Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3535

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
200.233.166/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:11759, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IE, octrooi, Geldigheid UMTS-standaard essentieel octrooi, nieuwheid en inventiviteit, Octrooi opgenomen in de standaard? Inbreuk. Strijd met disclosureverplichting ogv ETSI-Rules? Strijd met Frand-verplichting? Toepassing Huawei / ZTE arrest HvJ EU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.233.166/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/514186 /HA ZA 16-805

Arrest van 24 december 2019

inzake

Koninklijke Philips N.V.

gevestigd te Eindhoven,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: Philips,

advocaat: mr. B.J. van den Broek,

tegen

ASUSTeK Computer Inc.

gevestigd te Taipei, Taiwan (China),

Asus Europe B.V. (voorheen Asus Computer Benelux B.V.)

gevestigd te Nieuwegein,

Asus Holland B.V.

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

eiseressen in het incident,

hierna gezamenlijk te noemen: Asus,

advocaat: mr. W.J.G. Maas.

1 Het geding

1.1

Bij exploot van 21 december 2017 is Philips in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 18 oktober 2017. Bij memorie van grieven met producties (MvG) heeft Philips twintig grieven aangevoerd. Bij incidentele eis tot inzage ex artikel 843a Rv, alsmede memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel alsmede vermeerdering van eis, met producties (MvA), heeft Asus de grieven bestreden en in incidenteel appel twee grieven aangevoerd. Daarop heeft Philips een conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid en memorie van antwoord in het incidenteel appel, alsmede akte houdende overlegging producties (MvA Inc), genomen. Vervolgens heeft Asus een antwoordconclusie in incident houdende exceptie van onbevoegdheid tevens akte houdende overlegging producties ingediend. Mede naar aanleiding van de door partijen gevoerde correspondentie heeft het hof bij tussenarrest van 20 februari 2018 een comparitie van partijen gelast teneinde de verdere procesgang te bespreken. Deze comparitie is gehouden op 18 mei 2018. Daarna heeft Philips een akte houdende overlegging producties genomen en Asus een akte overlegging nadere producties tevens houdende vermindering van eis.

1.2

Partijen hebben op 11 februari 2019 voor het Gerechtshof Den Haag in de zaak met rolnummer 200.210.250/01 (hierna: de EP 511-zaak) over het Frand-verweer (en de daarmee verband houden vorderingen in reconventie, het incident en het incidenteel appel) in die zaak gepleit. Ter zitting is afgesproken dat dit pleidooi tevens geacht moet worden te zijn gehouden in onderhavige zaak (waarmee de pleitnotities in de EP 511-zaak (PA Frand 11/2) derhalve ook deel uitmaken van de processtukken in onderhavige zaak) en dat partijen ter zitting van 20 juni 2019, waarin het pleidooi in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, een aanvullend pleidooi ter zake van het Frand-verweer (en de daarmee verband houden vorderingen in reconventie, het incident en het incidenteel appel) kon worden houden, desgewenst aan de hand van nadere producties. Op 7 mei 2019 heeft het hof arrest gewezen in de EP 511-zaak (hierna het EP 511-arrest).

1.3

Ter zitting van 20 juni 2019 hebben partijen de zaak doen bepleiten, aan de zijde van Philips door mr. B.J. van den Broek, mr. R. van Kleeff en R.J.F. Grijpink, advocaten te Amsterdam, en aan de zijde van Asus door mr. Maas voornoemd, mr B. Nijhof en mr. D.M. Mulder, kantoorgenoten, bijgestaan door mr. ir. F.A.T. van Looijengoed, octrooigemachtigde, aan beide zijden aan de hand van overgelegde pleitnotities (respectievelijk PA EP 525 en PA Frand).

1.4

Ten slotte is arrest bepaald.

2 De feiten

de partijen

2.1

Philips houdt zich bezig met de ontwikkeling en verkoop van producten op diverse terreinen en beschikt over een uitgebreide octrooiportefeuille, waaronder op het terrein van de (draadloze) communicatie.

2.2

Het Asus concern houdt zich (onder meer) bezig met de verkoop van computerproducten en producten voor draadloze communicatie, waaronder diverse producten met 3G (UMTS)- en 4G (LTE)-functionaliteit zoals smartphones, tablets en laptops, onder meer in Nederland.

het octrooi

2.3

Philips is houdster van het Europese octrooi 1 440 525 (hierna: het octrooi of EP 525) met de titel “Radio Communication System”, verleend op 9 mei 2012 op een aanvraag van 15 oktober 2002, met een beroep op prioriteitsdata 19 oktober 2001 en 5 november 2001 van respectievelijk GB 0125175 en GB 0126421. Het octrooi kent 15 conclusies, waarvan conclusies 1 t/m 4 betrekking hebben op een ‘radio communication system’, conclusies 5 t/m 9 op een ‘primary station’, conclusies 10 t/m 14 op een ‘secundary station’ en conclusie 15 een ‘method of operating a radio communication system’betreft. De conclusies luiden in de oorspronkelijke Engelse taal:

1. A radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station (100) to a secondary station (110) the secondary station having receiving means for receiving a data packet (202) and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types (204,206) wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station.

2. A system as claimed in claim 1, characterized in that the available signal types include signals indicating positive and negative acknowledgements.

3. A system as claimed in claim 2, characterized in that the available signal types further include a revert signal indicating a request for retransmission of a packet received before the packet just received.

4. A system as claimed in claim 3, characterized in that the revert signal is identical to the negative acknowledgement signal but is transmitted at a higher power.

5. A primary station (100) for use in a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from the primary station to a secondary station (110), wherein means are provided for transmitting a data packet to the secondary station and for receiving a signal from the secondary station to indicate the status of a received data packet (202), which signal is selected from a set of at least two available signal types and is transmitted with a power level selected depending on its type (204,206), and wherein means are provided for signaling to the secondary station an indication on how the power level at which the secondary station transmits each type of signal depends on the type of the signal.

6. A primary station as claimed in claim 5, characterized in that means are provided for determining the type of the received signal depending on its received power level.

7. A primary station as claimed in claim 5 or 6, characterized in that the indication comprises an instruction to the secondary station to transmit at least two types of signals at different powers.

8. A primary station as claimed in claim 5 or 6, characterized in that the indication informs the secondary station of the transmission power that it should use for at least one of the available signal types.

9. A primary station as claimed in claim 5, 6 or 8, characterized in that the indication informs the secondary station of a required power difference between two different types of signals.

10. A secondary station (110) for use in a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station (100) to the secondary station, wherein receiving means are provided for receiving a data packet (202) from the primary station and acknowledgement means are provided for transmitting a signal to the primary station (204, 206) to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station.

11. A secondary station as claimed in claim 10, characterized in that the signal types include signals indicating positive and negative acknowledgements and in that the acknowledgement means transmits negative acknowledgements at a higher power than positive acknowledgements.

12. A secondary station as claimed in claim 11, characterized in that the acknowledgement means only transmits negative acknowledgements at a higher power than positive acknowledgements if a time-averaged ratio of positive acknowledgements to negative acknowledgements is greater than a predetermined value.

13. A secondary station as claimed in claim 10 or 11, characterized in that the available signal types include signals conveying information relating to prevailing radio conditions other that the status of the received data packet.

14. A secondary station as claimed in claim 10, characterized in that the indication informs of an offset value of the power level at which the signal is transmitted.

15. A method of operating a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station (100) to a secondary station (110) the method comprising the secondary station receiving a data packet (202) and transmitting an acknowledgement signal (204,206) to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, the method comprising selecting the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station.

2.4

In de onbestreden Nederlandse vertaling luiden deze conclusies:

1. Radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten van een primair station (100) naar een secundair station (110), waarbij het secundaire station ontvangmiddelen heeft voor het ontvangen van een gegevenspakket (202) en bevestigingsmiddelen voor het overdragen van een signaal naar het primaire station om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes (204, 206), waarbij het bevestigingsmiddel is ingericht om het vermogensniveau te kiezen waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding uit het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.

2. Systeem volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes signalen omvatten die positieve en negatieve bevestigingen omvatten.

3. Systeem volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes verder een teruggekeerd signaal omvatten dat een vraag aanduidt voor heroverdracht van een pakket ontvangen vóór het pakket dat net werd ontvangen.

4. Systeem volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het teruggekeerde signaal identiek is aan het negatieve bevestigingssignaal, maar bij een hoger vermogen wordt overgedragen.

5. Primair station (100) voor gebruik in een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit het primaire station naar een secundair station (110), waarbij middelen worden voorzien voor het overdragen van een gegevenspakket naar het secundaire station en voor het ontvangen van een signaal uit het secundaire station om de status van een ontvangen gegevenspakket (202) aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes en wordt overgedragen met een vermogensniveau gekozen afhankelijk van zijn type (204, 206), en waarbij middelen worden voorzien voor het overseinen naar het secundaire station van een aanduiding over hoe het vermogensniveau waarbij het secundaire station elk type signaal overdraagt, van het type van het signaal afhangt.

6. Primair station volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat middelen worden voorzien voor het bepalen van het type van het ontvangen signaal afhankelijk van zijn ontvangen vermogensniveau.

7. Primair station volgens conclusie 5 of 6, met het kenmerk, dat de aanduiding een instructie voor het secundaire station omvat voor het overdragen van ten minste twee types signalen bij verschillende vermogens.

8. Primair station volgens conclusie 5 of 6, met het kenmerk, dat de aanduiding het secundaire station op de hoogte stelt van het overdrachtsvermogen dat het zou moeten gebruiken voor ten minste één van de beschikbare signaaltypes.

9. Primair station volgens conclusie 5, 6 of 8, met het kenmerk, dat de aanduiding het secundaire station op de hoogte stelt van een vereist vermogensverschil tussen twee verschillende types signalen.

10. Secundair station (110) voor gebruik in een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit een primair station (100) naar het secundaire station, waarbij ontvangstmiddelen worden voorzien voor het ontvangen van een gegevenspakket (202) uit het primaire station en bevestigingsmiddelen worden voorzien voor het overdragen van een signaal naar het primaire station (204, 206) om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes, waarbij het bevestigingsmiddel wordt ingericht voor het kiezen van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.

11. Secundair station volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de signaaltypes signalen omvatten die positieve en negatieve bevestigingen aanduiden en dat het bevestigingsmiddel negatieve bevestigingen bij een hoger vermogen dan positieve bevestigingen overdraagt.

12. Secundair station volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het bevestigingsmiddel enkel negatieve bevestigingen bij een hoger vermogen dan positieve bevestigingen overdraagt, indien een tijdgemiddelde verhouding van positieve bevestigingen tot negatieve bevestigingen groter is dan een vooraf bepaalde waarde.

13. Secundair station volgens conclusie 10 of 11, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes transportinformatie met betrekking tot geldende radiovoorwaarden verschillend van de status van het ontvangen gegevenspakket omvatten.

14. Secundair station volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de aanduiding op de hoogte stelt van een offsetwaarde van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen.

15. Werkwijze voor het laten werken van een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit een primair station (100) naar een secundair station (110), waarbij de werkwijze omvat dat het secundaire station een gegevenspakket (202) ontvangt en een bevestigings-signaal (204, 206) naar het primaire station overdraagt om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes, waarbij de werkwijze het kiezen omvat van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.

.

2.5

Philips heeft twee hulpverzoeken voorgesteld. In het eerste hulpverzoek is aan het slot van conclusie 1 en van conclusies 10 en 15 van EP 525 (in het hulpverzoek omgenummerd naar conclusie 9 respectievelijk 13 omdat verleende conclusies 2 en 14 wegvallen) het volgende kenmerk toegevoegd: “wherein the available signal types are signals indicating positive and negative acknowledgements, and wherein the indication specifies the power level relative to the pilot bits on the uplink dedicated control channel.” Voorts is in conclusie 11 (in het hulpverzoek omgenummerd naar 10) verwezen naar (nieuwe) conclusie 9 en is de zinsnede “the signal types include signals indicating positive and negative cknowledgements and in that” geschrapt. Het tweede hulpverzoek ziet op de (verdere) toevoeging van “UMTS” aan het “radio communication system” in de aanhef van conclusies 1, 10 en 15 (resp. 1, 9 en 13).

2.6

In de beschrijving van EP 525 zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

Technical Field

[0001] The present invention relates to a radio communication system and further relates to primary and secondary stations for use in such a system and to a method of operating such a system. While the present specification describes a system with particular reference to the Universal Mobile Telecommunication System (UMTS), it is to be understood that such techniques are equally applicable to use in other mobile radio systems.

Background Art

[0002] There is a growing demand in the mobile communication area for a system having the ability to download large blocks of data to a Mobile Station (MS) on demand at a reasonable rate. Such data could for example be web pages from the Internet, possibly including video clips or similar. Typically a particular MS will only require such data intermittently, so fixed bandwidth dedicated links are not appropriate. To meet this requirement in UMTS, a High-Speed Downlink Packet Access (HSDPA) scheme is being developed which may facilitate transfer of packet data to a mobile station at up to 4Mbps.

[0003] A conventional component of a packet data transmission system is an ARQ (Automatic Repeat reQuest) process, for handling data packets received in error. For example, consider downlink packet transmission from a Base Station (BS) to a Mobile Station (MS) in HSDPA. When the MS receives a data packet it determines whether the packet has been corrupted, for example using Cyclic Redundancy Check (CRC) information. It then transmits a codeword to the BS, with a first codeword used as an acknowledgement (ACK), to indicate that the packet was successfully received, and a second codeword used as a negative acknowledgement (NACK), to indicate that the packet was received but corrupted. Since packet transmission is typically intermittent, discontinuous transmission (DTX) is normally employed, so that nothing is transmitted by the MS unless a data packet has been received.

[0004] A problem with such an ARQ scheme is that the consequences of errors in the ACK and NACK are significantly different. Normally the BS would re-transmit a packet if a NACK were received. If the BS receives a NACK when a ACK was sent, then the packet is re-transmitted anyway, which only wastes a little system resource. If a NACK is sent, but received as a ACK, then no re-transmission is made. Without special physical layer mechanisms, this situation can only be recovered from by using higher layer processes, which adds delay and is a significant waste of system resources. Hence, the cost of an error in a NACK is much more serious than the cost of an error in a ACK.

[0005] In order to optimise system performance, it is desirable to control the relative probabilities of errors in decoding ACKs and NACKs. In one UMTS embodiment this is done by setting different detection thresholds at the BS, which requires the MS to transmit the ACK/NACK codeword with a specific power level (e.g. relative to uplink pilot power). This power level and the detection threshold can therefore be chosen to balance costs of ACK/NACK errors, interference generated by the MS, and battery power used by the MS. With DTX, the situation is a little more complex. However, the BS, as the source of the packet, is aware of when a ACK/NACK should be sent by the MS and it should therefore not normally be necessary to specifically detect the DTX state.

[0006] In our co-pending German patent application DE10132577 a physical layer mechanism for recovering from the case where the BS misinterprets a NACK as an ACK is disclosed. This mechanism makes use of an additional codeword, REVERT, which informs the BS that the MS has received a transmission of a new packet when it was expecting retransmission of the previous packet. In a variation on this scheme two REVERT codewords are used, to provide in addition a NACK or an ACK in respect of the new packet.

[0007] US 4888767 discloses a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station to a secondary station, the secondary station having receiving means for receiving a data packet and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet. In more details, the secondary station transmits a repeat request signal to indicate that the status of the data packet is erroneous, and does not transmit a signal if the status of the data packet is correct.

[0008] US 5517507 discloses subject matter similar to US 4888767. In more details, a NACK/ACK signal is transmitted, a NACK signal being represented by an energy burst and an ACK signal being no burst (which is equivalent, according to the examiner, to the transmission of a signal having a power level of zero).

Disclosure of Invention

[0009] An object of the present invention is to improve the efficiency of a packet data transmission system.

[0010] According to a first aspect of the present invention there is provided a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station to a secondary station, the secondary station having receiving means for receiving a data packet and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type.

[0011] By transmitting different acknowledgement signals at different power levels, the probability of the primary station correctly interpreting signals of different types can be manipulated to improve total system throughput and capacity. In one embodiment negative acknowledgements are transmitted at a higher power level than positive acknowledgements to increase the probability of the primary station retransmitting a data packet when necessary. In another embodiment an additional revert signal type is provided, which requests the primary station to retransmit a data packet initially transmitted prior to the current data packet and which was not correctly received. The revert signal may be identical to the negative acknowledgement signal but transmitted at a higher power level.

(…)

[0023] It is likely for most applications that DTX would be applied for most of the time, given the typically intermittent nature of packet data transmission. In addition, for a well configured system, NACKs 204 should be sent significantly less often than ACKs 206. Hence, in a system made in accordance with the present invention a NACK 204 is transmitted at a higher power level than an ACK 206. This power offset is advantageous because it reduces the error probability for the NACK 204 without increasing the power transmitted for the ACK 206. It is particularly advantageous if the probability of a MS 110 missing a packet is very small, so there is no need to consider optimum setting of BS detection thresholds to differentiate NACK from DTX. Hence, any given error performance targets could be achieved with minimum average power transmitted by the-MS 110.

[0024] It will be recognised that if a MS 110 is transmitting more NACKs 204 than ACKs 206, this proposed strategy would result in an increase in average uplink interference rather than the desired decrease. Therefore, in one embodiment of the present invention, the MS 110 is forbidden from applying the power offset unless it has previously positively acknowledged more than a certain proportion of packets (e.g. 50%). This prevents the power offset from causing an undue increase in uplink interference in poor downlink channel conditions.

[0025] In another embodiment of the present invention, the relative power levels of ACKs 206 and NACKs 204 are modified depending on the proportion of ACKs and NACKs sent. For example, this adaptation could be controlled by a time-weighted average of the proportion of ACKs 206 sent. The detection threshold at the BS 100 could adapted in a similar way based on the proportion of ACKs 206 received. It is apparent that such processes would converge, even in the presence of errors.

[0026] In another embodiment of the present invention, instead of being predetermined the ACK/NACK power offset (or maximum offset) could be signalled by the BS 100 depending on the type of service being conveyed to the MS 110 via the data packets 202. For example, in a real-time streaming service with strict timing constraints, a packet which is lost due to a wrongly-detected NACK 204 may simply be ignored by the application if there were not enough time even for a physical layer retransmission. However, for a data service where correct receipt of packets was essential, an ACK/NACK power offset could be signalled. The offset might also be useful in streaming services with slightly less strict timing requirements, where there was insufficient time for a higher-layer retransmission, but a NACK power offset would increase the chance of an erroneous packet being rectified by means of fast physical layer retransmission. It would therefore be beneficial to allow a different offset value to be signalled for each downlink transport channel.

[0027] This approach can be further developed by assigning different offset values to the ACK/NACKs for different packets of the same transport channel. For example, in an MPEG stream it is very important to receive the I-frames correctly to avoid errors in subsequent frames. An ACK/NACK power offset could therefore be applied for acknowledgement of packets containing I-frame data while a smaller (or zero) offset is applied for acknowledgement of other packets. Some special signalling could be required, such as a physical layer tag or a particular sequence number on the packets 202, to indicate which packets contained the I-frame data.

[0028] In a further development of this approach, other information, such as channel quality, could be signalled by the use of different codewords in the data field reserved for ACK/NACK messages, as disclosed in our co-pending International patent application WO 02067618 (applicant's reference PHGB 010069). In general it is likely that there are different costs of errors in detecting the different information possibilities. Therefore, there could be different power levels applied to the transmission of different subsets of codewords. Furthermore, this approach could be combined with design of the codeword distances to reach specified performance targets. As an example, if NACK is 0000, then ACK might be 1110, and sending ACK together with an indication of high channel quality might be 1111.

[0029] In one preferred embodiment, particularly suitable for UMTS HSDPA, the ACK/NACK power offset used by the MS 110, as well as the ACK power level would be determined by higher layer signalling from the network. Alternatively, the offset could be signalled using a single information bit, signifying "no offset" (i.e. equal transmit power for ACK 206 and NACK 204) or "use offset", signifying the use of a pre-determined value of power offset. More signalling bits could be used to indicate a larger range of values of offset.

[0030] The BS 100 (knowing the power levels used by the MS 110) would use a detection threshold adjusted to optimise system performance (although the BS 100 would not necessarily have to know the power levels used by the MS 110, as a "neutral" threshold could be set based on the received uplink pilot information). An optimised threshold could be set by the Radio Network Controller (RNC) or other means.

(…)

[0036] In embodiments of the present invention, the power level for the ACK/NACK/ REVERT codewords can be sent to the MS 110 by higher layer signalling. Some possibilities are:

• the power level for the REVERT could be implied by the power for the ACK/NACK (i.e. fixed offset);

• the power level for REVERT could be signalled explicitly; and

• the power levels for ACK, NACK and REVERT could be signalled as independent parameters.

(…)

[0038] The selected power levels could be tailored to achieve desired error probabilities for each of the signals. (…).

[0040] In the second embodiment, DTX and NACK sent with same (zero) - power, while REVERT sent as a different codeword to ACK but with the same power.

(…)

[0048] In general, the power levels at which the ACK/NACK and/or REVERT commands are transmitted may be adjusted in order to achieve a required level of reliability. These power levels could be controlled by messages sent from the BS 100 to the MS 110. These could specify the power level relative to the pilot bits on the uplink dedicated control channel, or relative to the current power level for the channel quality metric. In the case of the dedicated control channels of one MS 110 being in soft handover with more than one BS 100 the power of the uplink dedicated control channel is not likely to be optimal for all the BSs 100 involved. Therefore, a different power level, preferably higher, may be used for sending the ACK/NACK and/or REVERT commands. This power difference could be fixed, or determined by a message from a BS 100. When the transmission of ACK/NACK and/or REVERT is directed to a particular BS 100, the power level may be further modified to take into account the quality of the radio channel for that transmission. For example, if the best radio link from the active set is being used, the power level may be lower than otherwise.

(…)

2.7

Bij EP 525 hoort onder meer de navolgende figuur:

Technische achtergrond / stand van de techniek

vermogensbesturing

2.8

De uitvinding volgens het octrooi ligt op het gebied van de communicatie tussen basisstations en mobiele stations in een draadloos (mobiel) telecommunicatienetwerk. Een basisstation kan communiceren met verschillende mobiele stations, wanneer deze zich binnen het bereik van het basisstation bevinden. Het basisstation verbindt de mobiele stations met een achterliggend netwerk, zoals bijv. het vaste telefoonnet of het internet.

2.9

In een CDMA (‘Code Division Multiple Access’)-systeem worden de signalen van verschillende mobiele stations op dezelfde frequentie verzonden en worden deze gescheiden door middel van ‘spreading codes’. Daardoor kunnen verschillende mobiele stations in eenzelfde frequentieband tegelijkertijd signalen naar en van een basisstation zenden en ontvangen. De tijdsduur waarbinnen de datablokken worden verzonden wordt aangeduid als ‘frame’ of ‘dataframe’. Een frame is opgedeeld in kleinere tijdseenheden, aangeduid als ‘slots’.

2.10

Een signaal van een mobiel station dat zich verder van het basisstation bevindt zal meer vermogen verliezen op weg naar het basisstation dan een signaal van een ander mobiel station dat zich dichter bij het basisstation bevindt. Indien de signalen door beide mobiele stations met hetzelfde vermogen zouden worden verzonden zou het verschil in afstand daarom tot gevolg hebben dat het signaal van het ene verderaf bevindende mobiele station zwakker is bij ontvangst door het basisstation dan dat van het andere. Het gevaar bestaat dat interferentie optreedt; het signaal van het ene verderaf bevindende mobiele station zal worden ‘overschreeuwd’ door dat van het andere mobiele station.

2.11

Om dit te voorkomen, is het van belang om ervoor te zorgen dat de signalen van de verschillende mobiele stations met vergelijkbare sterkte bij het basisstation binnenkomen. De sterkte van het door het basisstation ontvangen signaal van een mobiel station varieert door fluctuaties van de kanaalkwaliteit, bijvoorbeeld door verandering van de afstand of het verschijnen of verdwijnen van obstakels op het transmissiepad. Teneinde toch steeds een evenwicht in signaalsterkte te bereiken wordt het transmissievermogen (ook aangeduid als zendvermogen) van de verschillende mobiele stations zodanig bestuurd dat deze bij ontvangst door het basisstation zo constant mogelijk blijven. Daartoe wordt in het op de prioriteitsdatum bekende ‘conventionele vermogensbesturingsschema’ het transmissievermogen waarmee de data door het mobiele station naar het basisstation worden gezonden verhoogd als de kanaalkwaliteit verslechtert, en wordt het transmissievermogen verlaagd als de kanaalkwaliteit verbetert.

