 2019 (hierna: het GC/CNIL-arrest) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek tot verwijdering van een link naar een webpagina waarop bijzondere gegevens in de zin van artikel 9 AVG zijn gepubliceerd, op basis van alle relevante elementen van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten van de betrokkene op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, om de redenen van algemeen zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder g) AVG, en onder eerbiediging van de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden, moet nagaan of de opname van deze link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van de in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) verankerde recht op vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina via een dergelijke zoekopdracht.1 In rechtsoverweging 75 van dit arrest heeft het hof eenzelfde oordeel gegeven over de beoordeling van verzoeken tot verwijdering van links naar webpagina’s waarop strafrechtelijke gegevens in de zin van artikel 10 AVG staan.

4.5.

Blijkens het GC/CNIL-arrest moet de opname van een link naar een webpagina waarop bijzondere persoonsgegevens worden gepubliceerd in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op naam van de betrokkene die strikt noodzakelijk is ter bescherming van de vrijheid van informatie van internetgebruikers, worden aangemerkt als een verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang in de zin van artikel 9, tweede lid, onder g) AVG.

4.6.

Ook is voldaan aan de overige voorwaarden voor de toepassing van de uitzondering van artikel 9, tweede lid, onder g) AVG, te weten de vereiste basis in het Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel is gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Het zwaarwegende algemene belang van de bescherming van de informatievrijheid wordt namelijk beschermd door onder meer artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), dat al dan niet na omzetting onderdeel uitmaakt van het nationale recht van de lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland (en door artikel 11 van het Handvest). In de rechtspraak over die EVRM-bepaling is beslist dat de vrijheid om informatie te ontvangen onderdeel uitmaakt van die fundamentele vrijheid en dat het internet een van de belangrijkste middelen is om die vrijheid te kunnen uitoefenen.2 Zoals het Hof van Justitie in het hiervoor genoemde GC/CNIL-arrest bevestigt, kan de verwerking van persoonsgegevens door zoekmachines noodzakelijk zijn voor de uitoefening van die fundamentele vrijheid van internetgebruikers. Ter bescherming van die fundamentele vrijheid kan in de verhouding tot de overheid rechtstreeks een beroep worden gedaan op artikel 10 EVRM. In horizontale verhoudingen werkt het grondrecht door in andere bepalingen, zoals artikel 6:162 BW. De voor de bescherming van die fundamentele vrijheid noodzakelijke verwerkingen hebben dus een basis in het lidstatelijk recht.

4.7.

Het lidstatelijk recht bevat ook passende en specifieke maatregelen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene, die onder meer de evenredigheid met het nagestreefde doel en eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens waarborgen. Het EVRM waarborgt in artikel 8 EVRM namelijk ook het recht op eerbiediging van het privéleven en het daarin besloten recht op bescherming van persoonsgegevens en verplicht tot bescherming van die rechten, ook horizontale verhoudingen. In zaken waarin die rechten van betrokkene botsen met door artikel 10 EVRM beschermde vrijheden brengt dat mee dat een juist evenwicht (fair balance) moet worden gevonden door een weging van die rechten in het licht van alle relevante omstandigheden. Van een dergelijk evenwicht kan alleen spraken zijn als de inbreuk op de rechten van betrokkene niet verder gaat dan noodzakelijk is ter bescherming van de vrijheid van informatie, de inbreuk evenredig is met het belang van de informatievrijheid en de wezenlijke inhoud van de rechten van betrokkene wordt gerespecteerd. Daarnaast is voorzien in rechtsbescherming voor de betrokkene. De betrokkene kan de afweging van zijn rechten tegen de informatievrijheid van gebruikers, waaronder de evenredigheid van de inbreuk en de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van zijn rechten, in rechte laten toetsen in een procedure zoals de onderhavige.

4.8.