2.12

In het conventionele vermogensbesturingsschema vindt de vermogensbesturing van de signalen van het mobiele station aan het basisstation in het algemeen plaats in een gesloten [C] (‘closed loop’) en wordt dan ook wel aangeduid als ‘closed loop power control scheme’. Het basisstation meet hierbij de zgn. ‘signal-to-interference ratio’ (SIR) van het door het mobiele station verzonden ‘pilot signal’ en vergelijkt het basisstation het resultaat hiervan met een bepaalde drempelwaarde (‘target SIR’). Indien de gemeten waarde lager is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verhogen; indien de gemeten waarde hoger is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verlagen. De instructie die het basisstation aan het mobiele station verzendt, en door het mobiele station wordt opgevolgd, wordt aangeduid met de term ‘power control command’ (in UMTS als TPC (‘Transmit Power Control’)-commando en in de 3GPP2-standaard als ‘power control bit’). Dit proces vindt plaats in ieder slot.

UMTS-standaard

2.13

UMTS (‘Universal Mobile Telecommunications System’) is een draadloos telecommunicatiesysteem. De UMTS-standaard wordt met name in Europa toegepast en wordt gepubliceerd door de standaardisatie organisatie 3GPP. UMTS maakt gebruik van CDMA-techniek. De standaard bestaat uit verschillende specificaties, waaronder TS 125 214 v6.11.0 (2006-12) dat de noodzakelijke vereisten met betrekking tot de ‘transmission power’ beschrijft (TS 125 214). Tot de UMTS-standaard behoren ook de technische specificatie TS 25.214 V3.2.0 (2000-03) (hierna: TS 25.214) en het technisch rapport van de 3GPP HSDPA norm, TR 25.855 V1.1.0_draft (2001-07) (TR 25.855). Deze laatste ziet op de HSDPA functionaliteit bij de UMTS-standaard.

2.14

In de UMTS-standaard wordt communicatie van het basisstation (BS, in de UMTS-standaard aangeduid als ‘Node B’, in het octrooi aangeduid als ‘primaire station’, 100 in figuur 1) naar het mobiele station (MS, in de UMTS-standaard aangeduid als ‘user equipment’ of ‘UE’, in het octrooi aangeduid als ‘secundairy station’, 110 in figuur 1) aangeduid als communicatie in de downlink-richting (122 in figuur 1). Communicatie van het mobiele station naar het basisstation wordt aangeduid als communicatie in de uplink-richting (124 in figuur 1).

2.15

In zowel de uplink- als de downlink-richting van het UMTS-systeem worden meerdere soorten gegevens verstuurd. Naast de gebruikersgegevens (zoals spraak-, beeld-, of videogegevens) verzendt en ontvangt het mobiele station ook besturingsgegevens of control information (met betrekking tot de communicatieverbinding zelf). Gebruikersgegevens en besturingsgegevens kunnen over verschillende kanalen worden verstuurd; besturingsgegevens via besturingskanalen (‘control channels’) en gebruikersgegevens via gegevenskanalen (‘data channels’). Te verzenden data worden doorgaans opgedeeld in datapakketten.

2.16

Teneinde grotere hoeveelheden data (zoals internetpagina’s e.d.) in mobiele communicatienetwerken te kunnen verzenden, met name in de downlink-richting, is in 2002 het zogenoemde HSDPA (‘High Speed Downlink Packet Access’)-protocol geïntroduceerd als onderdeel van de UMTS-technologie. Daarvan maken de volgende kanalen deel uit:

- HS-PDSCH: het ‘High Speed Physical Downlink Shared Channel’; een downlink-kanaal waarop door het basisstation gebruikersgegevens in de vorm van datapakketten worden verzonden aan de mobiele stations;

- HS-SCCH: het ‘High Speed Shared Control Channel’; een downlink-besturingskanaal (‘control channel’). Op dit kanaal kondigt het basisstation aan de mobiele stations de verzending aan van datapakketten met gebruikersgegevens op de HS-PDSCH en verschaft het de informatie die nodig is om de datapakketten te decoderen;

- HS-DPCCH: het ‘High Speed Dedicated Physical Control Channel’; het enige uplink-kanaal binnen het HSDPA-protocol. Dit kanaal wordt door de mobiele stations onder meer gebruikt om bevestigingssignalen (ACK- en NACK-signalen) te versturen aan het basisstation en om feedback te geven met betrekking tot de kwaliteit van het kanaal.

2.17

Aangezien een verzonden signaal tijdens transmissie verandering kan ondergaan, bijvoorbeeld door interferentie met andere mobiele stations of door obstructies op het transmissiepad (tunnels, hoge gebouwen e.d.), zal het ontvangen signaal moeten worden geïnterpreteerd. Daarbij kunnen fouten optreden. Ten behoeve van het opsporen en elimineren van fouten in de gebruikersgegevens bevatten de datapakketten additionele bits die het mobiele station in staat stellen om direct na ontvangst van het datapakket fouten te detecteren. Dit kan worden gedaan door middel van een zgn. ‘Cycle Redundancy Check’ of ‘CRC’. Op basis hiervan is het mobiele station in staat om vast te stellen of het datapakket goed of met fouten is ontvangen en kan het aan het basisstation (in de uplink-richting) vervolgens een positief of negatief bevestigingssignaal verzenden.

2.18

Als het pakket goed is ontvangen, dan stuurt het mobiele station aan het basisstation een positief bevestigingssignaal, een ACK-signaal (‘Acknowledgement’). Na ontvangst daarvan stuurt het basisstation het volgende datapakket. Indien het pakket onherstelbaar beschadigd (‘corrupted’) is ontvangen, dan stuurt het mobiele station aan het basisstation een negatief bevestigingssignaal, een NACK-signaal (‘Negative Acknowledgement’). Dan stuurt het basisstation het datapakket opnieuw. Dit proces wordt ook wel aangeduid met de term ‘ARQ’ (‘Automatic Repeat reQuest’).

2.19

Het is mogelijk dat het basisstation een bevestigingssignaal verkeerd interpreteert. Wanneer het mobiele station een ACK-signaal aan het basisstation verzendt (ter bevestiging van de goede ontvangst van het datapakket) en het basisstation interpreteert dit signaal als een NACK-signaal, dan zal het basisstation het betreffende datapakket ten onrechte opnieuw aan het mobiele station verzenden. Dat resulteert in onnodig gebruik van systeem capaciteit. Wanneer het basisstation een door het mobiele station verzonden NACK-signaal interpreteert als een ACK-signaal, neemt het basisstation ten onrechte aan dat een foutloze ontvangst van het datapakket heeft plaatsgevonden en zal het zonder aanvullende maatregelen geen vervangend datapakket aan het mobiele station verzenden (hoewel het door het mobiele station ontvangen datapakket dus in werkelijkheid ‘corrupted’ was). Dan moet gebruik worden gemaakt van hogere niveaus in de infrastructuur van het systeem (‘higher layers’) om deze informatie alsnog te verzenden, wat vertraging veroorzaakt en aanzienlijk meer systeemcapaciteit vergt dan het direct opnieuw verzenden van een datapakket als het basisstation een ACK-signaal onjuist interpreteert als een NACK-signaal. Op de prioriteitsdatum werden de gevolgen van een onjuiste interpretatie van een NACK-signaal (hierna ook wel ‘false ACK’) derhalve als problematischer beschouwd dan die van een onjuiste interpretatie van een ACK-signaal (hierna ook wel ‘false NACK’).

2.20

Door veranderingen die (het voltage van) een signaal tijdens transmissie ondergaat (zie r.o. 2.17 hiervoor) worden de ACK- en NACK-signalen met een ander vermogen ontvangen dan waarmee ze waren verzonden en moet het basisstation ontvangen signalen interpreteren. Zoals beschreven in par. 5 van de beschrijving van EP 525 werd in de stand van de techniek gebruik gemaakt van een in het basisstation ingestelde drempelwaarde (‘decision threshold’, in de hieronder afgebeelde figuur aangeduid met ‘z’) om de kans op foutieve interpretatie van ACK- en NACK-signalen te beïnvloeden.

Indien het voltage van het ontvangen signaal onder drempelwaarde ‘z’ ligt (in het rood gekleurde NACK gebied), dan interpreteert het basisstation dit signaal als een NACK; ligt het voltage boven de drempelwaarde (in het geel gekleurde ACK gebied), dan interpreteert het basisstation het signaal als een ACK.

2.21

Omdat de gevolgen van een false ACK als ernstiger werden beschouwd dan de gevolgen van een false NACK, werd in systemen uit de stand van de techniek de maximaal toelaatbare kans op een false ACK (aangeduid met PfACK) lager gesteld (bijv. op 10-5) dan de maximaal toelaatbare kans op een false NACK (aangeduid met PfNACK) (bijv. op 10-2). Die verschillende foutkansen kunnen worden gerealiseerd door de drempelwaarde te positioneren in de richting van het ACK-signaal (‘biased’ instelling), zoals hierna getoond.

2.22

Het gevolg hiervan is dat het (rood gekleurde) NACK gebied wordt vergroot, waardoor meer ontvangen signalen worden aangemerkt als een NACK en de kans op een false ACK vermindert. Anderzijds wordt door de verschuiving van de drempelwaarde in de richting van ACK, het (geel gekleurde) ACK gebied kleiner, waardoor minder ontvangen signalen worden aangemerkt als een ACK en de kans op een false NACK hoger wordt. De kans op een false ACK of false NACK wordt ook wel aangeduid als ‘error probability’ of ‘foutkans’.

Een en ander kan ook als volgt worden geïllustreerd:

CDMA2000 standaard

2.23

CDMA2000 is een telecommunicatiesysteem dat met name in Amerika en delen van Azië en Afrika wordt toegepast. De CDMA2000-standaard bestaat uit verschillende deel-standaards (waaronder C.S0001 t/m C.S0006), die zijn ontwikkeld en gepubliceerd door de standaardisatie organisatie 3GPP2. Een kort voor de prioritietsdatum vastgestelde additionele standaard ter verbetering van de functionaliteit van CDMA2000 betrof de “cdma2000 High Rate Packet Data Air Interface Specification”, 3GPP2 C.S0024, versie 2.0 van 27 oktober 2000 (hierna: de EV-DO Standaard).

2.24

Volgens de CDMA2000-standaard vindt communicatie van het mobiele station naar het basisstation (aangeduid als ‘reverse link’) plaats over het Reverse CDMA Channel. Communicatie door het basisstation aan een mobiel station wordt in de 3GPP2-standaard aangeduid als ‘forward link’ en vindt plaats over het Forward CDMA Channel.

In de CDMA2000-standaard wordt ook gebruik gemaakt van de ARQ-procedure (zie 2.18). ACK- en NACK-signalen worden verstuurd over het ACK-kanaal. Voor de besturing daarvan wordt gebruik gemaakt van closed loop power control (zie 2.12). Dat gebeurt doordat het relatieve vermogen daarvan (ten opzichte van het pilotkanaal) wordt bepaald door de ACKChannelGain (de offset waarde) die door het basisstation aan het mobiele station wordt gezonden.

overige aangevoerde stand van de techniek

2.25

Op de prioriteitsdatum behoorden de volgende handboeken tot de stand van de techniek:

- The GSM System for Mobile Communications, Michel Mouly en Marie-Bernadette Pautet, 1992 (Mouly & Pautet)

- UMTS – Ein Kurs, Universal Mobile Telecommunications System, Univ.-Professor Dr.-Ing. Bernhard Walke, Dipl.-Ing. Marc Peter Althoff, Dipl.-Ing. Peter Seidenberg, 2001 (Walke)

- Digital Communications, John G. Proakis, 4th edition, 2000 (Proakis)

- Signal Detection & Estimation, M. Barkat, 1991 (Barkat)

- Detection, Estimation, and Modulation Theory Part I, Harry L. van Trees, 2001 (Van Trees).

2.26

Tot de stand van de techniek op de prioriteitsdatum van het octrooi behoorden ook de volgende documenten:

2.26.1

Een bijdrage van Motorola ten behoeve van een 3GPP2 werkgroepbijeenkomst op 9 juli 2001, met de titel “Optimal Antipodal Signaling” (Shad);

2.26.2

Een slide (nummer 39) uit een presentatie gehouden door de heren Shad en Derryberry kort voorafgaand aan de publicatie van Shad, met als opschrift “Unequal Gain Signalling for H-ARQ ACKs” (Shad Derryberry);

2.26.3

De PCT-aanvrage WO 99/23844 A2, gepubliceerd op 14 mei 1999 (WO 844);

2.26.4

De PCT-aanvrage WO 01/80477 A1, aangevraagd op 13 april 2001 onder inroeping van prioriteit van 14 april 2000 en gepubliceerd op 25 oktober 2001 (WO 477). Dit document behoort tot de fictieve stand van de techniek (art. 54 lid 3 Europees Octrooiverdrag);

2.26.5

De PCT-aanvrage WO 01/78252 A1, gepubliceerd 18 oktober 2001 (WO 252);

2.26.6

Een bijdrage van Motorola voor de 3GPP-vergadering van de TSG-RAN Working Group 1 en 2 ad hoc op 5-6 april 2001 in Sophia Antipolis, Frankrijk, met de titel “Control Channel Structure for High Speed DSCH (HS-DSCH)” (Motorola I);

2.26.7

Een ander HSDPA-standaardisatievoorstel van Motorola aan de TSG-RAN Working Group 1 en 2 (genummerd R1-01-0744) op 26-28 juni, 2001 in Korpilampi, Finland, met de titel “ACK/NACK Control Channel Reliability for High Speed Downlink Packet Access (HSDPA)” (Motorola II); en

2.26.8

Een bijdrage van Nokia op de 23e 3GPP-vergadering van de TSG-RAN Working Group 2 van 27-31 augustus 2001 in Helsinki, Finland, met de titel “Hybrid ARQ protocol for HSDPA” (de Nokia Bijdrage).

achtergrond van het geschil

2.27

Philips heeft (onder meer) EP 525 en twee andere octrooien (EP 1 623 511 (EP 511) en EP 1 685 659 (EP 659) waarover eveneens procedures tussen partijen aanhangig zijn of waren), aangemeld als essentieel voor (het HSDPA/HSUPA-protocol van) de UMTS-standaard (ook wel aangeduid met 3.5G of 3G+) en voor de LTE (Long-Term Evolution)-standaard (4G) voor mobiele communicatie. Philips heeft zich er schriftelijk toe verbonden deze octrooien op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende (FRAND) voorwaarden in licentie te geven, overeenkomstig ETSI’s IPR Policy (zie hierna r.o. 4.150 en de daarin aangehaalde r.o. 4.148 uit het EP 511-arrest).

2.28

Medio 2013 en in een daaropvolgende bespreking overhandigde brief van 20 november 2013 heeft Philips haar UMTS- en LTE-octrooiportfolio (met in totaal 97 octrooien) en licentieprogramma bij Asus onder de aandacht gebracht, zich daarbij op het standpunt stellend dat Asus diverse mobiele communicatie-apparaten fabriceert of verhandelt die inbreuk maken op één of meer van haar UMTS/LTE-octrooien. Een licentieovereenkomst is niet tot stand gekomen.

2.29

Philips heeft ook in Duitsland en Frankrijk inbreukprocedures tegen Asus (en/of een groepsmaatschappij) aanhangig gemaakt. In Engeland heeft zij ter zake van inbreuk op EP 525 een procedure aanhangig gemaakt tegen diverse Asus- en HTC-vennootschappen. In die procedure is op 23 mei 2018 uitspraak gedaan door de High Court. De Engelse rechter achtte EP 525 nieuw en inventief in het licht van Motorola I en Shad. In Duitsland heeft het Bundespatentgericht op 25 maart 2019 geoordeeld dat EP 525 niet geldig is wegens gebrek aan inventiviteit gelet op Shad en de CDMA2000 standaard. In Nederland is een parallelle procedure aanhangig tussen Philips en Wiko SAS. Daarin wordt eveneens heden arrest gewezen.

3 Het geschil in eerste aanleg en in hoger beroep

3.1

In eerste aanleg vorderde Philips, kort weergegeven, een inbreukverbod (ook provisioneel), een verklaring voor recht dat de producten van Asus onder de beschermingsomvang van EP 525 vallen, opgave van afnemers, recall, vernietiging van voorraad en promotiemateriaal, opgave van behaalde winst, een en ander op straffe van een dwangsom, schadevergoeding en/of winstafdracht en veroordeling van Asus in de volgens artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten proceskosten, alles voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

3.2

Philips legde aan haar vorderingen samengevat ten grondslag dat Asus, door het in Nederland aanbieden van mobiele telefoons, smartphones en tablets die voldoen aan het HSDPA-protocol van de UMTS-standaard, inbreuk maakt op de conclusies 10, 11 en 14 en indirecte inbreuk op conclusies 1, 2 en 15 van EP 525, subsidiair op (vernummerde) conclusies 1, 9, 10, en 13 volgens de hulpverzoeken, nu die conclusies in dat protocol van de UMTS-standaard worden toegepast.

3.3

Asus heeft de inbreuk bestreden en een Frand-verweer gevoerd, inhoudende dat Philips geen recht heeft op een inbreukverbod, ook als wel inbreuk zou worden gemaakt op een geldig octrooi, omdat Philips EP 525 heeft aangemeld als standaard-essentieel voor de UMTS-standaard en zij de daaraan verbonden contractuele en mededingingsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen. Bij incidentele vordering heeft zij inzage in, afschrift en/of uittreksel gevorderd van de (licentie)overeenkomsten die Philips met betrekking tot het octrooi met andere partijen heeft gesloten. In reconventie heeft Asus gevorderd dat EP 525, althans de door Philips ingeroepen conclusies daarvan, wordt vernietigd, alles met veroordeling van Philips in de proceskosten volgens 1019h Rv, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

De rechtbank heeft de vorderingen van Philips in conventie afgewezen en in reconventie het Nederlandse deel van EP 525 vernietigd, met veroordeling van Philips in de proceskosten ex artikel 1019h Rv (in conventie en reconventie). De rechtbank oordeelde dat de uitvinding volgens EP 525, uitgaande van de EV-DO Standaard in combinatie met Shad en algemene vakkennis, voor de hand lag. De incidentele vorderingen van Asus zijn afgewezen wegens gebrek aan belang, met veroordeling van Asus in de proceskosten ex artikel 1019h Rv.

3.5

Philips komt in beroep van deze beslissingen van de rechtbank en vordert vernietiging van het vonnis en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen alsnog toe te wijzen en de vorderingen van Asus alsnog af te wijzen, met veroordeling van Asus in de kosten van beide instanties overeenkomstig artikel 1019h Rv. Zij stelt in hoger beroep dat Asus tevens indirecte inbreuk maakt op conclusies 5, 7 en 9 van het octrooi, die betrekking hebben op een basisstation en overeenkomen met de op een mobiel station betrekking hebbende conclusies 10, 11 en 14.

3.6

Asus heeft de gestelde inbreuk en de geldigheid van de door Philips ingeroepen conclusies (ook die volgens het eerste en tweede hulpverzoek) bestreden. Daartoe heeft zij, voor zover van belang, aangevoerd dat

( i) de conclusies 1, 2, 10, 11, 14 en 15 niet nieuw zijn ten opzichte van:

(a) algemene vakkennis, onder meer bestaande uit de gepubliceerde draadloze (mobiele) communicatie standaarden, met name de EV-DO standaard en TR 25.855, de handboeken van Mouly & Pautet, Walke, Proakis, Barkat en Van Trees;

(b) Shad / Shad Derryberry;

(c) Motorola I;

(d) WO 844;

(e) WO 477;

(f) de Nokia bijdrage (m.u.v. conclusies 2 en 11);

(ii) de conclusies 1, 2, 10, 11, 14 en 15 niet inventief zijn uitgaand van:

(a) algemene vakkennis;

(b) de EV-DO standaard in combinatie met algemene vakkennis en/of Shad of Shad Derryberry;

(c) TR 25.855 in combinatie met algemene vakkennis of Shad / Shad Derryberry;

(d) WO 844 en algemene vakkennis dan wel WO 252;

(e) ieder van de in het kader van de niet-nieuwheid aangehaalde documenten, al dan niet in combinatie met een van de andere documenten, dan wel met de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman;

(iii) de conclusies toegevoegde materie bevatten; en

(iv) de hulpverzoeken onduidelijk zijn en toegevoegde materie bevatten, zodat deze niet toelaatbaar zijn.

3.7

Asus heeft voorts het Frand-verweer gehandhaafd.

3.8

In incidenteel appel heeft Asus voorwaardelijk – voor zover het hof van oordeel zou zijn dat het in eerste aanleg opgeworpen 843a Rv-incident niet onder de devolutieve werking valt – gegriefd tegen afwijzing van haar op 843a Rv gebaseerde incidentele vordering en voorts onvoorwaardelijk gegriefd tegen de proceskostenveroordeling in het incident. Zij vordert alsnog toewijzing van haar inzagevordering, met veroordeling van Philips in de proceskosten in het incident en voor het overige bekrachtiging van het vonnis. Asus heeft haar vordering in reconventie voorts vermeerderd en nadien bij akte weer verminderd en vordert thans een gebod aan Philips om te goeder trouw door te onderhandelen met Asus, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Philips in de 1019h Rv proceskosten. Ten slotte heeft Asus ook bij afzonderlijk incident opnieuw inzage in, afschrift en/of uittreksel gevorderd van de (licentie)overeenkomsten die Philips met betrekking tot het octrooi met andere partijen heeft gesloten, eveneens op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Philips in de 1019h Rv proceskosten.

4 De beoordeling

In principaal appel:

gemiddelde vakman

4.1

Er is geen wezenlijk verschil van mening over de voor het onderhavige octrooigeschil relevante gemiddelde vakman. Hij kan worden omschreven als een elektrotechnisch ingenieur op het gebied van telecommunicatie die kennis heeft op het gebied van het draadloze deel van een telecommunicatienetwerk en de wijze van communicatie tussen een basisstation en een mobiele telefoon. De op de prioriteitsdatum gepubliceerde op draadloze telecommunicatienetwerken betrekking hebbende standaarden waaronder de UMTS- en CDMA2000-standaarden behoren tot zijn algemene vakkennis. Of de EV-DO standaard tot de algemene vakkennis behoorde, zoals Wiko stelt, maar Philips heeft bestreden, kan gelet op hetgeen hierna wordt overwogen in het midden blijven.

EP 525

4.2

Partijen verschillen van mening over de uitleg van conclusie 10 en (daarmee) de beschermingsomvang van die conclusie. Het gaat daarbij meer in het bijzonder om de betekenis van het deelkenmerk dat ‘het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind’. De beschermingsomvang van een octrooi wordt bepaald door de conclusies, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg daarvan. In onder meer zijn arrest van 4 april 2014 inzake Abbott / Medinol (ECLI:NL:HR:2014:816) heeft de HR in het kader van deze uitlegregel, voor zover hier van belang, onder meer overwogen dat de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte dient als een gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies, hetgeen met zich brengt dat tot een uitleg kan worden gekomen die beperkter is dan waartoe de letterlijke tekst van de conclusies ruimte laat. Philips heeft zich met name beroepen op het inzicht dat de uitvinders van EP 525 hebben gehad, en daarmee op de uitvindingsgedachte. Asus heeft er op gewezen dat de conclusies ook uitvoeringsvormen dekken waarin dat door Philips gestelde inzicht niet wordt toegepast (par. 60 PA Asus). Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar Shad (zie rov. 2.26.1 hiervoor). Dat alles in aanmerking genomen overweegt het hof omtrent de uitleg van EP 525 als volgt.

4.3

Volgens par. 9 van de beschrijving van EP 525 is het doel van de geoctrooieerde uitvinding om de efficiëntie van de transmissie van datapakketten te verbeteren (“to improve the efficiency of a packet data transmission system”). Daarbij richt het octrooi zich vooral op de overdracht van bevestigingssignalen van de goede of foute ontvangst van datapakketten, zoals ACK- en NACK-signalen. De beoogde verbetering van de efficiëntie wordt volgens de uitvinding van EP 525 bereikt doordat het mobiele station in staat is om het vermogensniveau van het te verzenden bevestigingssignaal (zoals een ACK- of NACK-signaal) te selecteren op basis van het signaaltype (ACK of NACK). In par. 10 van de beschrijving (onder het kopje ‘Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “According to a first aspect of the invention (…) the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type.” In par. 11 van de beschrijving is het effect daarvan als volgt beschreven: “By transmitting different acknowledgement signals at different power levels, the probability of the primary station correctly interpreting signals of different types can be manipulated to improve total system throughput and capacity.”

4.4

In een in par. 11 van het octrooischrift beschreven uitvoeringsvorm worden NACK-signalen met een hoger vermogen verstuurd dan ACK-signalen, teneinde de kans dat het basisstation, indien nodig, een datapakket opnieuw verstuurt, te verhogen. In par. 23 van de beschrijving (onder het kopje ‘Modes for Carrying Out the Invention’) is verduidelijkt dat dit niet gepaard gaat met een verhoging van het vermogen waarmee een ACK-signaal wordt verzonden: “Hence, in a system made in accordance with the present invention a NACK 204 is transmitted at a higher power level than an ACK 206. This power offset is advantageous because it reduces the error probability for the NACK 204 without increasing the power transmitted for the ACK 206.”. Daaruit zal de gemiddelde vakman begrijpen dat de zendvermogens van ACK- en NACK-signalen niet alleen verschillend kunnen zijn, maar ook afzonderlijk – onafhankelijk van elkaar – kunnen worden gevarieerd en dat daarmee de kans op een (on)juiste interpretatie van het desbetreffende signaal kan worden beïnvloed. Ook Asus gaat daarvan uit (par. 296 MvA). Anders dan bij systemen volgens de stand van de techniek, gaat vergroting van het gebied waarbinnen signalen als een NACK bericht worden geïnterpreteerd, dus niet gepaard met verkleining van het ACK gebied (vgl. de in r.o. 2.21 weergegeven figuur). Dat kan als volgt worden weergegeven:

4.5

De door het octrooi nagestreefde verbetering van de efficiëntie wordt verder bereikt doordat het zendvermogen per type signaal niet vooraf is vastgelegd, maar afhankelijk is van een door het basisstation overgeseinde indicatie van het zendvermogen voor elk signaaltype. In par. 13 (onder het kopje ‘Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “According to a third aspect of the invention there is provided a primary station (…) wherein means are provided for signalling to the secondary station an indication of how the power level at which the secondary station transmits the signal depends on the type of the signal.”. Die maatregel maakt het mogelijk dat het zendvermogen niet alleen per type signaal afzonderlijk kan worden geselecteerd, maar dat die vermogensniveaus bovendien ook variabel (afhankelijk van de omstandigheden) kunnen zijn, doordat deze niet vooraf zijn vastgesteld maar door het basisstation worden overgeseind. Daaraan ligt het inzicht ten grondslag dat een false ACK niet onder alle omstandigheden problematischer is dan een false NACK, waar in de stand van de techniek nog van werd uitgegaan. In par. 26 van de beschrijving wordt als voorbeeld genoemd dat er bij ‘real time streaming service’ onvoldoende tijd is voor het opnieuw verzenden van een ‘corrupted’ ontvangen datapakket, zodat een hoger zendvermogen van een NACK-bericht om een false ACK te voorkomen daarbij weinig zinvol is. Het in dergelijke gevallen juist wel achterwege laten van een verschillend zendvermogen (volgens de stand van de techniek NACK hoger dan ACK) draagt bij aan systeemefficiëntie. Voor verzending van andersoortige data is goede ontvangst daarentegen wel essentieel en wegen de voordelen van verhoging van het zendvermogen van een NACK-signaal wel op tegen het nadeel van de ermee gepaard gaande verhoogde interferentie en energieverbruik.

4.6

In de beschreven uitvoeringsvormen van de uitvinding worden verschillende typen door het basisstation overgeseinde indicaties – waarmee het vermogensniveau per signaaltype kan worden ingesteld en aldus ten opzichte van elkaar kunnen worden gevarieerd – genoemd, zoals de toepassing van een offset (par. 26, 36, 48), een indicatie om al dan niet een (vooraf vastgestelde) offset te gebruiken (par. 29) of een indicatie van het specifieke toe te passen vermogensniveau (par. 29, 36).

4.7

De door EP 525 onder bescherming gestelde uitvinding maakt het derhalve mogelijk om per mobiel station het zendvermogen voor ieder type signaal (bijv. een ACK- of NACK-signaal) afzonderlijk, onafhankelijk van het vermogen van het andere type signaal, variabel (dat wil zeggen afhankelijk van de omstandigheden), aan te passen conform de daartoe door het basisstation overgeseinde indicatie. Doordat afhankelijk van de omstandigheden per signaaltype het optimale (zo laag mogelijke) zendvermogen kan worden gekozen en door het basisstation overgeseind, wordt een verbetering van de systeem-efficiëntie bereikt. In vergelijkbare zin overwoog de Engelse High Court over de door de uitvinding volgens het octrooi geboden voordelen: “(…) the scheme is a flexible one that permits the powers of the ACKs and NACKs to be modified independently, allowing error performance targets to be achieved at lower average power and different data services to be handled differently; and it facilitates soft handover in the uplink when using HSDPA in the downlink. This is achieved with only a modest increase in system complexity.

4.8

Gelet op het voorgaande zal naar het oordeel van het hof de gemiddelde vakman die de conclusies van EP 525 leest begrijpen dat de achter de uitvinding gelegen uitvindingsgedachte is dat – in plaats van het systeem volgens de stand van de techniek, waarin sprake is van gefixeerde, vooraf vastgestelde, maximale foutkansen voor op gelijk vermogensniveau verzonden ACK- en NACK-signalen, waaraan kan worden voldaan door instelling van de drempelwaarde – het vermogensniveau van de onderscheiden signalen per type signaal afzonderlijk kan worden aangepast, onafhankelijk van het zendvermogen van een ander signaal, teneinde de foutkansen per type signaal voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. De daarmee verkregen flexibiliteit leidt tot verbeterde systeemefficiëntie omdat onder alle omstandigheden een zo laag mogelijk vermogensniveau voor verzending van de ACK- en NACK-signalen kan worden gehanteerd. Dat van die flexibiliteit niet onder alle omstandigheid gebruik zou worden gemaakt, zoals Asus heeft gesteld, doet er niet aan af dat geboden flexibiliteit wordt bereikt.

4.9

Dat in par. 25 en 30 van de beschrijving de mogelijkheid wordt genoemd dat náást de vaststelling van de foutkansen volgens de uitvinding óók gebruik wordt gemaakt van een drempelwaarde, waarop Asus heeft gewezen, maakt dat niet anders. In het geval beschreven in par. 25 wordt een lagere power offset toegepast voor de NACK-signalen indien de frequentie van NACK-signalen een bepaald percentage overstijgt (bij slechte kanaalcondities) ter voorkoming van interferentie. Dat is hieronder geïllustreerd.

Om er dan toch voor te zorgen dat het NACK-gebied groot genoeg blijft kan dan de uit de stand van de techniek bekende maatregel van het verschuiven van de drempelwaarde richting ACK worden toegepast, zoals hierna geïllustreerd.

Dat laat onverlet dat sprake is van afzonderlijke instelling van het vermogensniveau van het NACK-signaal, ter beïnvloeding van de foutkansen van dat signaal, afhankelijk van de gegeven omstandigheden.

4.10

De in par. 25 van de beschrijving geopenbaarde uitvoeringsvorm is ook iets anders dan wat de gemiddelde vakman in Shad leest. Zoals hierna (in r.o. 4.52 e.v.) uiteengezet zal worden, is daarin sprake van aanpassing van het zendvermogen van de ACK- en NACK-signalen afhankelijk van de frequentie om interferentie te minimaliseren en niet afhankelijk van het type signaal om de foutkansen van die signalen te beïnvloeden. In die publicatie wordt (alleen) verschuiving van de drempelwaarde toegepast om te voldoen aan de maximale foutkansen voor beide signalen. Anders dan bij de uitvinding volgens het octrooi, staat in Shad de aanpassing van beide zendvermogens bovendien in vaste relatie tot elkaar en zijn de beide zendvermogens niet afzonderlijk, onafhankelijk van het andere type signaal, instelbaar. De gemiddelde vakman zal dan ook begrijpen dat de uitvinding volgens EP 525 op een ander inzicht berust dan hetgeen in Shad is geopenbaard. Evenmin is par. 25 van de beschrijving van EP 525 hetzelfde als hetgeen Shad Derryberry de gemiddelde vakman leert, onder meer omdat – zoals hierna in r.o. 4.68 e.v. wordt overwogen – daarin, net zo min als bij Shad, sprake is van aanpassing van de zendvermogens van ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar.

4.11

Het standpunt van Asus dat de uitvindingsgedachte (slechts) is gelegen in het verzenden van verschillende bevestigingssignalen (zoals ACK- en NACK-signalen) met verschillende vermogensniveaus, moet worden verworpen. Zoals volgt uit het voorgaande volgt deze door Asus verdedigde uitvindingsgedachte niet uit par. 23 van de octrooibeschrijving, zoals zij stelt. Die paragraaf is opgenomen onder het kopje ‘Modes for Carrying Out the Invention’ waaronder verschillende voorbeelden van toepassingen van de uitvinding worden gegeven. Par. 23 ziet op de uitvoeringsvorm die zal worden toegepast in de ‘normaalsituatie’ waarin het systeem goed functioneert en dus aanzienlijk minder NACK-signalen dan ACK-signalen zullen worden verzonden. Dan is het voordelig (alleen) het zendvermogen van de NACK-signalen te verhogen, zodat de foutkans voor een NACK-signaal afneemt, zonder noemenswaardig verhoging van interferentie, omdat het zendvermogen van een ACK-signaal wel gelijk blijft (en niet in gelijke mate als dat van het NACK-signaal wordt verhoogd). Par. 24 maakt echter duidelijk dat in een situatie waarin het systeem minder goed functioneert en er dus méér NACK-signalen worden verstuurd, de verhoging van het zendvermogen voor NACK-signalen achterwege moet blijven. Ook in andere gevallen – zoals bij het in par. 26 van de beschrijving gegeven voorbeeld van real-time streaming service – wordt optimale systeemefficiëntie juist bereikt door géén verschillend vermogensniveau toe te passen. Dat levert een voordeel op ten opzichte van de algemeen toegepaste verschillende foutkansen voor ACK- en NACK-signalen en daarop gebaseerde biased drempelwaarde uit de stand van de techniek, op grond waarvan een signaal vaker als een NACK zal worden geïnterpreteerd en er dus vaker (en by real-time streaming service onnodig) datapakketten opnieuw zullen worden gezonden. Het standpunt van Asus dat bij een gelijk zendvermogen het voordeel van de uitvinding (systeemefficiëntie) niet zou worden bereikt is derhalve evenzeer onjuist. Datzelfde geldt voor haar veronderstelling dat de uitvinding ziet op het instellen van verschillende foutkansen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen kan juist het (in afwijking van de stand van de techniek) hanteren van gelijke foutkansen een voordeel opleveren.

4.12

Evenmin juist is het standpunt van Asus dat een signaal van een basisstation, dat een indicatie inhoudt van het zendvermogen van bevestigingssignalen zonder onderscheid te maken naar type signaal – zoals een TPC-commando uit de UMTS standaard waardoor het zendvermogen van alle signalen die over een bepaald uplink kanaal worden verstuurd wordt verhoogd of verlaagd, ongeacht het type signaal, of de AckChannelGain uit de EV-DO standaard waarmee het vermogen van het ACK-kanaal wordt verhoogd of verlaagd ongeacht of het signaal een ACK- of NACK-signaal is – ook kan worden aangemerkt als een indicatie van het basisstation in de zin van het octrooi. Uit de maatregelen “wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type” en “in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signalled from the primary station to the secondary station” van conclusie 10 in onderlinge samenhang bezien en gelezen in het licht van de beschrijving (in het bijzonder par. 23 daarvan), kan deze conclusie niet anders worden begrepen dan dat met de door het basisstation doorgeseinde indicatie het zendvermogen per signaaltype afzonderlijk kan worden ingesteld, teneinde de foutkansen per signaaltype te bepalen, onafhankelijk van het zendvermogen en de foutkansen van het andere type signaal. Asus is bij de uitleg van (de deelkenmerken van) conclusie 10 zelf ook uitgegaan van een signaaltype-afhankelijke indicatie (vgl. par. 282 CvA: “Omdat het signaal volgens kenmerk E van conclusies 10 en 1 van het Octrooi wordt gekozen uit een groep van ten minste twee beschikbare signaaltypen, dient de aanduiding ook een concreet prestatieniveau voor elk van deze signaaltypen te omvatten.” ).

4.13

Zoals hiervoor overwogen (zie r.o. 4.6), kan een indicatie voor elk type signaal inhouden dat er bij twee signaaltypen ook twee aparte indicaties zijn. Echter, om het vermogensniveau voor elk signaal apart aan te duiden in de zin van conclusie 10 is het niet noodzakelijk dat er meer dan één (bericht inhoudende een) indicatie is. De beschrijving geeft verschillende voorbeelden van indicaties volgens conclusie 10 waarbij met één indicatie kan worden volstaan, bijvoorbeeld een indicatie bestaande uit een offsetwaarde, waarbij het vermogen van het ene signaaltype wordt bepaald relatief ten opzichte van dat van het andere signaaltype. Ook daarmee kunnen de vermogensniveaus (en daarmee de foutkansen) afzonderlijk van elkaar worden gevarieerd en is er dus sprake van een aparte indicatie voor elk signaaltype in de zin van conclusie 10.

4.14

Evenzeer wordt het standpunt van Asus verworpen dat alle voordelen van de uitvinding worden behaald met een verschillend vermogensniveau van ACK- en NACK-signalen, zodat het deelkenmerk dat de indicatie van het vermogensniveau per signaaltype wordt doorgeseind door het basisstation geen effect zou hebben. Zoals hiervoor overwogen, ziet de uitvinding niet alleen op de mogelijkheid van het verzenden van de verschillende bevestigingssignalen met verschillende vermogensniveaus als zodanig, maar met name ook op de aanpassing van het zendvermogen (en daarmee de foutkansen) per type signaal afzonderlijk, waarbij de indicatie die door het basisstation wordt doorgeseind aanpassing per type signaal afhankelijk van de omstandigheden mogelijk maakt. Juist vanwege die flexibiliteit – waarbij het bijvoorbeeld onder omstandigheden ook voordelig kan zijn dat juist géén verschillend vermogensniveau voor de verschillende bevestigingssignalen wordt toegepast – worden de voordelen van de uitvinding bereikt (vgl. r.o. 4.11 hiervoor).

4.15

Anders dan Asus veronderstelt is het betoog van Philips – terecht – niet dat conclusie 10 beperkt zou zijn tot de mogelijkheid van ‘per service flexibiliteit’. Immers, de aanpassing van het zendvermogen van een signaal hoéft niet te worden ingegeven door het type dataservice. Het is ook mogelijk dat die aanpassing bijvoorbeeld plaatsvindt op basis van de frequentie waarmee signalen van een bepaald type worden ontvangen, zoals in de uitvoeringsvorm beschreven in par. 25 van de beschrijving. De uitvoeringvoorbeelden die in de beschrijving worden gegeven zijn toepassingen van de uitvinding volgens conclusie 10. Daarmee wordt verduidelijkt dat het vermogensniveau van de onderscheiden signalen afzonderlijk kan worden aangepast om de foutkansen van die signalen voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. Duidelijk is dat deze flexibiliteit bij het vaststellen van de foutkansen door toepassing van verschillende vermogensniveaus per type signaal leidt tot verbeterde systeemefficiëntie ten opzichte van systemen volgens de stand van de techniek, waarin sprake is van vooraf vastgestelde maximale foutkansen voor ACK- en NACK-signalen, die niet onder alle omstandigheden optimaal kunnen zijn.

4.16

De verleningsgeschiedenis kan aan voorgaande uitleg van conclusie 10 van EP 525 niet af doen. Dat in de communicatie met het Europees Octrooibureau de uitvindingsgedachte van EP 525 niet met zoveel woorden is geëxpliciteerd en door Philips (onder meer) is gewezen op de verhoogde kans op een juiste foutcorrectie als een datapakket niet goed is aangekomen, betekent niet dat de gemiddelde vakman, kennis nemend van de conclusies in de context van de beschrijving, niet zou onderkennen dat met de conclusiesmaatregelen voornoemde flexibiliteit en daarmee systeemefficiëntie verkregen wordt. Als de gemiddelde vakman tevens kennis zou nemen van het verleningsdossier, dan ziet hij dat juist bevestigd. Philips heeft immers ook expliciet verwezen naar de uitvoeringsvoorbeelden waaruit deze flexibiliteit duidelijk kenbaar is.

4.17

Gelet op al het voorgaande moet het in r.o. 4.2 genoemde kenmerk, ook al zou de letterlijke tekst daarvan wellicht een ruimere uitleg toelaten, zo worden uitgelegd dat de vermogensniveaus van de verschillende signalen afzonderlijk kunnen worden aangepast om de foutkansen van die signalen voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie.

4.18

Asus heeft er verder op gewezen dat de High Court in Engeland (Justice Arnold) conclusie 10 ruimer heeft uitgelegd (waardoor volgens Asus Shad nieuwheidsschadelijk zou zijn). Echter, zij heeft er ook op gewezen dat de Engelse rechter heeft overwogen dat de argumenten van partijen in de Engelse procedure “rather different” zijn geweest in vergelijking met de argumenten van partijen in de onderhavige procedure. Asus heeft daar verder – terecht – over opgemerkt: “Om die reden kan het Engelse vonnis niet als leidend worden beschouwd.” en voorts medegedeeld dat van dat vonnis hoger beroep is ingesteld (par. 141 MvA en voetnoot 47). Dat de argumenten verschillend zijn geweest blijkt reeds uit het feit dat de overwegingen terzake van de uitleg van de conclusie in het Engelse vonnis worden voorafgegaan door “There is no dispute as to the interpretation of claim 10.”, waaruit volgt dat over de conclusie-uitleg in de Engelse procedure kennelijk overeenstemming bestond. In onderhavige procedure was daarvan geen sprake. Het hof heeft daarom geen aanleiding gezien aansluiting te zoeken bij de door de Engelse rechter gehanteerde conclusie-uitleg, maar de uitleg van conclusie 10 zelfstandig beoordeeld in aanmerking nemend hetgeen in deze procedure door partijen over en weer is aangevoerd.

(i) nieuwheid

(i)(a) algemene vakkennis

de gepubliceerde standaarden

4.19

Gelet op de hiervoor uiteengezette uitleg van EP 525 moet het standpunt van Asus, dat de conclusies van EP 525 niet nieuw zijn in het licht van de op de prioriteitsdatum gepubliceerde draadloze (mobiele) communicatiestandaarden, met name de EV-DO standaard en de UMTS-standaard (waarvan TR 25.855 deel uitmaakt), worden verworpen. In beide standaards worden door het mobiele station ACK- en NACK-signalen aan het basisstation verzonden om de status van de ontvangen datapakketten aan te geven. Niet gemotiveerd bestreden is echter dat die standaarden niet openbaren dat het vermogensniveau van de bevestigingssignalen onafhankelijk van elkaar kunnen worden aangepast.

4.20

Ook volgens Asus is het uitgangpunt dat bij toepassing van die standaards de ACK- en NACK-signalen met gelijke vermogens worden verzonden (par. 197 MvA). Voor het verzenden van ACK- en NACK-signalen wordt in beide standaards gebruik gemaakt van BPSK (‘Binary Phase Shift Keyed’) modulatie, waarbij twee signalen met verschillende fase, maar met gelijk vermogen worden verzonden.

4.21

Bovendien worden zowel in de EV-DO standaard als in TR 25.855 de ACK- en NACK-signalen verzonden over hetzelfde kanaal, waarvan het vermogen wordt bepaald aan de hand van een door het basisstation aan het mobiele station verzonden power offset aan de hand waarvan vermogen waarmee zowel een ACK- als een NACK-signaal dient te worden verzonden, relatief ten opzichte van het pilootsignaal, wordt vastgesteld. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het type signaal. Het hof verwijst verder naar hetgeen daaromtrent hierna in r.o. 4.51 is overwogen.

4.22

Daaruit volgt dat de EV-DO standaard noch TR 25.855 openbaart dat “het bevestigingsmiddel wordt ingericht voor het kiezen van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type” en evenmin dat dit afhankelijk is van een door het basisstation overgeseinde aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, zoals vereist door conclusie 10. Deze documenten zijn daarom niet nieuwheidsschadelijk.

de handboeken

4.23

Asus heeft verder aangevoerd dat de materie van EP 525 direct en ondubbelzinnig is geopenbaard in de op de prioriteitsdatum gepubliceerde handboeken van Proakis, Barkat en Van Trees. Daarin kan Asus niet worden gevolgd. In geen van deze handboeken wordt geleerd om de foutkansen van de ACK- en NACK-signalen te beïnvloeden door aanpassing van het zendvermogen per type signaal afzonderlijk en evenmin dat een indicatie per type signaal door het basisstation wordt overgeseind.

4.24

De passage uit Proakis onder het kopje 5-2-1 ‘Probability of Error for Binary Modulation’, waarop Asus zich (mede) heeft beroepen, heeft betrekking op het gebruik van een ontvanger voor zogenaamde PAM (‘Pulse Amplitude Modulation’)-signalen. Dat zijn signalen waarbij de door het signaal overgebrachte informatie is vervat in de amplitude van het signaal (bij BPSK modulatie is de informatie vervat in de fase). Bij gebruik van twee signalen (M=2) is binary PAM gelijk aan BPSK (‘Binary Phase Shift Keyed’); in beide gevallen worden de signalen met gelijke vermogens verzonden. Dat blijkt onder meer ook uit de passage op pag. 175 van Proakis: “In the special case of M = 2 signals, the binary PAM waveforms have the special property that s1(t) = -s2(t). Hence, these two signals have the same energy and a cross-correlation coefficient of -1, such signals are called antipodal.” In overeenstemming daarmee worden beide signalen volgens Proakis met dezelfde, maar tegenovergestelde energie verzonden, respectievelijk √Ɛb en -√Ɛb.

4.25

Proakis beschrijft de kans op de foute ontvangst van gelijke antipodale signalen (“Let us assume that the two signals are equally likely”) en gaat uit van gelijke vermogens (Binary PAM met 2 signalen). In dat licht is het standpunt van Asus dat de gemiddelde vakman zal begrijpen dat de foutkans voor het signaal ‘s’ kan worden beïnvloed door de energie Ɛb van dat signaal aan te passen (par. 235 MvA), voor zover zij daarmee de aanpassing van het zendvermogen van de afzonderlijke signalen bedoelt, door Asus niet steekhoudend onderbouwd. Haar stelling dat haar standpunt wordt “bevestigd” met de (hieronder weergegeven) figuur 5-2-4 ‘Probability of error for binary signals’ wordt verworpen.

4.26

Deze figuur (de linker curve, die ziet op antipodale signalen) is een weergave van de berekening van de gemiddelde kans op foute ontvangst van een antipodaal signaal (ongeacht of dit signaal s1 of s2 is), uitgedrukt als Pb, aan de hand van vergelijking (5-2-5):

waarvan dus beide signalen s1 en s2 onderdeel uitmaken, bij diverse (gelijke) vermogens waarmee beide signalen worden verzonden. De figuur toont, in overeenstemming met de algemene vakkennis op de prioriteitsdatum, dat als het zendvermogen uitgedrukt als SNR per bit γb – horizontale as – toeneemt, de ‘error probabilityPb van een signaal – verticale as – afneemt.

4.27

Deze figuur toont niet de toepassing van verschillende zendvermogens voor de onderscheiden signaaltypes s1 en s2, zoals Asus ten onrechte aanvoert. Voor zover Asus zou willen betogen dat de gemiddelde vakman die mogelijkheid daar zou ‘inlezen” (op grond van de aanname dat false ACK ernstiger gevolgen heeft dan een false NACK) moet dat worden verworpen. Daarvoor bestaat geen aanleiding, aangezien Proakis – naar Asus erkent – uitgaat van gelijke signalen met gelijke amplitude en in Proakis bovendien ook niet het hanteren van verschillende maximaal toelaatbare foutkansen voor de onderscheiden signaaltypen wordt geopenbaard.