De uitkomst zou niet anders zijn als de zaak zou moeten worden beslist op basis van de Wbp. De Wbp moet worden uitgelegd conform de Europese richtlijn 95/46/EG. In het GC/CNIL-arrest heeft het Hof van Justitie beslist dat de bepalingen van die richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek tot verwijdering van een link naar een webpagina waarop persoonsgegevens die onder de in artikel 8, leden 1 of 5, van deze richtlijn bedoelde bijzondere categorieën vallen zijn gepubliceerd, op basis van alle relevante elementen van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten van de betrokkene op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, om de redenen van algemeen zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van deze richtlijn en onder eerbiediging van de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden, moet nagaan of de opname van deze link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van het in artikel 11 van dat Handvest verankerde recht op vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina via een dergelijke zoekopdracht. Het vierde lid van artikel 8 van de richtlijn stelt vergelijkbare voorwaarden als artikel 9, tweede lid, onder g) AVG, namelijk een basis in een nationale wet en passende waarborgen. Aan die voorwaarden was ook onder het regime van de richtlijn voldaan, omdat artikel 10 EVRM en het vereiste evenwicht met rechten van betrokkene ook toen al gold (zie over dat evenwicht hiervoor onder 4.6 en 4.7).

4.9.

Het feit dat Google geen beroep heeft gedaan op de hiervoor genoemde bepalingen van de richtlijn en AVG, brengt niet mee dat het hof die buiten toepassing moet laten. Het hof moet ambtshalve de rechtsgronden aanvullen nu de feiten waarop Google zich beroept wel voldoende zijn voor toepassing van die bepalingen. Die verplichting weegt extra zwaar omdat die bepalingen de bescherming waarborgen van fundamentele rechten van personen die geen partij zijn in deze procedure, te weten internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot webpagina’s via een zoekopdracht. Op die grondrechtelijke inkadering door onder meer artikel 10 EVRM heeft Google ook uitdrukkelijk gewezen. Appellant heeft ook onderkend dat uit het GC/CNIL-arrest volgt dat moet worden nagegaan of Google een beroep kan doen op de redenen van zwaarwegend algemeen belang in de zin van de artikelen 8, vierde lid, van richtlijn 95/46/EG en 9, tweede lid, onder g) AVG en heeft daarover bij de mondelinge behandeling een standpunt naar voren gebracht (pleitnota, paragraaf 15).

4.10.

Daar komt bij dat, zoals het Hof van Justitie ook heeft opgemerkt in het GC/CNIL-arrest, artikel 17, derde lid, onder a) AVG uitdrukkelijk bepaalt dat toepassing van het recht op gegevenswissing is uitgesloten wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde recht op, onder meer, vrijheid van informatie. Ook op die grond moet een verzoek om verwijdering van een link naar een webpagina waarop persoonsgegevens zijn gepubliceerd die vallen onder de in artikel 9 of 10 AVG bedoelde bijzondere categorieën, worden afgewezen als de opname van die link strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van de vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina via een dergelijke zoekopdracht. Google heeft uitdrukkelijk een beroep gedaan op artikel 17, derde lid, AVG.

noodzaak

4.11.

Naar het oordeel van het hof is de opname van de links waarop het verzoek van Appellant betrekking heeft in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van Appellant om de volgende redenen strikt noodzakelijk ter bescherming van de vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina’s via een dergelijke zoekopdracht.

4.12.

De strekking van alle publicaties op de webpagina’s waarnaar de links verwijzen (hierna: de bronpublicaties) is dat Appellant een ‘huisjesmelker’ is die betrokken is geweest bij diverse problemen en misstanden op de huurmarkt en die daarom voorwerp is van kritiek van huurders, gemeenten en media. Daarbij wordt in de publicaties vermeld dat Appellant strafrechtelijk, bestuursrechtelijk en/of civielrechtelijk is aangepakt en/of veroordeeld voor een aantal van die problemen en misstanden.

4.13.