4.28

Proakis omschrijft alleen de situatie waarin beide typen signalen s1 en s2 (bijvoorbeeld een ACK- en NACK-signaal) gelijk zijn (“equally likely”) en de drempelwaarde zich in het midden van beide signaaltypen bevindt. Dat wordt getoond in figuur 5-2-2 van Proakis:

FIGURE 5-2-l C,onditional pdfs of two signals.

waarbij ‘pdf’ staat voor ‘probability density function’, dus de kans dat een signaal met een bepaalde energiewaarde wordt ontvangen (waarbij de meeste signalen worden ontvangen op of rond het vermogen waarmee het werd verzonden en de afwijkingen worden veroorzaakt door ‘noise’). Te zien is dat beide signalen dezelfde amplitude hebben. Anders dan Asus suggereert (par. 233 e.v. MvA) worden in Proakis situaties waarin de foutkansen ongelijk zijn niet besproken en derhalve evenmin hoe dat kan worden beïnvloed, laat staan dat dit zou kunnen gebeuren door toepassing van ongelijke energiewaarden voor beide signaaltypen. Proakis gaat immers expliciet uit van gelijke (maar tegenovergestelde) energiewaarden voor antipodale signalen:√Ɛb en -√Ɛb.

4.29

In Barkat wordt in paragraaf 8.2.2 de ‘optimum receiver’ besproken voor het detecteren van een binair signaal. De optimale ontvanger wordt getoond in figuur 8.6:

Blijkens de passage direct onder het kopje “8.2.2 General Binary Detection” staan H1 en H0 voor de verzonden binaire signalen s1(t) en s0(t): “In this case, the transmitter sends the signal s1(t) under Hypothesis H1 and the signal s0(t) under hypothesis H0”.

4.30

Barkat beschrijft dat door wijziging van het signaal tijdens de verzending als gevolg van ‘noise’, het ontvangen signaal (aangeduid met y(t)) verschilt van het verzonden signaal. De ontvanger is bekend met de waarden voor verzonden signalen s1(t) en s0(t) en kan het ontvangen signaal daarmee vergelijken. De receiver gebruikt daarvoor de waarde s∆(t) (het verschil tussen s1 en s0). Het voltage van het ontvangen signaal ligt ergens tussen de waarden van s1(t) en s0(t) in. Aan de hand van vergelijking met de in de ontvanger (basisstation) ingestelde drempelwaarde γ1 bepaalt de receiver vervolgens of het ontvangen signaal moet worden aangemerkt als s1 of als s0. Dit is ook beschreven in Example 3.1 uit Barkat (waarin de signalen met random waarde worden aangeduid met H (van ‘hypothesis’)):

“Example 3.1

In a digital communication system, consider a source whose output under hypothesis H1 is a constant voltage of value m while its output under hypothesis H0 is zero. The received signal is corrupted by N an additive white Gaussian noise of zero mean and variance a2.

(a) Set up the likelihood ratio test and determine the decision regions.

(b) Calculate the probability of false alarm and the probability of detection.

(…)

the received observation is compared with the threshold γ.

The decision regions are as shown in Figure 3.4.

4.31

De drempelwaarde γ1 kan worden vastgesteld volgens vergelijking (8.77) uit Barkat

waarbij staat voor log Eta en Ɛ1 en Ɛ0 staan voor de energiewaarden van de signalen s1 en s0. De drempelwaarde wordt dus vastgesteld aan de hand van deze parameters.

De energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 bepalen de afstand tussen de signalen s1 en s0. Hoe hoger de energie (het zendvermogen), hoe groter de afstand. Uit ½ (Ɛ1 - Ɛ0) in deze formule volgt dat de waarden voor Ɛ1 en Ɛ0 tevens het midden tussen de signalen s1 en s0 bepalen. Bij log Eta gelijk aan nul is de drempelwaarde dus neutraal, in het midden van de beide signaaltypes, gepositioneerd. Daaruit volgt dat in deze vergelijking de waarde voor log Eta de waarde van γ1 – dus de verschuiving van de drempelwaarde richting s1 of s0 – bepaalt. Dat kan als volgt worden weergegeven:

4.32

Met een ROC (‘Receiver Operation Characteristic’)-grafiek worden de prestaties van een systeem getoond dat onderscheid moet maken tussen twee mogelijke interpretaties van een ontvangen signaal. In Barkat is in figuur 3.10 een ROC opgenomen, waarin PF staat voor ‘probability of false alarm’, overeenkomend met de kans op false ACK. De kans op false NACK (‘probability of miss’, ofwel PM) staat gelijk aan 1-PD (‘probability of detection’). Deze figuur is hieronder afgebeeld.

4.33

Voor ieder (voor beide signalen gelijkelijk) toegepast zendvermogen wordt de relatie weergegeven tussen de positie van de drempelwaarde in het basisstation en de resulterende foutkansen voor (bijvoorbeeld) ACK- en NACK-signalen. Ieder punt op de curve komt overeen met een bepaalde drempelwaarde en de daaruit resulterende foutkansen voor beide signaaltypen. De curve van boven naar beneden volgend wordt de drempelwaarde verder richting ACK verschoven en neemt de kans op false ACK af (PF, horizontale as) en neemt de kans op false NACK (1-PD, verticale as) toe. (Vgl. Barkat pag. 152: “The slope of the ROC at a particular point on the curve represents the threshold ƞ for the Neyman-Pearson test to achieve the PD and PF at that point.” en pag. 153: “The ROC is a plot of PD, the probability of detection, versus PF the probability of false alarm, with the threshold ƞ as a parameter.”).

De in Barkat gegeven formules voor de berekening van PD en PF zijn achtereenvolgens:

(8.76):

(8.78):

4.34

In overeenstemming met vergelijking (8.77) wordt in Barkat voor de situatie waarin beide signalen een gelijke frequentie hebben (even vaak voorkomen) en even belangrijk worden gevonden, log Eta gelijk gesteld aan nul waardoor de drempelwaarde dus neutraal, in het midden, is gepositioneerd. Dat volgt uit de navolgende vergelijking:

4.35

Barkat vermeldt verder ook dat bij ongelijke frequentie en ongelijk belang van de signaaltypen de drempelwaarde niet op nul moet worden gesteld maar moet worden verschoven (op basis van log Eta): (pag. 122) “Thus, in practical situations where the a priori probabilities [frequentie – hof] and the cost [het belang – hof]] may change, only the threshold changes but the computation of the likelihood ratio is not affected.” en (pag. 153) “In the Bayes criterion the threshold η is determined by the a priori probabilities and the costs.”

4.36

Ook in Van Trees wordt aan de vereisten voor de verschillende foutkansen voor beide signalen voldaan door middel van positionering van de drempelwaarde, zoals onder meer volgt uit de daarin opgenomen figuur 2.8 in Van Trees:

4.37

In Van Trees is ook (in figuur 2.9 op pag. 38) een ROC afgebeeld:

In deze figuur wordt met “increasing ƞ” tot uitdrukking gebracht dat bij toename van log Eta de waarde van γ1 hoger wordt, PF (de kans op false ACK) afneemt en PM (=1-PD) (de kans op false NACK) toeneemt. In de ROC worden curves getoond bij drie verschillende waarden ‘d’. Die waarde staat voor de afstand (‘distance’) tussen de twee signalen (zoals weergegeven in figuur 2.8). Deze afstand wordt bepaald door de energiewaarden Ɛ0 en Ɛ1. Hoe hoger de energiewaarde (het zendvermogen) van beide signalen (die immers met gelijke maar tegenovergestelde energiewaarde worden verzonden), hoe groter de afstand tussen beide signalen en daarmee hoe groter de kans dat de drempelwaarde in het basisstation zo kan worden gepositioneerd dat aan de vereiste maximaal toelaatbare foutkansen kan worden voldaan. De verschillende curves representeren dus de waarden die bij het gebruik van verschillende zendvermogens (gelijkelijk toegepast op beide signalen) worden verkregen.

4.38

Dat op de prioriteitsdatum gebruik werd gemaakt van ROC-curves om (ter voorkoming van interferentie) bij zo laag mogelijke (gelijke) zendvermogens te kunnen voldoen aan de (ongelijke) maximaal toelaatbare foutkansen voor beide signalen door positionering van de drempelwaarde blijkt ook uit Motorola II. Daarin is de volgende figuur opgenomen:

4.39

Onder de figuur is vermeld dat gebruik wordt gemaakt van BPSK-modulatie; beide signalen hebben dus een gelijk vermogen. De curves hebben, net als in Van Trees, betrekking op de resultaten bij verzending van ACK- en NACK-signalen met een verschillend (voor beide signalen gelijk toegepast) vermogen. Op de verticale as is ‘PFa’ afgezet, de ‘probability of false alarm’. Met PFa wordt de kans weergegeven dat een NACK-signaal ten onrechte wordt geïnterpreteerd als een ACK-signaal (false ACK). Op pag. 2 van Motorola wordt vermeld dat de ‘false alarm rate’ 10-5 wordt gehanteerd. Dat blijkt ook uit de figuur. De beide “Desired Operation points” in Motorola zijn op die waarde (daar weergegeven met 1.0E-05) gelegen. Op de horizontale is ‘PDet’ afgezet, ‘probability of detection’, de kans dat een ACK-signaal juist wordt geïnterpreteerd. In Motorola is navolgende passage opgenomen: “If the probability of misinterpreting an ACK as a NACK were PACKASNACK, the HSDPA throughput would be (1- PACKASNACK) of the peak achievable service rate. Therefore, a PACKASNACK of 1% or less will allow the HS-DSCH to provide 99% of the peak throughput.” Daaruit volgt dat de maximale kans op een false NACK is gesteld op 10-2, dus 0,99. De in de curve aangegeven ‘Desired Operating points’ geven de drempelwaarde weer waar wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare kans op een false ACK (PFa van 1.0E-05 op de verticale as). Te zien is dat bij een zendvermogen waarbij de ‘signal to noise ratio’ (SNR, in de figuur weergegeven als ‘Eb/No’, wat staat voor Energy per bit (signaal sterkte)/Noise (ruis)) 7 dB is (blauwe curve), niet wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare foutkans voor een false NACK (PDet van 0,99 op de horizontale as). Bij een zendvermogen waarbij de SNR gelijk is aan 8 dB (paarse curve) is dat wel het geval. Het minimaal benodigde zendvermogen (dus de minimale afstand ‘d’ tussen beide signalen) om een drempelwaarde zo te positioneren dat wordt voldaan aan de vastgestelde maximale foutkansen voor beide signalen is in deze publicatie derhalve 8 dB.

4.40

De suggestie van Asus dat in Barkat en Van Trees wordt geopenbaard dat de zendvermogens van de afzonderlijke signalen (kunnen) worden gebruikt om de relatieve foutkansen te beïnvloeden, wordt als onjuist van de hand gewezen. Aan Asus kan worden nagegeven dat dit – theoretisch – kan worden bereikt door de drempelwaarde op nul te fixeren en vervolgens verschillende vermogensniveaus in te vullen in de vergelijkingen uit de diverse handboeken waarin de energiewaarden Ɛ0 en Ɛ1 zijn gegeven voor de signalen s0 en s1, met name vergelijkingen (8.77) (zie r.o. 4.31 hiervoor) en (8.40) en (8.41) uit Barkat

en de formules voor de zendvermogens voor signalen s0 en s1 in Van Trees (√Et0 s0(t) en √Et1 s1(t)).

4.41

Naar Philips evenwel onderbouwd heeft gesteld, en vervolgens door Asus onvoldoende gemotiveerd is weersproken, zou de gemiddelde vakman, gelet op de context waarin die vergelijkingen zijn geplaatst en hetgeen op de prioriteitsdatum gangbaar was voor mobiele telecommunicatiesystemen, die vergelijkingen niet zo (theoretisch) benaderen als Asus aanvoert. De gemiddelde vakman zal inzien dat dit algemene theoretische vergelijkingen zijn, waarbij vrijwel alle waarden – fase, frequentie, energiewaarde – kunnen worden gevarieerd en die toepasbaar zijn in allerlei verschillende modulatieschema’s. Toegepast op ACK- en NACK-signalen en gelezen in het licht van in de op de prioriteitsdatum bekende mobiele telecommunicatiesystemen algemeen toegepaste BPSK-modulatie, begrijpt de vakman dat s0(t) overeenkomt met –s1(t) en dat deze met gelijk vermogen worden verzonden. In dat licht valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman, zonder enige verdere aanwijzing in die richting, de vergelijkingen zou toepassen om voor de signalen s0 en s1 ongelijke zendvermogens toe te passen om de foutkansen van die signalen beïnvloeden. Dat geldt temeer omdat in Barkat en Van Trees juist (uitsluitend) wordt geleerd dat daartoe de positionering van de drempelwaarde dient te worden gebruikt.

4.42

De toepassing van ongelijke energieniveaus voor de onderscheiden signaaltypen wordt ook nergens in de door Asus aangehaalde handboeken besproken, al helemaal niet ter beïnvloeding van de foutkansen van die signalen. De energiewaarden worden daarin uitsluitend (voor beide signalen gelijkelijk) gevarieerd om de benodigde minimale afstand (‘d’) tussen beide signalen te bepalen teneinde bij een zo laag mogelijk (gelijk) zendvermogen te kunnen voldoen aan de vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen van beide signalen (vergelijk de in r.o. 4.32 en r.o. 4.37 hiervoor getoonde ROC’s uit Barkat en Van Trees en de ROC uit Motorola II, met verschillende curves voor verschillende – voor beide signalen gelijkelijk geldende – energiewaarden). Vervolgens wordt bij de laagst mogelijke energiewaarde log Eta gevarieerd om de drempelwaarde optimaal te positioneren, zodanig dat aan het vereiste maximum aan foutkansen voor beide signalen wordt voldaan. Deze volgordelijkheid – eerst de energiewaarde van beide signalen bepalen en vervolgens aan de hand van vooraf vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen de drempelwaarde instellen –komt ook tot uitdrukking in vergelijking (8.77) van Barkat voor de berekening van de drempelwaarde aan de hand van de energiewaarden en in Example 3.1.

4.43

In dat verband heeft Philips er ook terecht op gewezen dat voor het geval verschillende foutkansen van beide signalen wenselijk zijn, de diverse vergelijkingen in de aangehaalde handboeken nu juist ten doel hebben – en uitgaan van – de berekening van de optimale drempelwaarde Daarmee is in tegenspraak dat de gemiddelde vakman de drempelwaarde op nul zou fixeren en de energiewaarden zou variëren om de foutkansen te beïnvloeden. Die mogelijkheid wordt in geen van de handboeken geopenbaard (bijvoorbeeld door een op de berekening van die verschillende energiewaarden gerichte vergelijking) of zelfs maar gesuggereerd. In tegendeel, in de ten tijde van de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek behorende mobiele telecommunicatiesystemen werd gebruik gemaakt van modulatietechnieken gekenmerkt door het gebruik van gelijke vermogens met verschillende fase (met 180° verschil) van binaire signalen.

4.44

Een en ander geldt evenzeer voor vergelijking (8.80) uit Barkat (op pag. 363) waarop Asus verder een beroep heeft gedaan:

In de passage waarin die vergelijking is opgenomen, wordt er juist vanuit gegaan dat – ongeacht de waarden voor Ɛ1 en Ɛ0 – beide signalen even belangrijk zijn en wordt de drempelwaarde in het midden gepositioneerd, zoals blijkt uit de daaraan voorafgaande passage:

Daarin kan dus (juist) geen aanwijzing worden gevonden voor het standpunt van Asus dat de energieën kunnen worden gevarieerd om de foutkansen te beïnvloeden.

4.45

Asus heeft verder nog gewezen op navolgende passage op pag. 364 van Barkat:

Het standpunt van Asus dat uit de zinsnede ‘If, in addition, the signal energies are equal’ zou volgen dat toepassing van gelijke energieën een uitzonderingssituatie zou zijn en uitgangspunt van Barkat is dat de signalen met verschillende vermogens worden verzonden, heeft zij niet voldoende steekhoudend onderbouwd. Zij stelt immers ook zelf dat in de op de prioriteitsdatum gepubliceerde mobiele telecommunicatie standaarden BPSK-modulatie gebruikelijk was en de antipodale ACK- en NACK-signalen juist met gelijk vermogen werden verzonden. Aldus ligt veeleer in de rede dat de woorden ‘in addition’ door de gemiddelde vakman zullen worden begrepen als gevolg van het gebruik van antipodale signalen, en niet (a contrario redenerend) als tegenstelling.

4.46

Daarenboven volgt de aangehaalde passage op de vaststelling op pag. 363 dat de totale foutkans P(Ɛ)gelijk is aan PF en gelijk aan PM en afhankelijk is van parameter α:

Aangezien de foutkansen (zowel false ACK als false NACK) derhalve in alle gevallen op dezelfde wijze afhankelijk zijn van parameter α – en daarmee (volgens vergelijking (8.80) van de energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 – valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman daaruit zou (kunnen) begrijpen dat hij de afzonderlijke energiewaarden zou kunnen gebruiken voor vaststelling van ongelijke foutkansen voor de interpretatie van ACK- en NACK-signalen. Zoals reeds opgemerkt, geldt dat temeer omdat Barkat expliciet leert dat daartoe de drempelwaarde moet worden gebruikt.

4.47

Daarnaast heeft Philips er met recht op gewezen dat in de handboeken de parameter log Eta juist wordt gebruikt om bij gewenste ongelijke foutkansen de drempelwaarde in de ontvanger (het basisstation) te optimaliseren. In het geval de foutkansen gelijk zijn en de drempelwaarde neutraal is gepositioneerd heeft log Eta geen functie en komt dan ook niet in de op die situatie toegesneden vergelijking (8.79) voor (zie r.o. 4.34 hiervoor). In de benadering van Asus wordt log Eta daarentegen toch gebruikt als de drempelwaarde in het midden is gefixeerd, maar dan om de door te transmitter (het mobiele station) te hanteren zendvermogens aan te passen. Die functie van log Eta is uit de handboeken niet af te leiden.

4.48

Ten slotte wordt er in Barkat vanuit gegaan dat de energiewaarden van s1 en s0 bij de receiver bekend zijn, omdat aan de hand daarvan het ontvangen signaal wordt gedetecteerd (zie r.o. 4.30). In Barkat (pag. 344) wordt dat expliciet vermeld: “In Section 8.2, we discuss the general and simple binary detection of known signals (…)”. Daarmee is – zonder verdere maatregelen waarvan niet gesteld of gebleken zijn dat die in de handboeken worden geopenbaard – niet te verenigen dat de energiewaarden door de transmitter zouden kunnen worden gevarieerd.

4.49

Dat de gemiddelde vakman ertoe zou worden gebracht de drempelwaarde op nul te fixeren omdat dit op de prioriteitsdatum de meest gangbare instelling zou zijn geweest, zoals de partijdeskundige van Asus, dr Camp, stelt, moet worden verworpen. Dat moge juist zijn voor signaaltypen die even vaak voorkomen en even belangrijk zijn, maar gaat niet op voor ACK- en NACK-signalen. Ook volgens Asus werd op de prioriteitsdatum nu juist aangenomen dat een false ACK nadeliger was dan een false NACK (vgl. par. 215-218 MvA) en werden de maximaal toelaatbare foutkansen voor een NACK-signaal – een verkeerd geïnterpreteerde NACK leidt immers tot een false ACK – aanzienlijk lager gesteld dan voor een ACK-signaal, zodat de drempelwaarde juist richting ACK werd gepositioneerd.

4.50

De conclusie luidt dat de handboeken niet leren dat het zendvermogen van een type signaal – onafhankelijk van dat van een ander type signaal – kan worden aangepast, teneinde de foutkansen daarvan te beïnvloeden. In de handboeken wordt voor dat doel uitsluitend de positionering van de drempelwaarde gebruikt, te weten gepositioneerd in het midden van beide energiewaarden om gelijke foutkansen te krijgen en uit het midden opgeschoven (bijvoorbeeld) in de richting van het ACK signaal om de kansen op een false ACK te verkleinen. De in Barkat en Van Trees voorkomende en door Asus aangehaalde vergelijkingen zijn daarop – het vaststellen van de optimale drempelwaarde – toegesneden en zullen ook aldus door de gemiddelde vakman worden begrepen en toegepast. Bij gebreke van een openbaring van de toepassing van ongelijke energiewaarden van ACK- en NACK-signalen om daarmee de foutkansen te beïnvloeden is reeds daarom geen van de handboeken nieuwheidsschadelijk.

4.51

Daar komt bij dat in geen van de door Asus aangehaalde handboeken het deelkenmerk van conclusie 10 wordt geopenbaard dat een aanpassing van het zendvermogen afhankelijk is van een door het basisstation doorgeseinde indicatie van het niveau van het zendvermogen voor elk type signaal. Ook indien aangenomen zou moeten worden dat de gemiddelde vakman een uit de stand van de techniek bekend TPC-commando of ‘power control bit’ (toegepast in de UMTS- en CDMA2000-standaards), AckChannelGain (toegepast in de EV-DO standaard) en/of ‘power offset’ (toegepast in de TR 25.855 standaard) zou meelezen, wordt dit conclusie-element niet in de aangehaalde handboeken geopenbaard. Deze indicaties gelden immers voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk voor het zendvermogen van, alle signalen die over het desbetreffende kanaal worden verzonden. Deze indicaties beïnvloeden dus gelijkelijk het zendvermogen waarmee zowel ACK- als NACK-signalen worden verzonden. Aanpassing van het zendvermogen van een van beide signalen of toepassing van verschillende zendvermogens naar gelang het type signaal (waardoor de foutkansen kunnen worden beïnvloed) is daarbij niet mogelijk. Er is derhalve geen sprake van ‘indication of the power level at which each type of signal is transmitted’, in de zin van het octrooi. Ook daarom staan de handboeken niet aan de nieuwheid van het octrooi in de weg.

(i)(b) Shad en Shad Derryberry

Shad

4.52

Shad is een voorstel van Motorola aan een 3GPP2 werkgroep in het kader van de verdere ontwikkeling en standaardisatie van de CDMA2000 technologie. In de Abstract daarvan is het volgende vermeld:

In this contribution the transmit gains for an antipodal signaling scheme in which the transmit probabilities are known a priori is jointly optimized with the receiver hard decision device threshold value in order to obtain the required error probabilities for a minimum bit SNR. This type of signaling for example applies to the Hybrid ARQ acknowledgement channel in which the average frame error rate is known to the transmitter, and certain false acknowledgement and false negative acknowledgement probabilities are prescribed by the upper layers.

Het doel van het voorstel is onder het kopje ‘Introduction’ als volgt verwoord:

Minimalisering van interferentie (vergelijk Motorola II hiervoor) is derhalve het streven.

4.53

Zoals blijkt uit de tekst onder ‘Problem Statement’ heeft Shad in het bijzonder betrekking op het ‘Hybrid ARQ’-bevestingsingskanaal, waarover de ACK- en NACK-signalen worden verzonden:

Vervolgens wordt herhaald dat het voorstel beoogt interferentie te minimaliseren:

Ook het door Shad ontwikkelde algoritme is daarop gericht: “(…) we give an exhaustive search algorithm for minimizing γb for arbitrary values of Pfack_req, Pfnack_req and p.” Beoogd is dus interferentie te verminderen, door gebruik te maken van een zo laag mogelijk vermogen voor verzending van ACK- en NACK-signalen, maar wel met behoud van de maximaal toelaatbare foutkansen daarvoor (“subject to the constraint…”).

4.54

Ervan uitgaande (conform de in de stand van de techniek heersende gedachte) dat een false ACK ernstiger is dan een false NACK, worden de maximaal toelaatbare foutkansen (aangeduid als “required error rate”) in Shad vastgesteld op 10-6 voor false ACK (Pfack_req) en 10-3 voor false NACK (Pfnack_req). Voor beïnvloeding van de foutkansen wordt gebruik gemaakt van het uit de stand van de techniek bekende instrument van het verplaatsen van de drempelwaarde (in Shad aangeduid met ‘z’) in het basisstation. Vergelijk de laatste zin van de ‘Introduction’ (r.o. 4.52 hiervoor) en onderstaande passage uit Shad:

In de onderste helft van figuur 1 (Receiver) (zie r.o. 4.53 hiervoor) is weergegeven dat de drempelwaarde z in de richting van ACK is verschoven, waardoor in overeenstemming met de relatieve maximale foutkansen de kans op een false ACK kleiner is dan de kans op een false NACK.

4.55

Eveneens uitgaande van de algemene vakkennis dat een signaal dat met hoger vermogen wordt verstuurd een grotere kans maakt correct te worden ontvangen, maar dat dit ten koste gaat van toegenomen interferentie, wordt daarnaast gezocht naar een optimaal (dat wil zeggen zo laag mogelijk) vermogen voor verzending van ACK- en NACK-signalen. Aangezien toegenomen interferentie nadeliger is naarmate de frequentie van het signaal toeneemt, is het zendvermogen van een ACK- of NACK-signaal afhankelijk gesteld van de waarschijnlijkheid dat zo’n signaal wordt verzonden, voor een ACK-signaal uitgedrukt met p (‘probability’) en voor een NACK-signaal met 1-p. Daarmee is p een weergave van de kanaalcondities; naarmate de kanaalcondities beter zijn, zullen er meer ACKs worden verzonden en zal p groter zijn. Bij p = 0,1 worden 10% ACKs verzonden en 90% NACKs en is de kanaalkwaliteit derhalve slecht. Indachtig de doelstelling interferentie te minimaliseren, krijgt een signaal dat vaker wordt verzonden een lager vermogen, zoals ook is te zien in de onder r.o. 4.56 afgebeelde tabel.

4.56

In Shad worden twee parameters voorgesteld waarmee het mobiele station het zendvermogen van een ACK- of NACK-signaal (s1 of s2) kan aanpassen, te weten l voor een NACK-signaal en k voor een ACK-signaal (deze parameters l en k worden ook wel aangeduid als ‘gain factors’). Voor iedere waarde van p wordt in Shad (op basis van een algoritme) een optimale waarde voorgesteld voor z, l en k als volgt:

De gemiddelde vakman die hiervan kennis neemt zal in het licht van wat er verder in Shad is geopenbaard, inzien dat dit samenstel van maatregelen erop is gericht interferentie tot een minimum te beperken doordat voor alle kanaalcondities (waarvoor p een indicatie is) een ACK- of NACK-signaal met een zo laag mogelijk vermogen wordt verzonden door toepassing van de gain factors l en k, terwijl tegelijkertijd door positionering van de drempelwaarde z wordt verzekerd dat de maximaal toelaatbare foutkansen (Pfack_req = 10-6 en Pfnack_req = 10-3) niet worden overschreden. Zoals ook in Shad is vermeld: “It is also interesting that the decision threshold z tends to be biased in the direction of the ACK bit that is assigned a positive voltage when Pfack_req << Pfnack_req (= 10-3). This minimizes the chance of a false ACK at the expense of a higher probability of a false NACK” – zal hij inzien dat de drempelwaarde z, ongeacht de toegepaste gain factors k en l, steeds in de richting van ACK is gepositioneerd, teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan het vereiste Pfack_req (= 10-6) < Pfnack_req (= 10-3). Dit kan in een door – Asus niet bestreden – diagram dat Philips heeft opgesteld als volgt worden gevisualiseerd, waarin het ▲ symbool staat voor de drempelwaarde z:

4.57

Anders dan Asus stelt is in Shad niet de uitvinding volgens het octrooi geopenbaard. Vooropgesteld wordt dat, zoals hiervoor overwogen, EP 525 leert dat het zendvermogen per type signaal, onafhankelijk van het zendvermogen van een ander type signaal, kan worden geselecteerd en dat daarmee de foutkansen per type signaal afzonderlijk en naar gelang van de behoefte onder de gegeven omstandigheden kunnen worden beïnvloed. Dat betekent dat de enkele toepassing van een verschillend zendvermogen van ACK- en NACK-signalen als zodanig de uitvinding volgens EP 525 nog niet anticipeert.

4.58

Weliswaar is in Shad sprake van toepassing van verschillende vermogens voor de verzending van ACK- en NACK-signalen, maar van het selecteren van het zendvermogen van een type signaal, onafhankelijk van het zendvermogen van het andere type signaal is geen sprake. Dat blijkt duidelijk uit het hierna afgebeelde onderdeel van de in Shad geopenbaarde vergelijking (na ‘Equation 6’) op basis waarvan de waarden voor k en l in tabel 1 zijn vastgesteld:

Hieruit volgt immers dat de waarden k en l niet alleen afhankelijk zijn van de frequentie waarmee zij voorkomen (samenhangend met de kanaalcondities waarvoor p een indicatie vormt), maar ook afhankelijk zijn van elkaar. Aanpassing van k leidt tot aanpassing van l en omgekeerd. De vermogens van de ACK- en NACK-signalen staan dus in een vaste relatie / verhouding tot elkaar en zijn daarmee niet afzonderlijk, onafhankelijk van elkaar in te stellen.

4.59

Daarenboven begrijpt de gemiddelde vakman uit Shad dat de gain factors k en l niet (mede) worden toegepast om de relatieve foutkansen van de respectieve signalen te beïnvloeden, maar alleen om de interferentie tot een minimum te beperken. Dat volgt ook al uit de ‘Introduction’, waarin het doel van het door Shad gedane onderzoek is uiteengezet: “The objective of this contribution is to obtain the optimal power allocations to an antipodal signaling scheme such that the required performance is achieved with a minimum bit SNR. This is done by applying unequal gains to the transmit voltages of the two possible signals.” (onderstreping toegevoegd). Duidelijk is dat beïnvloeding van de foutkansen van die signalen in Shad nog steeds uitsluitend plaatsvindt door middel van positionering van de drempelwaarde. Ook dat volgt al uit de ‘Introduction’: “the threshold […] is biased so that the required error rate is achieved for each of the two types of errors.” (onderstreping toegevoegd). In figuur 1 uit Shad wordt de beïnvloeding van de maximale foutkansen (“Decreasing Pfnack” en “Decreasing Pfack”) ook alléén in relatie gebracht met de drempelwaarde z, niet met de hoogte van de vermogens van de ACK- en NACK-signalen.

4.60

Naar Philips gemotiveerd en onweersproken heeft gesteld wordt in Shad de drempelwaarde zo gepositioneerd dat deze steeds dezelfde afstand tussen beide signalen (biased in de richting van ACK) blijft houden, ongeacht de toegepaste zendvermogens, zoals ook blijkt uit het in r.o. 4.56 opgenomen diagram. In overeenstemming met dat alles (en met de algemene vakkennis blijkend uit Barkat en Van Trees) worden in het door Shad voorgestelde algoritme ook éérst de energiewaarden voor k en l vastgesteld bij een zo laag mogelijke SNR γb (in verband met de wens interferentie te minimaliseren) in afhankelijkheid van p en elkaar, pas daarná wordt de benodigde waarde voor z bepaald (om aan het vereiste voor de maximale foutkansen te voldoen).

4.61

Het standpunt van Asus dat uit Shad zou blijken dat niet alleen de drempelwaarde maar ook de vermogens van de ACK- en NACK-signalen er mede voor zorgen dat aan de maximale foutkansen wordt voldaan, wordt verworpen. Zij heeft ter onderbouwing van dat standpunt verwezen naar de volgende passage uit de ‘Abstract’: “In this contribution the transmit gains for an antipodal signaling scheme in which the transmit probabilities are known a priori is jointly optimized with the receiver hard decision device threshold value in order to obtain the required error probabilities for a minimum bit SNR.”, in het bijzonder de woorden “jointly optimized”. Die gevolgtrekking is in het licht van de publicatie in zijn geheel beschouwd evenwel niet gerechtvaardigd en zou door de gemiddelde vakman daaruit ook niet worden afgeleid. Zoals hier reeds overwogen staan k en l in een vaste relatie tot elkaar. Datzelfde geldt voor de drempelwaarde z. Deze staat in vaste relatie tot de gains k en l. Dat blijkt uit de gegeven formules voor Pfack en Pfnack in Shad (in samenhang met de vaste relatie tussen de waarden voor k en l):

Dat is ook tot uitdrukking gebracht door de zinsnede boven de tabel: “The values of z, k and l are for the optimal detector”. Daaruit volgt evenwel niet dat de gains k en l mede bijdragen aan het voldoen aan de vereiste maximale foutkansen. De gains k en l hebben wel invloed op de maximale foutkansen, maar die invloed wordt vervolgens (zie r.o. 4.60) geneutraliseerd doordat de drempelwaarde in vaste relatie tot die gains ‘meebeweegt’ om er voor te zorgen dat opnieuw aan die vereisten wordt voldaan.

4.62

Ook uit de door Asus zelf opgestelde figuren volgt niet dat de zendvermogens bijdragen aan het voldoen aan de vastgestelde maximale foutkansen. Deze figuren zijn er blijkens de toelichting van Asus (par. 380-400 MvA) op gebaseerd dat het vermogen van het NACK-signaal kan worden aangepast zonder aanpassing van het vermogen van het ACK-signaal en dat de waarde voor z onafhankelijk van de waarden k en l kan worden vastgesteld. Dat is in Shad echter niet mogelijk. De door Asus gepresenteerde figuren – wat daar verder van zij – en de daaruit voortvloeiende voordelen (par. 401 e.v. MvA) geven dus niet weer hetgeen Shad openbaart. De gemiddelde vakman zou daarom niet uitgaan van deze door Asus voorgestane, niet op de uitgangspunten van Shad gebaseerde, lezing van de Shad-publicatie. Dat geldt temeer nu dit ook nergens in de stand van de techniek is geopenbaard. Wat Asus beschrijft is wat het octrooi heeft toegevoegd aan de stand van de techniek.

4.63

Het standpunt van Asus dat uit Shad is af te leiden dat de kans op correcte interpretatie van die signalen wordt beïnvloed door de ACK- en NACK-signalen te verzenden op verschillend vermogensniveau is bovendien ook in tegenspraak met de in tabel 1 voorgestelde vermogenswaarde voor NACK-signalen bij slechte kanaalcondities (p = 0.1 t/m p = 0.6). Niettegenstaande het feit dat NACK-signalen dan juist vaak worden verzonden en de gevolgen van een incorrecte interpretatie daarvan (false ACK) groter zijn dan van een false NACK, is het zendvermogen van een NACK-signaal bij die kanaalcondities juist lager dan dat van een ACK-bericht. Dat kan alleen worden verklaard door de wens interferentie te beperken en is voorts alleen aanvaardbaar (gelet op de doelstelling dat wel de maximaal toelaatbare foutkansen dienen te worden gerealiseerd) als tegelijkertijd het mechanisme van positionering van de drempelwaarde (richting ACK) wordt ingezet om de kans op een false ACK te beperken.

4.64

De omstandigheid dat het NACK-signaal bij goede kanaalcondities (p = 0,8 en p = 0,9) wel op een hoger niveau wordt verzonden dan het ACK-signaal maakt dat niet anders. Naar de gemiddelde vakman weet heeft ieder telecommunicatiesysteem te maken met afwisselend goede en slechtere kanaalcondities. Hij zal inzien dat Shad nu juist beoogt voor alle voorkomende kanaalcondities tot minimalisering van interferentie te komen onder naleving van de systeemvereisten voor Pfack_req en Pfnack_req. Hij heeft daarom geen aanleiding alleen naar de vermogenswaarden bij goede kanaalcondities te kijken. De publicatie van Shad in zijn geheel en in onderlinge samenhang beschouwd leert de gemiddelde vakman daarom niet dat de meeste optimalisatie wordt bereikt door het vermogen van het NACK-signaal te verhogen, zoals Asus heeft gesteld. Hij begrijpt uit Shad niet meer of anders dan dat het vermogensniveau afhankelijk is van de frequentie c.q. de kanaalkwaliteit (‘depending on its frequency / channel quality’) en dat het vermogensniveau wordt gevarieerd met het doel de interferentie te beperken. Het voldoen aan de vereiste maximale foutkansen wordt tegelijkertijd en uitsluitend – onafhankelijk van de vermogensniveaus en de kanaalkwaliteit – gewaarborgd door biased positionering van de drempelwaarde z richting ACK.

4.65

Daarenboven, zelfs als de gemiddelde vakman meer oog zou hebben voor de gekozen waardes bij goede kanaalcondities (waarbij het vermogen van een NACK-signaal hoger is dan van een ACK-signaal), dan nog is daarmee de uitvinding nog niet geopenbaard; zoals hiervoor reeds overwogen zijn in Shad de vermogens van het ACK- en NACK-signaal immers aan elkaar gekoppeld en afhankelijk gesteld van de frequentie waarmee zij voorkomen. Onafhankelijke instelbaarheid van de vermogens afhankelijk van het type signaal is daarin niet geopenbaard.

4.66

Shad stelt voor om het algoritme op basis waarvan de optimale waarden voor z, l en k kunnen worden berekend, te implementeren in het mobiele station. Asus heeft aangevoerd dat het deelkenmerk van conclusie 10, dat het basisstation een indicatie van het vermogensniveau van elk van de signaaltypen overseint aan het mobiele station, niettemin wordt geopenbaard, omdat het voor de gemiddelde vakman duidelijk zou zijn dat het mogelijk en voor de hand liggend zou zijn dat de waarden voor k en l door het basisstation worden overgeseind. Philips heeft dat gemotiveerd bestreden. Het hof kan dit in het midden laten. Het hof is reeds op grond van al het voorgaande van oordeel dat Shad niet nieuwheidsschadelijk is voor conclusie 10 (en daarmee evenmin voor conclusies 11 en 14) van EP 525.

4.67

De slotsom is dat Shad naar het oordeel van het hof niet nieuwheidsschadelijk is voor conclusie 10 (en daarmee evenmin voor conclusies 11 en 14) van EP 525.

Shad Derryberry

4.68

Shad Derryberry betreft een presentatie van de heren Shad en Derryberry kort voor de publicatie van Shad. Asus heeft zich beroepen op slide 39 uit die publicatie:

Naar het oordeel van het hof is in Shad Derryberry net zo min als in Shad sprake van het selecteren van het vermogensniveau van de bevestigingssignalen afhankelijk van het type signaal. Net als in Shad is het vermogensniveau van de signalen afhankelijk van de frequentie waarmee deze voorkomen en dus de kanaalkwaliteit. Dat volgt uit de gehanteerde formules voor de gains k en l voor bepaling van het energieniveau van de ACK- en NAK-signalen. Deze zijn afhankelijk van de factor p (probability), waarbij uit de bovenaan de grafiek weergegeven formules volgt dat p staat voor de waarschijnlijkheid dat een ACK wordt verzonden en 1-p voor de waarschijnlijkheid dat een NAK wordt verzonden. De grafiek heeft betrekking op de situatie waarin p = 0.8 (80% ACK-signalen). Uit de formules voor de optimale waarden voor k en l links van de grafiek volgt dat het meest frequent verzonden signaal wordt verzonden op een lager vermogensniveau en andersom. Tevens volgt daaruit dat de vermogens voor k en l in vaste relatie staan tot elkaar; omdat beide (invers) afhankelijk zijn van de kanaalkwaliteit zal verhoging van het vermogen van het ene signaal betekenen dat het andere signaal met een lager vermogen zal worden verzonden. Van een onafhankelijke aanpassing van de zendvermogens van de ACK- en NACK-signalen is daarmee ook in Shad Derryberry geen sprake. Asus heeft dat (in par. 353 MvA) ten onrechte afgeleid uit de titel “Unequal Gain Signalling for H-ARQ ACKs”. Toepassing van ongelijke vermogens betekent immers nog niet dat deze ook onafhankelijk van elkaar instelbaar zijn. Uit de formules blijkt het tegendeel, zoals Asus bij pleidooi ook heeft onderkend (zie par. 67 PA Asus: “Verder wordt getoond dat de zendvermogens ten opzichte van elkaar worden bepaald aan de hand van hoe vaak de ACKs en NACKs worden verzonden” - onderstreping toegevoegd).

4.69

De gemiddelde vakman zal uit de slide verder begrijpen dat wordt uitgegaan van een gelijk belang van beide signaaltypen en dus dezelfde maximale foutkansen. Dat volgt uit de vermelding bovenaan de grafiek “Error Type = both” en het feit dat in de grafiek de interferentie (SNR per bit γb (dB)) wordt afgezet tegen Pe, probability of error. Daarnaast volgt dit uit het gebruik van de MAP Detector in het basisstation. Naar Philips onweersproken heeft aangevoerd wordt daarmee beoogd het totaal aantal fouten te verminderen, ongeacht het (belang van goede ontvangst van het) signaaltype. Ook uit het gebruik van “BEP” (‘Bit Error Probability’) is daarvan een uiting. Ook daarmee wordt immers geen onderscheid gemaakt naar type fout. De gemiddelde vakman zal daarom uit Shad Derryberry niet afleiden dat de verschillende vermogens van ACK- en NACK-signalen worden toegepast om de foutkansen van de desbetreffende signalen te beïnvloeden. Gegeven de afhankelijkheid van de kanaalkwaliteit zal hij inzien dat wordt gezocht naar een optimaal zendvermogen in die zin dat – afgezet tegen de kans op een totaal aantal fouten –zo min mogelijk interferentie optreedt.

4.70

Philips heeft er op gewezen dat bij het gebruik van een MAP Detector wel een drempelwaarde wordt ingesteld ter beïnvloeding van de foutkansen, maar dan om deze gelijk te houden. Bij goede kanaalcondities en dus hogere frequentie van ACK-signalen is er een hogere kans op een fout in de juiste detectie van een ACK-signaal. Daarom zal de drempelwaarde dan richting NACK worden verschoven om ervoor te zorgen dat meer signalen als een ACK worden gedetecteerd en de foutkansen dus gelijk blijven. De drempelwaarde wordt dus ingesteld op basis van de frequentie van een signaal. Deze instelling van relatieve foutkansen heeft met het zendvermogen van beide signalen – laat staan met de instelling ervan afhankelijk van het type signaal – niets van doen.

4.71

De gemiddelde vakman zal ook niet uit het feit dat in de getoonde grafiek het vermogen van NACK hoger is dan voor ACK afleiden dat het ingestelde vermogen afhankelijk is van het type signaal voorgeschreven door conclusie 10 (“depending on its type”), zoals door Asus gesteld. Het is immers duidelijk voor de gemiddelde vakman dat de grafiek betrekking heeft p = 0.8 en dat dit slechts een voorbeeld is, aangezien kanaalcondities in een telecommunicatiesysteem voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Hij zal inzien dat, gelet op de in Shad Derryberry gegeven formules waaruit volgt dat het meest voorkomende signaal met het laagste vermogen wordt verzonden, afhankelijk van de kanaalcondities er nu eens meer ACK-signalen en dan weer eens meer NACK-signalen worden verzonden, zodat het nu eens optimaal is als het ene type signaal met hoger vermogen wordt verzonden en dan weer optimaal is als het andere type met hoger vermogen zal worden verzonden, ongeacht het (belang van de goede detectie van het) type signaal. Er is, anders dan Asus betoogt, derhalve geen aanleiding voor de gemiddelde vakman om uit Shad Derryberry af te leiden dat de optimale situatie dus (altijd) wordt bereikt als k kleiner is dan l en dientengevolge als een ACK-signaal met een lager vermogen wordt verzonden dan een NACK-signaal. Om diezelfde reden volgt uit Shad Derryberry niet dat de ingestelde vermogens afhankelijk zijn van het type signaal, maar alleen dat dit afhankelijk is van de frequentie waarmee deze voorkomen, ongeachte het type signaal.

4.72

Daarnaast openbaart Shad Derryberry niet dat een indicatie voor het vermogen per type signaal wordt overgeseind door het basisstation. Deze maatregel zal ook niet door de gemiddelde vakman worden ingelezen op grond van zijn algemene vakkennis, reeds omdat de uit de stand van de techniek bekende indicaties gelijkelijk van toepassing zijn op ACK- en NACK-signalen, zonder onderscheid te (kunnen) maken naar gelang het type signaal (zie r.o. 4.51). Verder verwijst het hof ter zake naar hetgeen hierna in r.o. 4.110 wordt overwogen.

4.73

De maatregelen van conclusie 10 zijn dus ook niet in de Shad Derryberry publicatie direct en ondubbelzinnig geopenbaard.

(i)(c) Motorola I

4.74

Motorola I betreft een voorstel aan een 3GPP werkgroep in het kader van de ontwikkeling van (het HSDPA-Protocol van) de UMTS-standaard. Op de prioriteitsdatum was de daarvan deel uitmakende TS 25.214 standaard gepubliceerd. In Motorola I wordt een gemodificeerd ‘Uplink Dedicated Physical Control Channel’ (Uplink DPCCH) beschreven:

The modified DPCCH is used to carry known pilots bits to support channel estimation for coherent detection, acknowledgement bits for hybrid ARQ operation, measurement bits for C/I reporting, TFCI bits for uplink, feedback information bits (FBI) and transmit power-control (TPC) bits.”

Onder het kopje ‘Summary’ is vermeld wat het doel van de bijdrage is: “It is desirable to use BPSK coherent detection for transmitting the ACK bit on the uplink so that a 10-5 false alarm rate with approximately 0.99 probability of detection can be maintained.

Het voorstel bevat voorts de navolgende passage:

The ACK/NACK bits are sent using BPSK modulation i.e. if the HS-DSCH packet is decoded correctly an ACK bit (+1) is transmitted and if it is decoded in error a NACK bit (-1) is transmitted. With the proposed slot format the ACK bits are repetition coded 20 or 30 times. A separate gain control may be used for the ACK bits so that those bits can be decoded with high probability (0.97-0.98) and with a low probability of false alarm (1e-05) at Node-B. The ROC for optimal coherent BPSK demodulation given 1 path and a single receive antenna in AWGN is shown in Figure 2.”

4.75

Figuur 2 (Receiver operation characteristic for optimal coherent BPSK demodulation given 1 path and a single receive antenna in AWGN) ziet er als volgt uit:

Met een ROC-curve de relatie weergegeven tussen de positie van de drempelwaarde in het basisstation en de resulterende foutkansen voor ACK- en NACK-signalen. Ieder punt op de curve komt overeen met een bepaalde drempelwaarde en de daaruit resulterende foutkansen voor beide signaaltypen. Het verloop van de curve is daarbij mede afhankelijk van de energiewaarde waarmee de signalen worden verzonden (vgl. r.o. 4.37 hiervoor). Blijkens figuur 2 worden (al) de signalen verzonden met een vast vermogen van Ec/No = -25dB (waarbij ‘Ec/No’ een weergave vormt van de ‘signal to noise ratio’ (SNR)).

4.76

In de curve van figuur 2 wordt op de verticale as de waarde gegeven voor PFa (‘Probability of False Alarm’), derhalve de kans dat een NACK-signaal ten onrechte wordt geïnterpreteerd als een ACK-signaal (false ACK). Op de horizontale as wordt de waarde gegeven voor PDet (‘Probability of Detection’), derhalve de kans op juiste interpretatie van een ACK signaal. De kans op false NACK (een ACK signaal dat ten onrechte is geïnterpreteerd als NACK) staat gelijk aan 1 – PDet. In neerwaartse richting langs de curve neemt de kans op een false ACK af, maar de kans op een false NACK toe.

4.77

Anders dan Asus heeft betoogd worden in Motorola I niet de kenmerken van conclusie 10 (en conclusies 11 en 14) geopenbaard. In het bijzonder wordt daarin niet geopenbaard dat ACK- en NACK-signalen met verschillende vermogens worden verzonden, omdat een afzonderlijke gain control wordt gebruikt voor de overdracht van ACK-signalen. Asus leidt dat ten onrechte af uit de daarin opgenomen zinsnede “It is desirable to use BPSK coherent detection for transmitting the ACK bit on the uplink so that a 10-5 false alarm rate with approximately 0.99 probability of detection can be maintained” en de zinsnede “A separate gain control may be used for the ACK bits”. (onderstreping hof)

4.78

In de eerste plaats volgt reeds uit het feit dat voor de verzending van ACK- en NACK-signalen gebruik wordt gemaakt van BPSK-modulatie, dat de signalen met een verschillende fase, maar met gelijk vermogen (en dus gelijke amplitude) worden verzonden (r.o. 4.20).

4.79

Daarnaast begrijpt de gemiddelde vakman die Motorola I leest dat in de passages waarnaar Asus verwijst, met ‘ACK bit’ wordt gedoeld op zowel ACK- als NACK-signalen. In de passage geciteerd in r.o. 4.74 hiervoor wordt algemeen gesproken over ‘acknowledgement bits for hybrid ARQ operation’. Naar ook Asus zelf stelt worden hiermee zowel ACK- als NACK-signalen bedoeld.

4.80

In de passage “It is desirable to use BPSK coherent detection for transmitting the ACK bit on the uplink so that a 10-5 false alarm rate with approximately 0.99 probability of detection can be maintained” wordt zowel verwezen naar de kans op ‘false alarm’, als naar de ‘probability of detection’. Daaruit volgt dat met ‘the ACK bit’ in die passage zowel een ACK-signaal als een NACK-signaal is bedoeld. Datzelfde geldt voor de andere passage waarop Asus zich beroept: “A separate gain control may be used for the ACK bits so that those bits can be decoded with high probability (0.97-0.98) and with a low probability of a false alarm (1e-05) at Node-B.” waarin zowel wordt verwezen naar juiste interpretatie van een ACK signaal (“can be decoded with high probability”) als naar ‘false alarm’ bij onjuiste interpretatie van een NACK-signaal.