Vast staat dat de hiervoor beschreven strekking van de bronpublicaties juist is. Niet ter discussie staat dat Appellant, al dan niet via een van zijn rechtspersonen, een groot aantal woningen verhuurt. Appellant heeft ook niet bestreden dat een groot deel van de huurders van die woningen studenten en arbeidsmigranten zijn, die in de huidige woningmarkt een relatief kwetsbare positie hebben, dat tenminste 70 huurders bij de huurcommissie hebben geklaagd over te hoge huren en dat de huurcommissie een groot aantal huurders in het gelijk heeft gesteld. In het licht van die feiten en omstandigheden is het gebruik van de term ‘huisjesmelker’ (en woorden van gelijke strekking) in de bronpublicaties gerechtvaardigd. Ook is onbetwist dat Appellant in zijn hoedanigheid van (bestuurder van de) verhuurder betrokken is geweest bij verschillende problemen en misstanden, waaronder pogingen huurders te dwingen hun zaak bij de huurcommissie in te trekken en veelvuldige overtredingen van veiligheidsvoorschriften. Appellant bestrijdt weliswaar een aantal specifieke beschuldigingen in de bronpublicaties en voert aan dat bepaalde panden inmiddels wel aan de veiligheidseisen voldoen (zie daarover r.o. 4.19 e.v.), maar ontkent niet dat er sprake is geweest van onder meer strafbare pogingen tot dwang ten opzichte van huurders en van overtredingen van veiligheidsvoorschriften. Verder is niet in geschil is dat Appellant strafrechtelijk, bestuursrechtelijk en civielrechtelijk is aangesproken en/of veroordeeld voor die problemen en misstanden. Appellant heeft zelf gewezen op de strafrechtelijke en civielrechtelijke veroordelingen die hiervoor zijn beschreven onder 2.3 en 2.4. Daarnaast heeft Appellant zelf aangevoerd dat hem bestuursrechtelijke boetes zijn opgelegd, dat gemeenten hem vergunningen hebben geweigerd vanwege een ernstig gevaar van misbruik en dat diverse lasten onder dwangsommen aan hem zijn opgelegd op grond van schending van veiligheidsvoorschriften.

4.14.

Gelet op het voorgaande heeft Google terecht aangevoerd dat internetgebruikers die de naam van Appellant invoeren in haar zoekmachine een zwaarwegend belang hebben bij kennisneming van de bronpublicaties en dus bij de opname van de links naar die publicaties in de zoekresultaten. Ten eerste zijn de beschreven misstanden in de huursector en de rol van Appellant daarbij onderwerp van een voortdurend maatschappelijk en politiek debat. Ter onderbouwing daarvan heeft Google er, onder verwijzing naar vele producties, op gewezen dat in de landelijke en regionale politiek en media veelvuldig aandacht wordt besteed aan de rol van huisjesmelkers bij de krapte op de woningmarkt en dat Appellant in dat kader regelmatig dient als voorbeeld, omdat hij exemplarisch zou zijn voor de problematiek. Dergelijke, voor het maatschappelijke en publieke debat relevante informatie valt bij uitstek onder de vrijheid van informatie van het publiek en is daarom van zwaarwegend belang voor de internetgebruiker. Ten tweede kunnen de internetgebruikers huurders of potentiële huurders van Appellant zijn. Gelet op de omvang van de vastgoedportefeuille van Appellant is dat een substantiële groep. Zij hebben een aanvullend zwaarwegend belang om de bronpublicaties te vinden, omdat, zoals de rechtbank heeft overwogen, die een waarschuwend inzicht geven in de wijze van zakendoen door Appellant.

4.15.