4.81

Tevens volgt dit uit de in figuur 1 opgenomen weergave van de bits die over het DPCCH kanaal zullen worden verzonden:

Uit die weergave is duidelijk dat met ‘Ack’ wordt bedoeld ‘acknowledgement bits’ en dat met N het aantal bits wordt weergegeven (ook gelezen in verband met tabel 1 waarin van alle type bits het aantal wordt vermeld). Het is (ook volgens Asus) voor de gemiddelde vakman duidelijk dat een ‘acknowledgement bit’ zowel een ACK- als een NACK-signaal kan zijn (zie ook r.o. 4.79 hiervoor). De in het voorstel bedoelde ‘separate gain control’ ziet dus op bevestigingsignalen in zijn algemeenheid, ongeacht of dat een ACK- of een NACK-signaal is.

4.82

Uit de publicatie is voorts duidelijk dat de vastgestelde maximale foutkans voor false ACK is gesteld op 10-5 en voor false NACK op 10-2 (1 – 0.99), in overeenstemming met de op de prioriteitsdatum heersende gedachte dat een false ACK nadeliger is dan een false NACK. Uit de ROC kan worden afgeleid dat bij het geselecteerde (voor beide signalen zelfde) zendvermogen verschillende (gegeven de verschillende maximale foutkansen: biased) drempelwaarden kunnen worden gekozen waarmee aan die vereisten kan worden voldaan. De toepassing van verschillende vermogens voor ACK- en NACK-signalen wordt in Motorola I niet geopenbaard en helemaal niet met het doel om daarmee de foutkansen te beïnvloeden, hetgeen immers plaatsvindt door biased instelling van de drempelwaarde.

4.83

Ten slotte wordt in Motorola I niet het deelkenmerk geopenbaard dat een indicatie wordt overgeseind door het basisstation aan het mobiele station die een aanduiding vormt van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt verzonden. Volgens Asus kunnen de TPC commando’s die door de gemiddelde vakman op grond van zijn (aan TS 25.214 ontleende) algemene vakkennis in Motorola I zouden worden meelezen als zodanig worden aangemerkt. Dat die dit deelkenmerk naar het oordeel van het hof niet openbaren is hiervoor reeds overwogen in r.o. 4.51. Daarnaar wordt hier verwezen.

4.84

De slotsom is dat conclusie 10 en daarmee conclusies 11 en 14, niet door Motorola I worden geanticipeerd.

(i)(d) WO 477

4.85

Naar het oordeel van het hof kan ook de op WO 477 gebaseerde niet- nieuwheidsaanval niet slagen omdat er in die publicatie geen sprake is van het overseinen van een indicatie door het basisstation voor elk signaaltype afzonderlijk. Asus heeft gewezen op navolgende passage uit WO 477: “In an exemplary embodiment, the RPC signal is transmitted […] and is used to regulate the power of the reverse link signals transmitted by each subscriber station”. Naar Asus ook zelf heeft gesteld (par. 390 CvA), betekent dit dat alle door het mobiele station verzonden signalen, dus zowel de ACK- als NACK-signalen, met hetzelfde vermogen worden verzonden, zonder enig onderscheid naar type signaal te (kunnen) maken.

4.86

Volgens Asus is WO 477 niettemin nieuwheidsschadelijk omdat conclusie 10 niet vereist dat de door het basisstation overgeseinde indicatie een vermogensniveau per type signaal aanduidt. Zoals hiervoor in r.o. 4.12 reeds is overwogen moet dat standpunt worden verworpen.

4.87

Dat in par. 29 van de beschrijving van EP 525 een uitvoeringsvorm is beschreven waarbij de indicatie daaruit bestaat dat een vooraf vastgestelde power offset al dan niet moet worden vastgesteld, waarop Asus heeft gewezen, doet daar niet aan af. Ook daarmee kunnen immers de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen ten opzichte van elkaar worden gevarieerd. Met een RPC-signaal volgens WO 477, dat te allen tijde en in gelijke mate het vermogensniveau van alle over de uplink kanalen verzonden signalen bepaalt, kan dat niet worden bereikt. Een signaaltype-afhankelijke indicatie zal door de gemiddelde vakman ook niet in WO 477 worden meegelezen op grond van de hem bekende telecommunicatiesystemen, zoals Asus nog heeft gesteld, nu deze maatregel daarin evenmin is geopenbaard (zie r.o. 4.51 en r.o. 4.110).

4.88

Voor zover Asus beoogt heeft te stellen dat in de ACK-based en NACK-based uitvoeringsvormen die in WO 477 worden geopenbaard sprake is van een signaaltype-afhankelijke indicatie, omdat het niet-verzonden signaal geacht moet worden te zijn verzonden met vermogensniveau nul, wordt dat verworpen. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen daaromtrent hierna in verband met de op WO 844 gebaseerde nieuwheidsaanval wordt overwogen (r.o. 4.89 e.v).

(i)(e) WO 844

4.89

WO 844 heeft betrekking op een “Method and apparatus for high rate packet data transmission” in een CDMA-systeem. WO 844 voorziet in een feedbackprocedure waarbij het mobiele station een NACK-signaal aan het basisstation verzendt als een of meer data units onjuist worden ontvangen. Als een data unit correct wordt ontvangen zendt het mobiele station geen ACK-signaal.

4.90

Het standpunt van Asus dat deze publicatie de deelkenmerken “en bevestigingsmiddelen worden voorzien voor het overdragen van een signaal naar het primaire station (204, 206) om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes” uit conclusie 10 openbaart, omdat het niet verzenden van een NACK-signaal moet worden aangemerkt als de verzending van een ACK-signaal met vermogensniveau nul, wordt verworpen. Uit conclusie 10 volgt dat sprake dient te zijn van twee verschillende signaaltypen die door het mobiele station aan het basisstation kunnen worden verzonden en waarvan de vermogensniveaus onafhankelijk van elkaar instelbaar zijn (zie r.o. 4.2 e.v. hiervoor). In WO 844 zijn er niet twee signaaltypes beschikbaar voor verzending. WO 844 openbaart alleen een NACK-signaal.

4.91

Verder wordt er, ook indien een ACK-signaal wordt verondersteld indien er geen NACK-signaal is verzonden, nog steeds geen ACK-signaal verzonden. Het is ook niet mogelijk het zendvermogen van het ACK-signaal in te stellen, want voor zover al als verzonden beschouwd, is het zendvermogen van een ACK-signaal altijd nul. Het feit dat volgens het octrooi het variabele vermogensniveau van een signaal op nul gesteld kan worden doet aan het voorgaande niet af. Dat is immers iets wezenlijk anders dan een signaal waarvan het vermogensniveau alleen nul kan zijn. Uit het feit dat het niet mogelijk is het vermogensniveau van het ACK-signaal te variëren (omdat dit geen ander (verondersteld) vermogen kan hebben dan nul) volgt verder dat het, ook in de benadering van Asus, bij WO 844 dus niet zo is dat de vermogensniveaus van ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar instelbaar zijn.

4.92

Voorts wordt er in WO 844 geen indicatie van het vermogensniveau van elk van de signalen overgeseind door het basisstation, zoals voorgeschreven door het laatste deelkenmerk van conclusie 10. In WO 844 wordt het vermogensniveau van het NACK-signaal bepaald door de Reverse Link Power Control commando’s. Voor het (veronderstelde) ACK-signaal wordt geen indicatie verzonden en is het vermogensniveau dus ook niet afhankelijk van die indicatie. Dat wordt door Asus ook niet gesteld. De stelling van Asus (par. 365 CvA) ten slotte dat WO 844 desalniettemin nieuwheidsschadelijk is omdat Philips het laatste deelkenmerk zelf ook beperkter zou uitleggen, moet worden verworpen. Het hof is met Philips (par. 112 CvArec) van oordeel dat dit berust op een onjuiste lezing van de dagvaarding.

4.93

Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande WO 844 niet nieuwheidsschadelijk is voor conclusie 10 van het octrooi. Daarmee zijn conclusies 11 en 14 evenmin in WO 844 geopenbaard.

(i)(f) de Nokia bijdrage

4.94

De Nokia bijdrage openbaart de verzending van twee typen signalen, te weten ACK- en OoW-signalen. OoW staat voor ‘Out of Window’ en houdt verband met de timing van de ontvangst van een datapakket. Een ACK-signaal wordt verstuurd als het mobiele station een datapakket binnen het tijdventer en juist heeft ontvangen en een OoW-signaal als het buiten het tijdvenster is ontvangen. Voor verzending van deze signalen wordt gebruikt gemaakt van BPSK-modulatie; beide signalen worden met gelijk vermogen maar tegenovergestelde fase verstuurd. Dit zijn derhalve geen signalen met verschillend vermogensniveau en nog minder signalen waarvan de vermogens onafhankelijk van elkaar instelbaar zijn.

4.95

Volgens Asus wordt het deelkenmerk “en bevestigingsmiddelen worden voorzien voor het overdragen van een signaal naar het primaire station (204, 206) om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes” in elk geval geopenbaard doordat de Nokia-bijdrage zowel ACK- als NACK-signalen zou openbaren. Asus erkent dat een NACK-signaal niet wordt verzonden, maar stelt dit kan worden gelijkgesteld aan de verzending van een NACK-signaal met vermogensniveau nul, waardoor tevens sprake zou zijn van signalen met verschillend vermogensniveau afhankelijk van het type. Om dezelfde redenen als hiervoor met betrekking tot WO 844 overwogen (r.o. 4.89 e.v.) moet dat standpunt worden verworpen.

4.96

Voor het laatste deelkenmerk van conclusie 10 verwijst Asus naar TR 25.855, waarnaar in de Nokia-bijdrage wordt verwezen. Om dezelfde redenen als hiervoor in r.o. 4.51 uiteengezet moet ook dat standpunt worden verworpen. Met de daarin geopenbaarde power offset wordt niet een aanduiding van het vermogensniveau voor elk type signaal geopenbaard.

4.97

De slotsom is dat ook de Nokia-bijdrage niet nieuwheidsschadelijk is voor het octrooi.

(ii) inventiviteit

4.98

Asus heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de inventiviteit met de in r.o. 4.7 genoemde effecten geen rekening mag worden gehouden, omdat deze geen onderdeel uitmaken van de conclusies. Dat standpunt wordt verworpen. Daarmee miskent Asus dat deze effecten worden bereikt met de wel in de conclusies opgenomen maatregelen, met name die van de laatste deelkenmerken van conclusie 10 in onderlinge samenhang, zoals vermeld in r.o. 4.2 en r.o. 4.12 hiervoor. Dat die effecten niet in de conclusies staan betekent niet dat deze buiten beschouwing zouden moeten blijven. De effecten zouden alleen buiten beschouwing moeten blijven indien deze niet plausibel zouden zijn. Dat daarvan sprake is heeft Asus niet voldoende steekhoudend betoogd en moet overigens worden verworpen gelet op hetgeen in de beschrijving is opgenomen, met name de in par. 23 tot en met 29 en 38 daarvan beschreven uitvoeringsvoorbeelden van de uitvinding volgens conclusie 10.

(ii)(a) algemene vakkennis

4.99

Hiervoor is overwogen dat de door Asus aangehaalde handboeken uitsluitend uitgaan van het mechanisme van het verschuiven van de drempelwaarde om de relatieve (ongelijke) foutkansen van verschillende signalen te beïnvloeden. Een suggestie dat dit ook op andere wijze zou kunnen (of moeten) worden bereikt, ontbreekt. In het bijzonder ontbreekt (een aanwijzing voor) het inzicht dat voor het vaststellen van de foutkansen van de verschillende signaaltypen de energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 zouden kunnen worden gebruikt door deze onafhankelijk van elkaar in te stellen. Daartoe zou nodig zijn dat wordt afgestapt van de op de prioriteitsdatum voor mobiele telecommunicatiesystemen gebruikelijke BPSK-modulatie gekenmerkt door het gebruik van gelijke vermogens. Asus heeft niet gewezen op enige passage uit de door haar aangehaalde handboeken waarin een suggestie daarvoor te vinden zou zijn. In het licht daarvan kan niet worden ingezien – en Asus heeft ook niet toegelicht – dat de gemiddelde vakman er, met name ook bij gebreke van enige pointer in die richting, toe zou komen efficiëntie van het transmissiesysteem voor het zenden van datapakketten te verbeteren door afzonderlijk instelbare energiewaarden toe te passen voor ACK- en NACK-signalen.

4.100 Het feit dat tot de algemene vakkennis hoorde dat als een signaal met hoger vermogen wordt verzonden er een betere kans is op goede ontvangst (ten koste van toegenomen interferentie), maakt dat niet anders. Omdat niet kan worden aangenomen dat de gemiddelde vakman zou afstappen van BPSK, zou toepassing van die maatregel er toe leiden dat het vermogen van beide signalen zou worden verhoogd.

4.101 Daarnaast geldt dat de uit de stand van de techniek bekende indicaties voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk waarmee de ACK- en NACK-signalen worden verzonden, het zendvermogen van deze beide signalen gelijkelijk beïnvloeden (naar ook door Asus erkend, vgl. voor de EV-DO standaard par. 295 MvA). Asus heeft onvoldoende steekhoudend onderbouwd hoe de gemiddelde vakman zonder inventieve arbeid tot signaaltype-onafhankelijke vermogensbesturing zou komen. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hierna in r.o. 4.110 wordt overwogen.

4.102 De slotsom is dat de gemiddelde vakman niet reeds op grond van zijn algemene vakkennis zonder inventieve denkarbeid tot de uitvinding volgens EP 525 zou komen.

(ii)(b) uitgaand van de EV-DO Standaard in combinatie met algemene vakkennis en/of Shad of Shad Derryberry

4.103 Volgens Asus kan de EV-DO standaard worden aangemerkt als de meest nabije stand van de techniek, of in elk geval als een reëel uitgangspunt voor de beoordeling van inventiviteit. Philips heeft dat bestreden. Het hof kan dit in het midden laten. Ook uitgaande van de juistheid van het standpunt van Asus is het hof van oordeel dat de daarop gebaseerde inventiviteitsaanvallen van Asus niet slagen.

4.104 De EV-DO standaard openbaart een mobiel telecommunicatiesysteem waarin gebruikt wordt gemaakt van een ARQ-systeem. Het mobiele station controleert de juistheid en volledigheid van de van het basisstation ontvangen datapakketten en laat met ACK- en NAK-signalen weten of het pakket goed respectievelijk niet goed is ontvangen. Deze signalen worden verstuurd over een ACK-kanaal. Blijkens de standaard (par. 9.2.1.3.3.4) is dit kanaal BPSK-gemoduleerd. ACK- en NAK-berichten worden derhalve verstuurd met een verschillende fase, maar met hetzelfde vermogen. Het zendvermogen van alle over het ACK-kanaal verzonden signalen – dus voor ACK- en NAK-signalen gelijkelijk – wordt bepaald door een van het basisstation ontvangen AckChannelGain.

4.105 Door de EV-DO standaard wordt derhalve niet geopenbaard (1) dat het vermogensniveau van een verzonden signaal afhankelijk is van het type signaal (ACK of NACK) en (2) dat dit per type signaal (apart) wordt bepaald aan de hand van een door het basisstation overgeseinde aanduiding van het vermogensniveau.

4.106 Asus, en in navolging daarvan de rechtbank, gaat uit van een te beperkte verschilmaatregel, namelijk alleen de tweede maatregel. Ook de eerste maatregel is echter een verschilmaatregel. Naar Asus erkent (par. 320 MvA) kan het mobiele station volgens conclusie 10 ACK- en NACK-signalen met verschillende vermogensniveaus verzenden, terwijl dat in de EV-DO standaard niet mogelijk is (vgl. par. 295 MvA: het mobiele station [kan] voor de ACK- en NACK-signalen in de EV-DO standaard niet afzonderlijk een vermogensniveau selecteren). In de EV-DO standaard geldt de ACKChannelGain immers voor het ACK kanaal in zijn geheel en kan het vermogen van de daarover verzonden signalen niet afhankelijk van het type signaal worden aangestuurd. Dientengevolge gaat Asus – en de rechtbank – uit van een te beperkt technisch effect, namelijk dat de kans op een goede ontvangst voor het ene type signaal ten opzichte van het andere type signaal bij het basisstation kan worden beïnvloed / verbeterd, en daarmee ook van een onjuiste objectieve probleemstelling (namelijk: hoe dat effect te bereiken).

4.107 Beide verschilmaatregelen in onderlinge samenhang hebben het technisch effect dat de zendvermogens van de verschillende signalen afzonderlijk, onafhankelijk van elkaar, afhankelijk van de omstandigheden naar behoefte kunnen worden aangepast om de foutkansen van die verschillende typen signalen te beïnvloeden en wordt daarmee verbeterde systeemefficiëntie bereikt, omdat onder alle omstandigheden een zo laag mogelijk zendvermogen kan worden toegepast (zie r.o. 4.7). Het hof is met Philips van oordeel dat daarvan uitgaande het objectieve probleem kan worden geformuleerd als: “hoe kan de efficiëntie van een transmissiesysteem voor het verzenden van gegevenspakketten worden verbeterd”. Dat deze probleemstelling onjuist en te ruim zou zijn, zoals Asus aanvoert, wordt verworpen. Volgens Asus is deze probleemstelling onjuist omdat het octrooi gaat over het ontvangen van datapakketten en vervolgens verzenden van bevestigingssignalen en niet over het verzenden van datapaketten. Het hof deelt dat standpunt niet. Een ARQ-systeem, waarvan het verzenden van bevestigingssignalen deel uitmaakt, stelt zich ten doel ervoor te zorgen dat de communicatie van basisstation naar mobiel station zo efficiënt mogelijk verloopt. Het specifiek in de probleemstelling opnemen van bevestigingssignalen, zoals Asus voorstelt, zou een ontoelaatbare pointer naar de uitvinding opleveren.

4.108 Omdat Asus uitgaat van een onjuist objectief technisch probleem (hoe de relatieve foutkansen van ACK- en NACK-signalen te beïnvloeden) moet ook haar standpunt dat het octrooi het probleem niet altijd oplost worden verworpen. Uitgaand van de hiervoor (in r.o. 4.2 e.v.) gegeven uitleg van EP 525 en de juiste probleemstelling, is van efficiëntieverbetering immers ook sprake in de door Asus aangehaalde uitvoeringsvoorbeelden waarin het zendvermogen van de signalen wordt bepaald aan de hand van de frequentie waarmee zij voorkomen of waarin er juist geen verschillend vermogen wordt toegepast. Juist door aanpassing van het zendvermogen van een van de (of beide) signalen aan de hand van de omstandigheden van het geval (en dus niet altijd aan de hand van vooraf gefixeerde maximale foutkansen) is het mogelijk voor elk signaal steeds een zo laag mogelijk zendvermogen toe te passen.

4.109 In de ED-VO standaard is geen aanwijzing te vinden op grond waarvan de gemiddelde vakman ertoe zou komen ter oplossing van het probleem waarvoor hij zich gesteld ziet de vermogensniveaus van ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar naar gelang de omstandigheden te variëren. Net als bij de andere bekende standaarden werd in de EV-DO standaard BPSK-modulatie toegepast, waarbij binaire antipodale signalen, zoals ACK- en NACK-signalen, alleen werden verzonden met gelijk vermogen en werd het vermogen van de over hetzelfde kanaal verzonden ACK- en NACK-signalen gelijkelijk aangestuurd. Asus heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld welke aanleiding of aanwijzing de gemiddelde vakman, die uitging van de EV-DO standaard als vertrekpunt bij zijn zoektocht naar een oplossing van zijn probleem zou hebben om van dat alles af te stappen, en de ACK- en NACK-signalen met afzonderlijk instelbare vermogens te gaan verzenden. De omstandigheid dat dit (technisch) mogelijk zou zijn, zoals Asus stelt, is daarbij niet relevant. De vraag is of de gemiddelde vakman dat zou doen. Daarvoor is geen aanwijzing. Integendeel, ook volgens Asus werd er ten tijde van de prioriteitsdatum algemeen vanuit gegaan dat de gevolgen van een false ACK ernstiger zijn dan van een false NACK. Daarom werd in de stand van de techniek gewerkt met vooraf vastgestelde, gefixeerde (ongelijke) maximale foutkansen, ongeacht de omstandigheden, die uitsluitend met het mechanisme van positionering van de drempelwaarde werden gerealiseerd. Het aan de uitvinding ten grondslag liggende inzicht dat de gevolgen van het onjuist interpreteren van een ACK- of NACK-signaal niet altijd even ernstig zijn maar afhankelijk kan zijn van de omstandigheden, ontbrak. Het aanpassen van het vermogen van een ACK- en/of NACK-signaal, onafhankelijk van elkaar, om daarmee naar gelang de omstandigheden de relatieve foutkans van het desbetreffende signaal te beïnvloeden en daarmee systeemefficiëntie te realiseren, moet daarom als een niet voor de hand liggende maatregel worden beschouwd.

4.110 Daarnaast heeft Asus, in het licht van de betwisting door Philips dat de gemiddelde vakman daartoe zonder inventieve arbeid in staat zou zijn, onvoldoende onderbouwd hoe de gemiddelde vakman een en ander – ook indachtig dat in telecommunicatiesystemen de middelen (zoals kanaalcodes) schaars zijn en altijd systeemefficiëntie wordt nagestreefd – zonder inventieve arbeid zou kunnen implementeren. Volgens Asus zou het basisstation in plaats van enkel een ACKChannelGain ook een ‘NACKChannelGain’ kunnen versturen. Daarmee is evenwel niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat en hoe differentiatie in vermogen afhankelijk van het type signaal bereikt kan worden. De ACKChannelGain bestuurt immers al het vermogen van alle over dat kanaal gestuurde signalen zonder dat daarbij onderscheid mogelijk is naar type signaal. Vervolgens past het mobiele station dat geïndiceerde vermogen op alle bevestigingssignalen, zonder onderscheid naar type signaal, toe. Enkel toevoeging van nog een andere offsetwaarde brengt daarin geen verandering. Toevoeging van een geheel nieuw kanaal zodat ACK- en NACK-signalen over verschillende kanalen worden verzonden ligt gelet op de beperkte middelen en het streven naar systeemefficiëntie geenszins voor de hand.

4.111 Nog daargelaten dat uitgaande van de juiste probleemstelling niet valt in te zien dat en waarom de gemiddelde vakman Shad zou vinden en raadplegen, brengt kennisneming van Shad daarin geen verandering. De gemiddelde vakman leert daaruit immers niet dat de vermogensniveaus van ACK- en NACK-signalen afzonderlijk van elkaar kunnen worden vastgesteld. De daarin geopenbaarde gains l en k staan immers in een vaste relatie tot elkaar; aanpassing van het ene leidt automatisch tot aanpassing van het andere. Verder begrijpt de gemiddelde vakman uit Shad dat de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen variëren, in afhankelijkheid van de frequentie waarmee zij voorkomen (en dus afhankelijk van de kanaalkwaliteit), met het doel interferentie / noise te minimaliseren. Dat is ook kenbaar uit de tabel uit Shad waaruit volgt dat signalen met een hoge frequentie met een lager vermogen worden verzonden. Voor variabele instelling van de vermogensniveaus per type signaal afzonderlijk om de foutkansen van het desbetreffende signaaltype naar gelang van de behoefte onder de gegeven omstandigheden te kunnen instellen biedt Shad geen aanknopingspunt. Ook wordt in Shad juist – volledig in overeenstemming met de stand van de techniek – gebruik gemaakt van het instellen van de drempelwaarde voor het voldoen aan de vooraf vastgestelde vereisten voor de relatieve maximale foutkansen, ongeacht de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen. Er is in Shad geen aanwijzing te vinden op grond waarvan de gemiddelde vakman zou menen dat de foutkansen van de ACK- en NACK-signalen zouden (kunnen) worden beïnvloed door aanpassing van de vermogens van die signalen. Er is nog minder aanwijzing om (in overweging te nemen) van het gebruik van het mechanisme van verplaatsing van de drempelwaarde af te stappen. Ook deze publicatie zet de gemiddelde vakman daarom niet op het spoor van de uitvinding volgens het octrooi. Dat het minimaliseren van interferentie in de objectieve probleemstelling besloten ligt maakt dat niet anders. Het toepassen van de leer van Shad leidt, zoals volgt uit het voorgaande, niet tot de uitvinding volgens het octrooi.