Uit het voorgaande volgt ook dat Appellant vanwege zijn optreden als verhuurder, mede vanwege de omvang van zijn vastgoedportefeuille en het aantal incidenten, een rol speelt in het openbare leven, ook als hij niet zou moeten worden aangemerkt als publieke figuur in de strikte zin van het woord. De rol die hij in het openbare leven speelt, brengt mee dat hij tot op zekere hoogte moet dulden dat er negatieve informatie over hem vindbaar is via de zoekmachine van Google. Dat geldt zeker voor de uit de bronpublicaties blijkende informatie, omdat die informatie betrekking heeft op gedrag van Appellant in de professionele context van de verhuur van vastgoed.

4.16.

Het hiervoor geschetste beeld van Appellant dat uit de bronpublicaties naar voren komt, is ook nog actueel. De bronpublicaties zijn de afgelopen vijf jaar verschenen en hebben betrekking op feiten die doorlopen tot medio 2018. Niet aannemelijk is dat Appellant zijn handelswijze sindsdien wezenlijk heeft gewijzigd. Integendeel, Google heeft gewezen op nog recentere publicaties die ondersteunen dat het beeld dat de bronpublicaties van Appellant schetsen nog juist is. Zo heeft Google onweersproken aangevoerd dat ROOD, de jongerenafdeling van de SP, Appellant op [datum 6] 2019 heeft uitgeroepen tot ‘huisjesmelker van het jaar’ omdat Appellant ‘te hoge servicekosten’, ‘illegale bemiddelingskosten’ en ‘torenhoge huren’ vraagt en dat het televisieprogramma [naam programma] op [datum 7] 2019 aandacht heeft besteed aan Appellant waarbij diverse huurders aan het woord zijn gekomen die klagen over achterstallig onderhoud, onveilige situaties en intimidatie vanwege bij de huurcommissie ingediende verzoeken. Het – niet of nauwelijks onderbouwde – verweer van Appellant dat hij zijn leven heeft gebeterd, moet daarom worden verworpen.

4.17.

Anders dan Appellant betoogt, brengt het feit dat de proeftijd die was verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde strafrechtelijke veroordeling inmiddels is verstreken en het feit dat die veroordeling inmiddels niet meer in de weg staat aan de verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag niet zonder meer mee, dat geen strikte noodzaak meer bestaat bij de vindbaarheid van gegevens over die veroordeling. Die noodzaak moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de hiervoor besproken actualiteit van het beeld dat de bronpublicaties van Appellant presenteren.

4.18.

Ook weegt mee dat de bronpublicaties zijn gepubliceerd door journalistieke media of andere organisaties die als taak hebben het publiek te informeren, zoals de maatschappelijk adviesbureau !WOON en de stichting Wooninfo.nl. De aard van die bronnen onderstreept het belang van de vindbaarheid van de bronpublicaties.

4.19.

Het betoog van Appellant dat de bronpublicaties op bepaalde punten niet juist zijn of niet de meest actuele stand van zaken weergeven, kan niet leiden tot een andere uitkomst. De door Appellant genoemde punten betreffen ondergeschikte onderdelen van de bronpublicaties. Als die onderdelen niet juist zijn of niet de meest actuele stand van zaken weergeven, doet dat niet af aan de juistheid en actualiteit van de hiervoor weergegeven algemene strekking van de bronpublicaties. Gelet op het zwaarwegende belang van het publiek bij het vinden van die informatie, zou het verwijderen van de links daarnaar op de grond dat ondergeschikte punten niet juist of achterhaald zijn, niet getuigen van een juist evenwicht tussen de rechten van betrokkene en de informatievrijheid van internetgebruikers. Dat zal hierna nader worden toegelicht aan de hand van de belangrijkste kritiekpunten die Appellant naar voren heeft gebracht.

4.19.1.