4.112 Voor de combinatie met Shad Derryberry verwijst het hof naar hetgeen daaromtrent hiervoor in r.o. 4.68 e.v. is opgenomen. Daaruit volgt dat de in de ED-VO standaard ontbrekende maatregelen van conclusie 10 ook niet in de Shad Derryberry publicatie direct en ondubbelzinnig zijn geopenbaard. Daarom valt ook niet in te zien – en Asus heeft niet voldoende steekhoudend toegelicht – hoe de gemiddelde vakman uitgaande van de EV-DO standaard dan toch tot de uitvinding volgens het octrooi zou komen.

4.113 De gemiddelde vakman zou, zo volgt uit het voorgaande, uitgaande van de EV-DO standaard niet tot de uitvinding worden geleid indien hij deze zou combineren met zijn algemene vakkennis, Shad of Shad Derryberry.

(ii)(c) TR 25.855 in combinatie met algemene vakkennis, Shad of Shad Derryberry

4.114 Ook de vraag of TR 25.855 als meest nabije stand van de techniek kan worden aangemerkt of als reëel uitgangspunt voor een geldigheidsaanval, kan in het midden blijven. Zelfs als daarvan wordt uitgegaan, zoals Asus stelt maar Philips bestrijdt, kan dit document in combinatie met algemene vakkennis, Shad of Shad Derryberry niet afdoen aan de inventiviteit van de uitvinding volgens het octrooi.

4.115 TR 25.855 openbaart een mobiel telecommunicatiesysteem dat een ARQ-procedure kent. Daarin worden ACK- en NACK-signalen over het uplink besturingskanaal verzonden. Het vermogen daarvan wordt bepaald aan de hand van een door het basisstation verzonden ‘power offset’. Daarmee wordt het vermogen bepaald van alle signalen die over dat kanaal worden verzonden, zonder acht te slaan op het type signaal. Niet geopenbaard is derhalve dat het vermogensniveau van het ACK- en NACK-signaal kan worden geselecteerd afhankelijk van het type signaal en voorts evenmin dat een indicatie voor het vermogensniveau door het basisstation wordt verzonden voor elk signaal. Deze verschilmaatregelen zijn derhalve dezelfde als die bij het gebruik van de EV-DO standaard als uitgangspunt. Voor de vaststelling van de met die verschilmaatregelen bereikte technische effecten en op grond daarvan het objectieve probleem wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in r.o. 4.106 - 4.107 is overwogen.

4.116 De combinatie van TR 25.855 met algemene vakkennis leidt de gemiddelde vakman niet tot de uitvinding, reeds omdat ook daarin de afzonderlijke instelling van de vermogens van ACK- en NACK-signalen teneinde daarmee de foutkansen van de verschillende signalen ten opzichte van elkaar te beïnvloeden niet is geopenbaard (zie r.o. 4.41 e.v.), waar Asus ten onrechte vanuit gaat.

4.117 Een combinatie van TR 25.855 met Shad of Shad Derryberry is evenmin inventiviteitsschadelijk. In deze documenten wordt immers, net zo min als in TR 25.855, geopenbaard dat het vermogensniveau van ACK- en NACK-signalen afzonderlijk instelbaar is (zie r.o. 4.58 en r.o. 4.68).

4.118 Voor alle combinatie die door Asus zijn gemaakt met TR 25.855 geldt bovendien dat nergens wordt geopenbaard dat een indicatie door het basisstation wordt verzonden afhankelijk van het type signaal. Dat een dergelijke maatregel uitgaand van TR 25.855 voor de hand liggend zou zijn is in het licht van de betwisting door Philips door Asus niet voldoende gemotiveerd onderbouwd. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder r.o. 4.51 is overwogen.

4.119 Het andersluidende oordeel van het Duitse Bundespatentgericht dat alle deelkenmerken van conclusie 10 in TR 25.855 worden geopenbaard wordt niet door het hof gedeeld en is overigens in deze procedure ook niet door Asus verdedigd.

(ii)(d) WO 844 en algemene vakkennis dan wel WO 252

4.120 Asus heeft niet onderbouwd waarom WO 844 zou kunnen worden aangemerkt als meest nabije stand van de techniek of zelfs maar reëel uitgangspunt voor een inventiviteitsaanval. Gegeven de verschillende uitgangspunten van WO 844 (Nack-based) en het octrooi dat een ARQ-systeem hanteert waarbij zowel ACK- als NACK-signalen worden verzonden, valt dat ook niet goed in te zien. Ook als daaraan voorbij wordt gegaan is die publicatie niet inventiviteitsschadelijk om dezelfde redenen als hiervoor met betrekking tot de algemene vakkennis is overwogen.

4.121 In WO 844 wordt niet geopenbaard (1) dat er gekozen kan worden uit ten minste twee beschikbare signaaltypen, (2) dat het vermogensniveau van een verzonden signaal afhankelijk is van het type signaal (ACK of NACK) en (3) dat dit voor elk type signaal (apart) wordt bepaald aan de hand van een door het basisstation overgeseinde aanduiding van het vermogensniveau.

4.122 Verschilmaatregelen (2) en (3) ontbraken evenzeer in de handboeken, de EV-DO standaard en in TR 25.855. Verschilmaatregel (1) hangt nauw samen met de andere verschilmaatregelen (2) en (3). Voor het technisch effect van deze verschilmaatregelen en het daaruit voortvloeiende objectieve probleem wordt daarom verwezen naar – en moet als hier herhaald worden beschouwd – hetgeen hiervoor in r.o. 4.106 en r.o. 4.107 reeds daaromtrent is overwogen. Het kan niet worden aangenomen dat de gemiddelde vakman reeds op grond van zijn algemene vakkennis ertoe zou komen ter oplossing van zijn probleem (in het kort) ‘hoe verbeterde systeemefficiëntie te bereiken’ met de maatregelen volgens conclusie 10 de vermogensniveaus van ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar naar gelang de omstandigheden te variëren om daarmee de relatieve foutkansen van die signalen te beïnvloeden en aldus systeemefficiëntie te bereiken (zie r.o. 4.99). Niet valt in te zien dat dit anders is indien wordt uitgegaan van WO 844 en wordt gecombineerd met die algemene vakkennis. Asus heeft dat ook niet voldoende steekhoudend toegelicht. Dat geldt ook voor de combinatie van WO 844 met WO 252. Daarin worden – naar Philips onweersproken heeft gesteld (par. 310 MvG) – zelfs helemaal geen bevestigingssignalen in de zin van het octrooi (ACK- en NACK-signalen) geopenbaard en dus evenmin dat deze met verschillende, afzonderlijk instelbare vermogensniveaus kunnen worden verzonden. Een combinatie van WO 844 met WO 252 kan de gemiddelde vakman dus ook niet zonder inventieve denkarbeid tot de uitvinding van EP 252 leiden.

4.123 Voor alle combinaties geldt bovendien dat nergens wordt geopenbaard dat het zendvermogen van de bevestigingssignalen afhankelijk is van een indicatie die door het basisstation wordt verzonden voor van elk type signaal. Dat dit voor de hand zou liggen en bovendien binnen het bereik van de gemiddelde vakman zou liggen, heeft Asus onvoldoende onderbouwd. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen daaromtrent hiervoor in r.o. 4.51 en r.o. 4.110 reeds is overwogen.

(ii)(e) ieder van de in het kader van de niet-nieuwheid aangehaalde documenten, al dan niet in combinatie met een van de andere documenten, dan wel met de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman

4.124 Bij gebreke van enige verdere onderbouwing van haar stelling dat de conclusies van EP 525 nietig zouden zijn wegens gebrek aan inventiviteit op grond van ieder van de in het kader van de niet-nieuwheid aangehaalde documenten, al dan niet in combinatie met een van de andere documenten, dan wel met de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman, wordt dit standpunt, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor ten aanzien van die documenten en de algemene vakkennis reeds is overwogen, verworpen.

(iii) toegevoegde materie

4.125 Tijdens de verleningsprocedure is het deelkenmerk “in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being

signaled from the primary station to the secondary station” aan conclusie 10 toegevoegd. Volgens Asus is daarvoor geen basis te vinden in de oorspronkelijke aanvrage, althans levert toevoeging van alleen dat kenmerk een ontoelaatbare intermediate generalisation op.

4.126 Het hof is met Philips van oordeel dat voornoemd toegevoegd deelkenmerk voor de gemiddelde vakman voldoende kenbaar is geopenbaard in navolgende passage (op p. 3, r. 30 t/m p. 4, r. 8) uit de oorspronkelijke aanvrage:

According to a third aspect of the present invention there is provided a primary station for use in a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from the primary station to a secondary station, wherein means are provided for transmitting a data packet to the secondary station and for receiving a signal from the secondary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, and wherein means are provided for signalling to the secondary station an indication of how the power level at which the secondary station transmits the signal depends on the type of the signal.” [onderstreping hof]

De laatste (onderstreepte) zinsnede was in de oorspronkelijke aanvrage ook opgenomen in conclusie 6. In conclusie 8 van die aanvrage was daaraan nog toegevoegd dat “the indication comprises an instruction to the secondary station to transmit at least two types of signals at different powers”, in conclusie 10 dat “that the indication informs the secondary station of a required power difference between two different types of signals”.

4.127 Asus heeft erop gewezen dat de aangehaalde passage ziet op het basisstation en niet op het mobiele station. Volgens haar levert de toevoeging aan conclusie 10, die op een mobiel station betrekking heeft, daarom een ontoelaatbare intermediate generalisation op. In die passage wordt bovendien niet een selectie van het vermogensniveau door het mobiele station geopenbaard, terwijl dat nu wel in conclusie 10 is opgenomen. Het toegevoegd deelkenmerk verschaft daarmee nieuwe informatie en is ook om die reden niet toegelaten. Verder is verzending van bevestigingssignalen door het mobiele station met een vermogen afhankelijk van een door het basisstation overgeseinde indicatie voor elk type signaal alleen kenbaar uit de uitvoeringsvoorbeelden, zodat het opnemen van dat kenmerk in conclusie 10 gebaseerd daarop evenzeer een verboden intermediate generalisation, omdat conclusie 10 niet tot die uitvoeringsvormen is beperkt, aldus Asus.

4.128 Het hof wijst het standpunt van Asus af. De gemiddelde vakman leest de geciteerde passage (opgenomen onder het kopje ‘Disclosure of Invention’) in de context van de volledige beschrijving, waaronder de verschillende uitvoeringsvoorbeelden onder het kopje ‘Modes for Carrying Out the Invention’, waaruit expliciet volgt dat het vermogensniveau van het bevestigingssignaal dat door het mobiele station is geselecteerd, per type afhankelijk is van de door het basisstation overgeseinde indicatie voor elk signaaltype. In context gelezen, begrijpt de gemiddelde vakman uit de geciteerde passage dat het basisstation middelen heeft voor het overseinen aan het mobiele station van een indicatie die per type signaal het vermogensniveau bepaalt waarmee het mobiele station het geselecteerde bevestigingssignaal (ACK of NACK) verzendt. Die indicatie kan verschillende vormen aannemen: het kan bijvoorbeeld een indicatie zijn om al dan niet een power offset toe te passen of het specifieke vermogensniveau aanduiden. Verschillende van die vormen zijn ook in van conclusie 6 afhankelijke onderconclusies onder bescherming gesteld. Die indicaties hebben met elkaar gemeen dat daarmee het vermogensniveau van elk type signaal kan worden gevarieerd ten opzichte van dat van het andere signaal (vgl. ook r.o. 4.6). Daarmee is voldoende basis voor het deelkenmerk “and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted” in de oorsponkelijke aanvrage.

4.129 De gemiddelde vakman begrijpt verder dat het mobiele station middelen heeft om die indicatie te ontvangen en het geselecteerde signaal te verzenden met een vermogensniveau in overeenstemming met de van het basisstation ontvangen indicatie voor dat signaal. Dat ligt logischerwijs in die passage, met name in de zinsnede “an indication of how the power level at which the secondary station transmits the signal depends on the type of the signal” besloten. Het heeft geen zin een indicatie te verzenden indien die niet kan en zal worden opgevolgd. Dat de ontvangstmiddelen niet expliciet zijn geopenbaard en evenmin hoe een en ander dan is geïmplementeerd maakt dat niet anders.

4.130 Naar Asus ook heeft benadrukt weet de gemiddelde vakman bovendien op grond van zijn algemene vakkennis, waaronder zijn kennis van vermogensbesturing in mobiele telecommunicatiesystemen, dat het vermogen waarmee een mobiel station verzendt, wordt aangestuurd door indicaties (bijvoorbeeld een TPC-commando bekend uit de UMTS-standaard, of een power offset toegepast in de EV-DO standaard) die door het basisstation aan het mobiele station worden verzonden. De gemiddelde vakman zal het ook daarom als vanzelfsprekend beschouwen dat het mobiele station middelen heeft om de indicatie van het basisstation te ontvangen en dat het die instructie vervolgens opvolgt door het geselecteerde bevestigingssignaal te verzenden met een vermogen met inachtneming van de indicatie van het basisstation voor dat type signaal.

4.131 Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof het aan conclusie 10 toegevoegde deelkenmerk de gemiddelde vakman dus niets nieuws leert ten opzichte van de geciteerde passage waarop deze toevoeging is gebaseerd. Evenmin levert het een ontoelaatbare intermediate generalisation op. Nu de toegevoegde passage is gebaseerd op de geciteerde passage en niet op hetgeen in de uitvoeringsvoorbeelden is geopenbaard is van ontoelaatbare intermediate generalisation op die grond evenmin sprake.

4.132 Het standpunt van Asus verder dat de materie van conclusie 14 niet in de oorspronkelijke aanvrage is geopenbaard moet ook worden verworpen. Het gebruik van een power offset wordt in verschillende uitvoeringsvoorbeelden geopenbaard, zonder evenwel functioneel en structureel onlosmakelijk met de overige elementen daarvan verbonden te zijn. De gemiddelde vakman begrijpt dat – ook bij de uitvoeringsvoorbeelden – de essentie is dat de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen afzonderlijk van elkaar kunnen worden ingesteld. Of dit gebeurt door een indicatie die een power offset inhoudt of het specifieke niveau aangeeft is daarbij van geen belang. Het opnemen van de toepassing van een power offset in conclusie 14 is derhalve niet aan te merken als een ontoelaatbare intermediate generalisation.

(iv) de hulpverzoeken

4.133 Aangezien het hof het octrooi geldig acht in de vorm waarin het is verleend, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de door Asus tegen de hulpverzoeken naar voren gebrachte bezwaren dat deze onduidelijk zouden zijn en toegevoegde materie zouden bevatten.

slotsom geldigheid

4.134 Voor zover de aanvallen van Asus op de geldigheid van EP 525 tevens zijn gericht op andere conclusies van het octrooi dan conclusies 10, 11 en 14, moeten die op dezelfde gronden worden verworpen. De slotsom van al het voorgaande is dat de conclusies van EP 525 naar het oordeel van het hof geldig zijn te achten. In zoverre slagen de grieven van Philips tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden vernietigd.

inbreuk

conclusie 10 geïncorporeerd in het HSDPA-protocol

4.135 Volgens Philips wordt in (het HSDPA-protocol van) de UMTS-standaard gebruik gemaakt van de uitvinding van EP 525. In elk geval conclusies 10, 11 en 14 zijn daarin volgens Philips geïncorporeerd. Omdat Asus (het HSDPA-protocol van) die standaard toepast maakt zij inbreuk op conclusies 10, 11 en 14 van het octrooi, aldus Philips.

Zij heeft dat (samengevat) als volgt toegelicht.

4.136 Volgens het HSDPA-protocol zendt het mobiele station via de HS-DPCCH (‘High Speed Dedicated Physical Control Channel’) een uplink 'feedback' signaal aan het basisstation, waarmee (onder meer) de status van het ontvangen datapakket wordt aangegeven. De over dit kanaal te verzenden 'feedback' bestaat uit een HARQ-ACK (‘Hybrid-ARQ Acknowledgement’) signaal en een CQI (‘Channel Quality Indication’) signaal. Door middel van het HARQ-ACK-signaal informeert het mobiele station het basisstation omtrent de status van het door haar ontvangen gegevenspakket. Dit signaal kan een ACK of een NACK zijn.

4.137 Het vermogensniveau waarmee dit signaal door het mobiele station wordt verzonden, is afhankelijk van het type bevestigingssignaal, namelijk of het een ACK- of een NACK-signaal betreft. Dat volgt onder meer uit paragraaf 5.1.2.5A van TS 125 214:

When an HS-DPCCH is active, the values of ∆ACK, ∆NACK and ∆CQI set by higher layers are translated to the quantized amplitude ratios ∆hs as specified in [3] subclause 4.2.1.2, and shall be set for each HS-DPCCH slot as follows. For HS-DPCCH slots carrying HARQ-Acknowledgement:

∆hs equals the quantized amplitude ratio translated from the signalled value ∆ACK if the corresponding HARQ-ACK message is ACK;

∆hs equals the quantized amplitude ratio translated from the signalled value ∆NACK if the corresponding HARQ-ACK message is NACK;

4.138 De waarde ∆hs duidt het relatieve vermogensniveau aan van het HARQ-ACK-signaal dat wordt verzonden via de HS-DPCCH ten opzichte van het vermogensniveau van het signaal dat wordt verzonden via de DPCCH (‘Dedicated Physical Control Channel’). Op basis hiervan bepaalt het mobiele station het specifieke vermogensniveau van het te verzenden signaal. Uit de geciteerde paragraaf volgt dat de waarde van ∆hs (en daarmee het vermogensniveau van het te verzenden HARQ-ACK-signaal) afhankelijk is van het type bevestigingssignaal dat het mobiele station verzendt: is dit een ACK-signaal, dan hanteert het mobiele station de waarde van ∆ACK voor ∆hs; is dit een NACK-signaal, dan hanteert het mobiele station de waarde van ∆NACK voor ∆hs.

4.139 ∆ACK en ∆NACK worden door het basisstation (in de standaard aangeduid met “by higher layers”) aan het mobiele station verzonden als onderdeel van de “uplink DPCH power control info” dat deel uitmaakt van (bijvoorbeeld) het zgn. ‘RRC Connection Setup’ bericht.

4.140 Indien ∆NACK groter is dan ∆ACK, zal het bevestigingsmiddel van het mobiele station het NACK-signaal verzenden met een hoger vermogen dan het ACK-signaal. Volgens Philips zijn ∆ACK en ∆NACK aan te merken als een indicatie van het vermogensniveau waarmee het betreffende signaal (ACK of NACK) aan het basisstation wordt overgedragen. Omdat ∆ACK en ∆NACK het vermogensniveau bepalen in relatie tot de pilot bits op het PDCCH kanaal, zijn het tevens offsetwaarden zoals bedoeld in conclusie 14 van het Octrooi, zoals ook blijkt uit de titel van tabel 1A op p. 11 van TS 125 213 standaard waarin de waarden voor ∆ACK en ∆NACK worden gegeven: “The quantization of the power offset”, aldus Philips. Daarin ligt besloten dat Philips zich op het standpunt stelt dat de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar worden bepaald (vgl. r.o. 4.2 e.v.).

4.141 In de eerste plaats bestrijdt Asus dat conclusie 10 is geïmplementeerd in (het HSDPA protocol van) de UMTS standaard, omdat de offsetwaarden ∆ACK en ∆NACK niet een indicatie zouden zijn van het vermogensniveau van het bevestigingssignaal zoals bedoeld in die conclusie. Dat standpunt wordt door het hof verworpen. Anders dan waar Asus vanuit gaat, vereist conclusie 10 niet dat de door het basisstation overgeseinde indicatie voor elk type signaal specifieke vermogenswaarden vaststelt. Uit de beschrijving en de verschillende daarin beschreven uitvoeringsvoorbeelden volgt dat een indicatie ook kan bestaan uit een offsetwaarde. Dat in par. 29 van de beschrijving van EP 525 wordt gesproken van zowel een power offset als ook een power level maakt dit niet anders. Integendeel: in de daar beschreven uitvoeringsvorm bestaat de indicatie eruit dat wel of niet een ACK/NACK offset (een vastgesteld verschillend vermogensniveau van een NACK-signaal ten opzichte van het ACK vermogensniveau) wordt toegepast en wordt daarnáást ook het specifieke vermogensniveau voor het ACK-signaal (ten opzicht waarvan de offset al dan niet wordt toegepast) overgeseind. Dit toont juist aan dat een indicatie zowel een offset kan zijn, als ook een specifiek vermogensniveau. Datzelfde geldt voor de verschillende vormen die een indicatie kan aannemen als genoemd in par. 36, waar Asus verder op heeft gewezen.

4.142 Het specifieke vermogensniveau waarmee een bepaald type signaal wordt verzonden kan vervolgens aan de hand van de offsetwaarden ∆ACK en ∆NACK worden berekend. Dat is een in de stand van de techniek algemeen toegepaste methode (vgl. de power offset in de EV-DO standaard). Dat daarmee onduidelijk zou blijven op welk niveau de signalen daadwerkelijk worden verzonden, zoals Asus stelt, valt zonder nadere toelichting die zij evenwel niet heeft gegeven, niet in te zien.

4.143 De in (het HSDPA protocol van) de UMTS-standaard geïmplementeerde uitvoeringsvorm valt dus binnen het bereik van conclusie 10. Bovendien is die uitvoeringsvorm expliciet onder bescherming gesteld door (van conclusie 10 afhankelijke) conclusie 14. Dat de vermogensniveaus van de ACK- en NACK-signalen bij de in (het HSDPA protocol van) de UMTS-standaard geïmplementeerde uitvoeringsvorm onafhankelijk van elkaar worden vastgesteld, zoals vereist door die conclusies, heeft Asus niet bestreden.

4.144 Asus betwist niet dat in haar in Nederland op de markt gebrachte telefoons (het HSDPA-protocol van) de UMTS-standaard wordt toegepast. Asus stelt echter dat de informatie ten aanzien van het vermogensniveau van de ACK- en NACK-signalen optioneel is (want gemarkeerd als “OP”). Aangezien optionele elementen niet behoeven te worden toegepast om de UMTS standaard te gebruiken volgt uit het feit dat de producten van ASUS aan die standaard voldoen derhalve niet dat inbreuk wordt gemaakt op het octrooi.

4.145 Philips heeft daarop onbestreden aangevoerd dat het HSDPA-protocol weliswaar optioneel is, maar indien dat protocol wordt toegepast (hetgeen Asus niet bestrijdt) de ∆ACK en ∆NACK waarden door het basisstation worden verzonden en ook door het mobiele station gebruikt worden.

4.146 Verder heeft Philips een testrapport laten opstellen. Daarin wordt als volgt geconcludeerd:

In the ASUS Padfone A86 mobile handset, the ACK transmit power depends on the ∆ACK parameter setting and the NACK transmit power depends on the ∆NACK parameter setting.

In case the ∆ACK and ∆NACK parameters are set at different values, also the ACK and NACK transmit powers are different, corresponding with the ∆ACK and ∆NACK parameters respectively. If the ∆NACK parameter is set higher than the ∆ACK parameter, the NACK transmit power is higher than the ACK transmit power.”

Asus heeft weliswaar aanvankelijk (overigens zonder verdere onderbouwing) bestreden dat uit het testrapport zou blijken dat de waarden voor ∆ACK en ∆NACK van het basisstation naar het mobiele station woorden gestuurd en door het mobiele station toegepast, maar nadat Philips daarop heeft verduidelijkt dat dit volgt uit het rapport en de door haar aangehaalde passages uit het HSDPA-protocol, heeft Asus dit niet langer bestreden. Zij erkent dat de Asus producten in staat zijn om de ACK- en NACK-signalen met verschillende niveaus te verzenden, omdat die mogelijkheid in het HSDPA-protocol is opgenomen en haar producten compatibel dienen te zijn met (het HSDPA-protocol van) de UMTS-standaard (par. 658 MvA).

4.147 Verder voert Asus aan dat de basisstations in de praktijk een en dezelfde waarde hanteren voor ∆ACK en ∆NACK, zodat ACK- en NACK-signalen altijd op hetzelfde vermogensniveau worden verzonden. Daarom wordt van de uitvinding geen gebruik gemaakt, althans het technisch effect ervan wordt niet bereikt. Om die reden doet zij een beroep op een “kwalitatief de minimis verweer”: hoewel de Asus producten in staat zijn de uitvinding toe te passen, is daarvan in de praktijk geen sprake, zodat er geen reële technische toepassing is van het octrooi en daarom geen octrooirechtelijk relevante handeling. Daarom is er geen sprake van inbreuk, aldus Asus.