Appellant klaagt dat een aantal bronpublicaties de feiten waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld onjuist weergeeft. Zo melden de bronpublicaties waarnaar URL’s 3, 5 en 83 verwijzen dat hij is veroordeeld voor het gooien van boterzuur of het dichtlijmen van sloten, hoewel die specifieke feiten volgens Appellant niet aan hem zijn ten laste gelegd. Daarnaast gebruiken de bronpublicaties waarnaar de URL’s 12, 16 en 23 verwijzen de termen ‘bedreiging’ of ‘intimidatie’. Die kwalificaties zijn volgens Appellant onjuist, omdat hij is veroordeeld voor een poging een ander door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk te dwingen iets te doen in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. Deze punten van Appellant zijn van ondergeschikt belang, omdat zij niet afdoen aan de juistheid van de kernboodschap van deze bronpublicaties, te weten dat Appellant betrokken is bij problemen en misstanden op de huurmarkt en strafrechtelijk is veroordeeld voor gedrag dat erop gericht was dat huurders hun zaak tegen Appellant bij de huurcommissie niet zouden doorzetten.

4.19.2.

Daarnaast klaagt Appellant erover dat in de bronpublicaties waarnaar onder meer de URL’s 8, 9, 15, 22 en 30 verwijzen wordt gemeld dat een specifiek pand niet aan de veiligheidseisen voldoet. Die informatie zou volgens Appellant achterhaald zijn omdat de desbetreffende panden inmiddels wel aan de veiligheidseisen voldoen. Het feit dat Appellant panden heeft verhuurd die niet aan de veiligheidseisen voldoen blijft echter relevant, ook als een specifiek, in een bronpublicatie genoemd pand inmiddels wel aan de veiligheidseisen voldoet. Dat geldt zeker omdat, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, Appellant zeer veel panden verhuurt en niet kan worden aangenomen dat Appellant zijn leven heeft gebeterd. Dat bepaalde panden inmiddels wel op orde zijn, maakt nog niet dat de kernboodschap van die bronpublicaties, te weten dat Appellant betrokken is bij problemen en misstanden op de huurmarkt, waaronder de overtreding van veiligheidseisen, achterhaald is.

4.19.3.

Appellant maakt ook bezwaar tegen de bronpublicatie waarnaar URL 13 en URL 21 verwijzen, omdat daarin wordt vermeld dat de gemeente een last onder dwangsom heeft opgelegd aan Appellant vanwege een ‘overlastgevende en illegale situatie’ in een destijds door Appellant verhuurd pand aan de [adres] in [plaatsnaam]. Appellant voert aan dat deze informatie achterhaald is, omdat de rechter inmiddels heeft geoordeeld dat – samengevat – de gemeente had moeten afzien van handhavend optreden omdat concreet zicht was op legalisatie door verlening van een vergunning van rechtswege. De boodschap van het artikel is echter niet alleen dat Appellant het pand aan de [adres] heeft verhuurd zonder de juiste vergunning, maar ook dat de vaste bewoners van dat pand overlast ervoeren van tijdelijke arbeidsmigranten die Appellant daar stelselmatig huisvestte en dat de gemeente die problematiek heeft willen aanpakken via de regels voor vergunningen. Gesteld noch gebleken is dat de informatie over die overlast onjuist of achterhaald is, terwijl ook dat relevante informatie is voor het publiek in het algemeen en huurders en potentiële huurders van Appellant in het bijzonder. Daar komt bij dat het artikel ook meldt dat de gemeente bij inspecties in andere panden die in beheer zijn bij Appellant feiten heeft geconstateerd die wijzen op overtredingen van de afgegeven vergunning. Gesteld noch gebleken is dat ook die informatie achterhaald is.

4.19.4.

Hetzelfde geldt voor andere URL’s die verwijzen naar bronpublicaties waarin melding wordt gemaakt van een last onder dwangsom die later door de rechter is vernietigd (onder meer de URL’s 18, 19 en 24). Ook die bronpublicaties gaan vooral over overlast, hoge huren en misstanden, zoals intimidatie en brandveiligheidsrisico’s, en vermelden de last onder dwangsom in het kader van de beschrijving van de aanpak van die problematiek door de gemeente. Omdat het belang van het publiek dat zoekt op de naam van Appellant vooral is gelegen in de eerstgenoemde informatie, neemt de vernietiging van de last onder dwangsom het belang van het publiek om de desbetreffende bronpublicaties te vinden niet weg.

4.19.5.

Verder maakt Appellant bezwaar tegen de bronpublicaties waarnaar URL’s 4, 6 en 20 verwijzen omdat daarin melding wordt gemaakt van een voor hem negatief advies op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bibob). Volgens Appellant is deze informatie feitelijk onjuist, onvolledig, verouderd en bovenmatig omdat de rechter het besluit van de gemeente om vergunningen te weigeren op grond van dat Bibob-advies heeft vernietigd en dat die vernietiging in hoger beroep is bekrachtigd. Die vernietiging brengt echter niet mee dat de algemene strekking van deze bronpublicaties, te weten dat Appellant een ‘huisjesmelker’ is die betrokken is bij verschillende misstanden en dat gemeentes daarom zware middelen tegen hem inzetten, onjuist is. Het publiek houdt dus een zwaarwegend belang bij vindbaarheid van die publicaties als wordt gezocht op de naam van Appellant. In de bedoelde rechterlijke uitspraken is overigens niet vastgesteld dat Appellant geen voorschriften heeft overtreden, dat de conclusie van het Bibob-advies onjuist is of dat de gemeente de vergunningen niet had mogen weigeren.

4.19.6.

Om vergelijkbare redenen moeten de bezwaren van Appellant tegen bronpublicaties die klachten van huurders en gemeenteambtenaren weergeven die volgens Appellant ongegrond zijn, worden verworpen. Appellant bestrijdt een aantal van de klachten die naar voren komen in de bronpublicaties waarnaar onder meer de URL’s 19, 33, 35 en 36 verwijzen, zoals specifieke klachten over huisvredebreuk, overlast, betrokkenheid bij intimidatie en pesterijen en illegale bouw, bewoning en installaties. Die specifieke klachten dienen in de bronpublicaties als illustratie van het hiervoor weergegeven algemene verhaal over Appellant, waarvan de juistheid wel vaststaat. Ook als een of meer dan die specifieke klachten ongegrond zijn, zoals Appellant stelt, houdt het publiek daarom een zwaarwegend belang bij vindbaarheid en kennisneming van de betreffende bronpublicaties. Daar komt bij dat in een aantal bronpublicaties, bijvoorbeeld de publicatie waarnaar URL 33 verwijst, een weerwoord van Appellant is opgenomen.

4.20.

Daarnaast wijst Appellant erop dat in de bronpublicatie waarnaar URL 22 verwijst een foto is te zien van zijn woning en vrouw. Die bronpublicatie beschrijft de verkiezing van Appellant tot ‘huisjesmelker van het jaar’ door de jongerenafdeling van de SP, ROOD. De foto toont de uitreiking van de ‘gouden brandblusser’ die bij die uitverkiezing hoort. Internetgebruikers hebben om die hiervoor genoemde redenen een zwaarwegend belang bij vindbaarheid van informatie over die uitverkiezing en de in de publicatie vermelde redenen voor die uitverkiezing. De weergave van de woning en vrouw van Appellant weegt daar onvoldoende tegenop, mede omdat – zoals Google onbestreden heeft aangevoerd – de woning en de vrouw niet herkenbaar in beeld worden gebracht voor de gemiddelde internetgebruiker, die niet op de hoogte zal zijn van het uiterlijk van de woning of de vrouw van Appellant. Verder stelt Appellant dat de bronpublicatie waarnaar URL 31 verwijst, via een kaart de locatie van zijn gezinswoning bekend maakt. Die stelling wordt niet ondersteund door de uitdraai van de bronpublicatie die Appellant heeft overgelegd als productie 31. Die uitdraai toont niet de kaart die Appellant in het beroepschrift weergeeft, laat staan een precieze locatie op een kaart. De uitdraai van de website van Omroep Brabant toont alleen een sterk verkleinde weergave van een kaart van ‘Breda Centrum’. Gesteld noch gebleken is dat Appellant in het centrum van Breda woont. Integendeel, Appellant geeft in het verzoekschrift en beroepschrift Rotterdam op als woonplaats en Google heeft aangevoerd dat Appellant op een landgoed woont.

4.21.

Het betoog van Appellant dat de lijst met zoekresultaten een onevenwichtig beeld van hem schetst omdat daarin alleen de voor hem negatieve zoekresultaten voorkomen, moet worden verworpen. Google heeft onderbouwd met uitdraaien van lijsten van zoekresultaten aangevoerd dat als wordt gezocht op de naam van Appellant veel zoekresultaten verschijnen die verwijzen naar eigen websites van Appellant en naar websites die hem koppelen aan diverse liefdadigheidsacties.

niet-bijzondere gegevens

4.22.

Ten overvloede overweegt het hof dat de conclusie dat de afweging uitvalt in het nadeel van Appellant zeker geldt voor zover in de bronpublicaties geen bijzondere gegevens in zin van artikel 9 AVG of strafrechtelijke gegevens in de zin van artikel 10 AVG voorkomen. Daaronder vallen ook de bronpublicaties die wel melding maken van civielrechtelijke contactverboden.

4.23.

Een door de civiele rechter opgelegd contactverbod kan, anders dan Appellant betoogt, niet worden aangemerkt als een persoonsgegeven betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG. De verwijzing naar het strafrecht impliceert dat het tenminste moet gaan om maatregelen met een punitief karakter. Een civielrechtelijk contactverbod heeft geen punitief karakter. Het feit dat de Nederlandse wetgever in artikel 1 van de UAVG heeft bepaald dat onder het begrip persoonsgegevens van strafrechtelijke aard mede vallen persoonsgegevens betreffende een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag maakt dat niet anders. Het begrip persoonsgegeven betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG is een Unierechtelijk begrip dat autonoom moet worden uitgelegd. De AVG geeft de lidstaten niet de mogelijkheid een eigen, ruimere invulling te geven aan dat begrip.

4.24.

Het voorgaande laat onverlet dat ook zoekresultaten die verwijzen naar bronpublicaties met persoonsgegevens over civielrechtelijke contractverboden bijzonder schadelijk kunnen zijn voor Appellant en dat die schade moet worden meegewogen in de beoordeling. Om de redenen genoemd in overweging 4.11 en verder moet echter worden geoordeeld dat verwijzing naar deze bronpublicaties strikt noodzakelijk is met het oog op de informatievrijheid van internetgebruikers.

conclusie

4.25.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de grieven van Appellant ongegrond zijn of geen doel kunnen treffen, ook als er met Appellant van wordt uitgegaan dat alle door Appellant genoemde zoekresultaten verschijnen na invoering van zijn naam in de zoekmachine en dat die zoekresultaten verwijzen naar bronpublicaties waarop bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens staan. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

4.26.

Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het beroep, tot op heden aan de zijde van Google begroot op € 741,- aan griffierecht en € 3.222,- aan kosten advocaat (3 punten × € 1.074).

5 De beslissing

Het hof

5.1.

bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2019;

5.2.

veroordeelt Appellant in de kosten van het beroep, tot op heden aan de zijde van Google begroot op € 3.963,-;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. M.Y. Bonneur en mr. G.C.W. van der Feltz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.

1 HvJ EU 24 september 2019, C-136/17, ECLI:EU:C:2019:773, r.o. 66.

2 Zie onder meer EHRM 1 december 2015, 48226/10 en 14027/11, ECLI:CE:ECHR:2015:1201JUD004822610, Cengiz and Others v. Turkey.

3 De cijfers verwijzen naar de door Appellant gehanteerde nummering van de gewraakte zoekresultaten.