4.148 Dat verweer wordt verworpen door het hof. Naar Philips terecht heeft opgemerkt betreft conclusie 10 een productconclusie. Zodra een of meer Asus-producten aan alle kenmerken daarvan voldoen – hetgeen Asus niet bestrijdt – is sprake van inbreuk. Daarenboven heeft Philips er met recht op gewezen dat verzending met gelijk zendvermogen niet betekent dat de uitvinding niet wordt toegepast (vgl. r.o. 4.11 hiervoor). Ten slotte volgt uit de eigen stellingen van Asus dat zij doelbewust heeft gekozen voor UMTS-standaard compatibiliteit. Dan moet zij ook de consequenties daarvan dragen.

Slotsom inbreuk

4.149 De slotsom is dat Asus inbreuk maakt op in elk geval conclusies 10, 11 en 14. Bij die stand van zaken is er geen belang bij beoordeling van de door Philips gestelde indirecte inbreuk op andere conclusies van het octrooi.

Handhaving door Philips

4.150 Daarmee komt het hof toe aan de bespreking van de door Asus opgeworpen verweren die de strekking hebben dat, ook indien EP 525 geldig geacht wordt en Asus daarop inbreuk zou maken, het Philips toch niet zou vrijstaan dat octrooi jegens Asus te handhaven. Het hof heeft in het EP 511-arrest daarover als volgt overwogen.

Frand-verweer

4.146 Asus stelt zich op het standpunt dat het door Philips gedane licentie-aanbod niet in overeenstemming is met de Frand-beginselen zodat zij door het instellen van onderhavige verbodsvordering (en andere vorderingen) misbruikt maakt van haar machtspositie en aldus handelt in strijd met artikel 102 VWEU. Bij de beoordeling van dat verweer stelt het hof het navolgende voorop.

4.147 Philips heeft het octrooi aangemeld als een essentieel octrooi voor (het HSUPA-protocol van) de UMTS-standaard. Asus heeft de essentialiteit van het octrooi voor die standaard niet (gemotiveerd) bestreden. Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat de maatregelen van conclusies 1, 9 en 12 van het octrooi (volgens het tweede hulpverzoek) inderdaad in (het HSUPA-protocol van) de UMTS-standaard zijn geïmplementeerd. De UMTS-standaard is vastgesteld door het European Telecommunications Standards Institute (ETSI), een zogenoemde ‘standard setting organisation’ (SSO) die zich ten doel stelt een standaard vast te stellen voor een mobiel communicatiesysteem, zodat basisstations en mobiele stations compatibel zijn en met elkaar kunnen communiceren.

4.148 Verschillende marktpartijen, waaronder Philips, hebben bijdragen geleverd aan de totstandkoming van de UMTS-standaard. Bijdragen die in een standaard zijn geïmplementeerd kunnen door een octrooi onder bescherming zijn gesteld, zoals ook een van de bijdragen aan de UMTS-standaard van Philips door EP 511. Zo’n octrooi wordt aangeduid als een ‘standard essential patent’ (SEP). Leden van ETSI hebben zich gebonden aan de ETSI Rules of Procedure (ETSI Rules), waarvan de ETSI Intellectual Property Rights Policy (ETSI IPR Policy) deel uitmaakt. Teneinde derden in de gelegenheid te stellen om van de gestandaardiseerde technologie gebruik te maken, schrijft artikel 6.1 ETSI IPR Policy voor dat een houder van een standaard essentieel octrooi (SEP-houder) zich bereid dient te verklaren aan derden een licentie te verlenen onder hun SEP op zogenoemde ‘fair reasonable and non discriminatory’ (Frand) voorwaarden. Hiermee wordt beoogd een evenwicht te bereiken tussen het belang van een effectieve octrooibescherming voor de SEP-houder en de gerechtvaardigde belangen van derden om dat octrooi (en dus de standaard) te kunnen gebruiken. Philips heeft op 15 januari 1998 zo’n verklaring afgelegd, die luidt als volgt:

Periodiek heeft Philips ETSI geïnformeerd welke specifieke octrooien relevant waren voor welke onderdelen van de UMTS-standaard. Op 26 november 2009 heeft zij dat gedaan voor (onder meer) EP 511, welk octrooi is geïmplementeerd in onderdeel TS 125.214 van de UMTS-standaard, dat in 2006 is vastgesteld.

4.149 In een aantal beschikkingen heeft de Europese Commissie (EC) overwogen dat het handhaven van een standaard essentieel octrooi op zichzelf niet mededingingbeperkend (’anticompetitive’) is, maar dat het onder bijzondere omstandigheden ongeoorloofd kan zijn om op basis van een standaard essentieel octrooi een verbodsvordering in te stellen tegen en derde die serieus bereid is om een licentie af te sluiten en hierover met de SEP-houder te goeder trouw te onderhandelen, ook wel aangeduid als een ‘willing licensee’ (par. 126 Google-beschikking, Case No COMP/M.6381).

4.150 In het Huawei / ZTE arrest (zaak C-170/13) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) zich ook uitgelaten over de mogelijkheid van handhaving van een standaard essentieel octrooi. De vraag onder welke omstandigheden een SEP-houder geacht moet worden een machtspositie te hebben is door het HvJ EU niet beantwoord, omdat in het hoofdgeding het bestaan van een machtspositie niet was betwist. Het HvJ EU heeft het bestaan van een machtspositie bij zijn beslissing daarom tot uitgangspunt genomen (vgl. r.o. 43). In dat arrest heeft het HvJ EU als volgt voor recht verklaard:

Artikel 102 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een octrooi dat essentieel is voor een door een standaardisatieorganisatie opgestelde standaard, die jegens deze standaardisatieorganisatie de onherroepelijke verbintenis is aangegaan om aan derden een licentie te verlenen onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, genoemd FRAND-voorwaarden („fair, reasonable and non-discriminatory”), geen misbruik van zijn machtspositie in de zin van dat artikel maakt door een beroep wegens inbreuk in te stellen strekkende tot staking van de inbreuk op zijn octrooi of tot terugroeping van de producten voor de vervaardiging waarvan gebruik is gemaakt van dit octrooi, wanneer:

- hij vóór de instelling van dat beroep, enerzijds, de vermeende inbreukmaker in kennis heeft gesteld van de inbreuk die hem wordt verweten, met vermelding van dat octrooi en met precisering van de wijze waarop daarop inbreuk is gemaakt, en anderzijds, nadat de vermeende inbreukmaker te kennen heeft gegeven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden, deze inbreukmaker een concreet en schriftelijk aanbod van een licentie onder dergelijke voorwaarden heeft gedaan en daarbij met name de royalty en de wijze van berekening daarvan nader heeft aangegeven, en

- die inbreukmaker het betrokken octrooi blijft gebruiken en niet met bekwame spoed overeenkomstig de handelsgebruiken en te goeder trouw gevolg geeft aan dit aanbod, hetgeen dient te worden uitgemaakt aan de hand van objectieve elementen en inhoudt dat er geen sprake is van vertragingstactiek.”

4.151 Asus stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van Philips moeten worden afgewezen omdat Philips heeft gehandeld in strijd met de ETSI-voorwaarden, in het bijzonder door haar standaard essentiële octrooi niet tijdig te melden. Daarnaast heeft Philips volgens Asus geen licentie aangeboden die in overeenstemming is met de door het HvJ EU gestelde voorwaarden, in het bijzonder omdat Philips heeft nagelaten te onderbouwen waarom dat aanbod Frand zou zijn. Verder stelt Asus dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat het aanbod van Philips niet in overeenstemming is met de Frand-beginselen en Asus een tegenvoorstel heeft gedaan dat daarmee wel in overeenstemming is.

- ETSI-voorwaarden

4.152 Asus stelt zich op het standpunt dat Philips heeft gehandeld in strijd met de zogenaamde ‘disclosure-verplichting’ uit artikel 4.1 ETSI IPR Policy, dat luidt:

4.1 Subject to Clause 4.2 below, each MEMBER shall use its reasonable endeavours, in particular during the development of a STANDARD or TECHNICAL SPECIFICATION where it participates, to inform ETSI of ESSENTIAL IPRs in a timely fashion. In particular, a MEMBER submitting a technical proposal for a STANDARD or TECHNICAL SPECIFICATION shall, on a bona fide basis, draw the attention of ETSI to any of that MEMBER's IPR which might be ESSENTIAL if that proposal is adopted.”

4.153 EP 511 is ingediend op 20 april 2004 en verleend op 7 maart 2007. Philips is betrokken geweest bij de ontwikkeling van het onderdeel van de standaard waarin dit octrooi is geïmplementeerd. Hoewel zij van haar eigen octrooiaanvrage op de hoogte moet zijn geweest, heeft zij dit octrooi pas op 26 november 2009 aangemeld als mogelijk standaard essentieel octrooi voor het in december 2006 vastgestelde onderdeel TS 125.214 van de UMTS-standaard. Daaruit volgt volgens Asus dat Philips haar disclosure-verplichting heeft geschonden.

4.154 Volgens Asus is bij de totstandkoming van een standaard het streven erop gericht om zoveel mogelijk vrije technologie op te nemen en heeft artikel 4.1 ETSI IPR Policy ten doel om in de technische werkgroepen bewuste keuzes te maken tussen de verschillende gesuggereerde technologieën en zoveel mogelijk kwalitatief vergelijkbare rechtenvrije alternatieven te kunnen kiezen. Door haar standaard essentiële octrooi eerst na vaststelling van de standaard aan te melden en daarmee ETSI de mogelijkheid te ontnemen te zoeken naar een rechtenvrij alternatief, levert handhaving van dit octrooi misbruik van machtspositie op, althans heeft Philips haar rechten verwerkt om dit octrooi jegens derden in te roepen, zo stelt Asus.

4.155 Het standpunt van Asus wordt verworpen, reeds omdat het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt niet als juist kan worden aanvaard. Asus heeft niet gewezen op enige bepaling of passage in de ETSI IPR Policy (of elders in de ETSI Rules) waarin het door haar gestelde uitgangspunt – dat artikel 4.1 erop is gericht zoveel mogelijk tot een rechtenvrije standaard te komen – tot uitdrukking wordt gebracht. Integendeel, uit artikel 3 (getiteld ‘Policy Objectives’) volgt veeleer dat het de doelstelling van ETSI is om te komen tot technisch optimale oplossingen: “to create STANDARDS and TECHNICAL SPECIFICATIONS that are based on solutions which best meet the technical objectives of the European telecommunictions sector” (aanhef artikel 3.1). Dat deze technisch optimale oplossingen mogelijk (of zelfs: waarschijnlijk) onder octrooibescherming zijn gesteld wordt in de IPR Policy onder ogen gezien. Het is dan ook een verdere doelstelling om het risico dat een essentieel octrooi niet beschikbaar is zoveel mogelijk te beperken en voorts om een balans te zoeken tussen “the needs of standardization for public use in the field of telecommunications and the rights of the owners of IPRs.” (artikel 3.1 slot). Daartoe wordt van SEP-houders verlangd dat zij zich bereid verklaren om onder hun SEPs licenties te verlenen onder Frand-voorwaarden. Dit wordt ook tot uitdrukking gebracht in de ETSI Guide on Intellectual Property Rights (IPRs) (ETSI Guide):

4.156 Dat het uitgangspunt van ETSI veeleer is om te komen tot een technisch optimale standaard – zodat de vraag of rechtenvrije technologie beschikbaar is als zodanig niet relevant is – wordt onderschreven door de huidige voorzitter van de Board van ETSI, [A]. Hij verklaart onder meer:

8. (…) ETSI's primary aim is the availability of the most suitable technology. ETSI's goal is not to make these technologies available free of royalties, but rather that technology is available on FRAND terms. For this purpose, ETSI offers the possibility to its members to provide a General IPR Licensing Declaration, also referred to as a "GILD". With the provision of a general declaration, such as the one provided by Philips, the ETSI member makes clear that a FRAND license is available under its ESSENTIAL IPR in line with ETSI's objective of availability set out above. (...)

15. (…) this "call for IPR" [artikel 4.1 ETSI IPR Policy – hof] is in no way intended to influence discussions at the 3GPP meetings. In fact, 3GPP does not even allow discussion on (or declarations of) IPRs in its working groups. Nor is there a need. If a member makes a proposal, all other members will normally assume that such technology is likely to be covered by IPRs. However, this does not affect the decision-making in the working group meetings. These decisions are based on technical evaluations of the pros and cons of different proposals considering aspects such as performance in different scenarios, complexity, implementation feasibility, power consumption, etc. Whether any company holds any IPR, whether any such IPRs are indeed essential or could become essential and what the (commercial) consequences of these IPRs could or should be, do not form part of the discussions in the working group (…)”.

4.157 Artikel 4.1 ETSI IPR Policy is daarom met name erop gericht te waarborgen dat het gebruik van de standaard beschikbaar is voor derden onder Frand-voorwaarden, zoals ook blijkt uit de toelichting van DG Competition van de EC bij haar verzoek tot aanpassing van die bepaling, zoals weergegeven op pag. 68 van de ETSI-Rules:

DG COMPETITION's intention in pursuing deletion of the phrase "it becomes aware of" is viewed as important from the patent ambush perspective. The idea is to prevent an ETSI Member from intentionally not disclosing Essential Intellectual Property Rights (EIPR) during the standardization process, and after the standard has issued, then disclosing such EIPR with the intention to not license on fair, reasonable, and non-discriminatory (FRAND) terms as expected by ETSI Policy for EIPR.

4.158 [A] bevestigt in zijn verklaring dat dit de ratio is van artikel 4.1 ETSI IPR Policy en voorts dat dit doel ook gediend kan worden door de afgifte van een ‘general licensing declaration’, zoals in 1998 door Philips afgegeven:

9. Within ETSI (and 3GPP) there is broad acceptance and genuine expectation that the technologies submitted in the ETSI- or 3GPP-standardization process are patented and that (FRAND) royalties may therefore have to be paid. There is no practice to design around patents i.e. no policy to avoid patents on ETSI standards. (…) Within ETSI, the existence of technical alternatives to a specific patented technology needs to be explored only if a certain technology is unavailable (e.g., because of a refusal to grant FRAND licenses discussed in Clause 8 of the ETSI IPR Policy). In the case a FRAND declaration has been provided (general and/or otherwise), the existence of IPR with respect to the technology in question does not raise an issue.

10. (…) In case a general FRAND undertaking has already been provided, such as in the case of Philips, this [artikel 4.1 ETSI IPR Policy] merely serves the purpose of providing additional information regarding the specific ESSENTIAL IPRs in question. (…)

12. According to common practice, it thus often happens that such specific IPR

declarations are submitted after the standard is approved. However, as follows from

the above, the timing would not have any influence on the technical decision-making

process, or on the availability of the licenses on FRAND terms. (…)

13. Note that this practice does not result in over-declaration (…). To the contrary; this would be the case if, in order to avoid the risk of unenforceability of the patents, despite the general FRAND undertaking provided, companies would be forced to declare patents at a time where there is still significant uncertainty whether such patent will be essential. (…)

4.159 Zoals hiervoor (zie 4.148) reeds overwogen heeft Philips zich door middel van haar in 1998 verstrekte algemene licentieverklaring bereid verklaard licenties onder haar standaard essentiële octrooien te verlenen onder Frand-voorwaarden. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 4.1 ETSI IPR Policy door EP 511 eerst nadat de standaard was vastgesteld aan te melden. Het slot van paragraaf 2.1.3 van de ETSI Guide, dat luidt “Use of the General IPR licensing declaration does not take away the obligation for members to declare essential patents to ETSI as stated in 2.1.1” maakt dat niet anders. Deze bepaling moet (eveneens) worden begrepen in het licht van hetgeen in de aanhef van paragraaf 2 van de ETSI Guide als belangrijkste probleem voor ETSI wordt omschreven, namelijk dat laat aangemelde SEPs niet beschikbaar zijn, of niet onder Frand-voorwaarden, waardoor de standaard aangepast moet worden. Voorts moet die slotpassage worden begrepen in het licht van hetgeen in 2.1.1 derde alinea is opgenomen:

en ook van de passage die direct aan de slotzin van paragraaf 2.1.3. voorafgaat:

Daaruit volgt dat partijen die een algemene licentieverklaring hebben afgegeven daarvan ‘as soon as feasible’ respectievelijk ‘in a timely fashion’ updates moeten geven. Deze termen zijn niet in de ETSI Rules gedefinieerd, maar een redelijke uitleg daarvan is dat dit gebeurt nadat de standaard is vastgesteld en duidelijk is welke technologie daarin is opgenomen. Eerst dan is immers een deugdelijke ‘patent mapping’ (bepaling welke octrooien in de standaard zijn geïmplementeerd) mogelijk, zoals Philips onvoldoende gemotiveerd bestreden heeft aangevoerd. Dat late aanmelding van een octrooi zou bijdragen aan ‘over declaration’, zoals Asus verder stelt, is onjuist. Juist de verplichting om in een vroeg stadium octrooien aan te melden als standaard-essentieel zal er toe leiden dat zekerheidshalve meer octrooien worden aangemeld dan (achteraf bezien) gerechtvaardigd is, zoals [A] ook heeft verklaard. Aldus kan niet worden ingezien dat de aanmelding van EP 511 na vaststelling van de standaard waarin dat octrooi is geïmplementeerd op enigerlei wijze de (potentiële) gebruikers van de UMTS-standaard heeft benadeeld, dan wel heeft geleid tot een (versterking van de) machtspositie van Philips, zoals Asus stelt.

4.160 Voor de veronderstelling van Asus dat de in EP 511 onder bescherming gestelde technologie bij eerdere aanmelding ‘mogelijk überhaupt niet in die standaard zou zijn opgenomen’ bestaat, bij gebreke van enige onderbouwing daarvan, geen grond. Dat geldt temeer omdat het streven van ETSI niet is gericht op een rechtenvrije standaard, maar op een optimale standaard en voorts blijkens artikel 8 ETSI IPR Policy voorafgaand aan de vaststelling van de standaard alleen wordt gekeken naar rendabele alternatieve oplossingen als een SEP-houder laat weten niet bereid te zijn licenties op Frand-voorwaarden aan te gaan. Dat is hier niet aan de orde. Die bereidheid van Philips stond op grond van de algemene licentieverklaring uit 1998 al vast.

4.161 De door Asus gemaakte vergelijking met de Rambus-beschikking van de EC (9 december 2009, COMP/38.386) gaat mank. Zoals ook expliciet door de EC overwogen was de ontwikkeling van de in die zaak aan de orde zijnde SDRAM- en DDR-standaards – anders dan de UMTS-standaard – er op gericht te komen tot een open, rechtenvrije standaard. Het (doelbewust) niet voorafgaand aan de vaststelling van die standaard openbaar maken van het bestaan van een octrooi(aanvrage) op in de standaard opgenomen technologie door Rambus was daarom van wezenlijke (verstorende) invloed op het standaardisatie-proces (omdat daardoor bestaande rechtenvrije alternatieven niet in de discussie zijn betrokken), terwijl bovendien Rambus zich niet had verplicht en ook niet bereid was onder haar essentiële octrooi licenties onder redelijke voorwaarden te verstrekken, waardoor de beschikbaarheid (tegen redelijke voorwaarden) van de standaard voor derden werd gefrustreerd. Beide omstandigheden doen zich in het hier aan de orde zijnde geval niet voor. Het bestaan van EP 511 heeft niet op een dergelijke wijze de totstandkoming van de UMTS-standaard beïnvloed, die er immers op was gericht tot een technisch optimale standaard te komen ongeacht het bestaan van octrooibescherming voor een gekozen oplossing, terwijl voorts Philips reeds een Frand-verklaring had afgegeven, zodat de beschikbaarheid van de technische oplossing voor derden onder Frand-voorwaarden reeds was verzekerd. Dat Philips ook andere octrooiaanvragen (EP 659 en EP 525) niet onmiddellijk zou hebben aangemeld, waarop Asus heeft gewezen, maakt dat niet anders. Ook daarvoor geldt dat dit in lijn was met ‘common practise’ (zie de verklaring van [A]) en dat de bereidheid van Philips om onder die octrooien licenties te verlenen onder Frand-voorwaarden was gegarandeerd door de algemene licentieverklaring uit 1998.

4.162 De verwijzing naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Den Haag inzake Philips / LG (11 juni 2007) biedt Asus evenmin soelaas. Ook daarin was het streven te komen tot een rechtenvrije standaard (namelijk de JPEG-standaard). In het licht daarvan resulteerde het niet melden van octrooibescherming voor een in de standaard opgenomen technische oplossing erin dat Philips die octrooirechten niet mocht uitoefenen. Zoals reeds overwogen werd bij de totstandkoming van de UMTS-standaard niet gestreefd naar een rechten-vrije, maar naar een technisch optimale standaard met de beschikbaarheid van licenties op SEPs onder Frand-voorwaarden. Deze doelstellingen zijn door Philips op geen enkele wijze gefrustreerd.

4.163 Gelet op al het voorgaande is van de door Asus gestelde misbruik van machtspositie wegens schending van artikel 4.1 ETSI IPR Policy naar het oordeel van het hof geen sprake en evenmin heeft Philips daardoor haar recht op handhaving van EP 511 verwerkt.

4.164 Evenmin geeft de door Asus in par. 11 PA-Frand geciteerde paragraaf 286 van de Richtsnoeren inzake horizontale overeenkomsten aanleiding aan te nemen dat Philips zou hebben gehandeld in strijd met artikel 101 lid 1 VWEU, zoals voor het eerst bij pleidooi in appel door Asus aangevoerd. Uit die paragraaf volgt immers dat de tijdige melding van intellectuele eigendomsrechten van belang wordt geacht om toegang tot de standaard te garanderen. Dat kan – en in het geval van Philips is – ook worden gewaarborgd door een algemene licentieverklaring. Dat wordt in de Richtsnoer ook onderkend getuige de passage “It is also sufficient if the participant declares that it is likely to have IPR claims over a particular technology (without identifying specific IPR claims or applications for IPR)”. Dat er sprake zou zijn van enige afspraak tussen meerdere ondernemingen (inhoudende dat artikel 4.1 ETSI IPR Policy niet hoeft te worden nageleefd) die bedoeld is om de mededinging te beperken in de zin van artikel 101 lid 1 VWEU, zoals Asus aanvoert, kan daarom niet worden aangenomen.

- het Huawei / ZTE arrest

4.165 Daarnaast heeft Asus aangevoerd dat Philips niet heeft voldaan aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het arrest Huawei / ZTE, zodat zij met het instellen van een verbodsvordering jegens Asus misbruik maakt van haar machtspositie. Zij stelde zich daarbij aanvankelijk op het standpunt dat Philips niet had voldaan aan haar notificatieplicht (zie 4.167 hierna), doch bij pleidooi (par. 61 PA-Frand) heeft Asus erkend dat Philips daaraan heeft voldaan. Verder stelt Asus dat Philips niet heeft voldaan aan de volgens Asus in r.o. 63 van het Huawei / ZTE arrest besloten liggende verplichting om te onderbouwen waarom de voorgestelde royaltyvergoeding Frand zou zijn (ook wel aangeduid als de substantiëringspicht). Philips daarentegen is van oordeel dat Asus zich niet een ‘willing licensee’ heeft getoond, zodat Asus niet heeft voldaan aan de in het Huawei / ZTE arrest gestelde basisvoorwaarde voor het kunnen voeren van een Frand-verweer. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

4.166 In het Huawei / ZTE arrest geeft het HvJ EU een stappenplan waarin is uiteengezet wie wat moet doen op welk moment, alvorens een SEP-houder een verbodsvordering kan instellen zonder misbruik te maken van zijn (in die zaak veronderstelde) machtspositie.

4.167 De eerste stap (r.o. 61) is dat de SEP-houder de gebruiker van een standard essentieel octrooi (SEP-gebruiker) in kennis dient te stellen van de inbreuk die hem wordt verweten, met vermelding van het ingeroepen SEP en met precisering van de wijze waarop daarop inbreuk is gemaakt. Dit wordt ook wel aangeduid als de notificatieplicht. De reden dat de SEP-houder de eerste stap moet zetten, ook als er al gebruik wordt gemaakt van zijn SEP, is dat het gelet op het grote aantal SEPs waaruit een standaard bestaat, niet zeker is dat degene die inbreuk maakt op een van deze SEPs zich daarvan bewust is (r.o. 62). Deze benadering is anders dan die daarvoor was gehanteerd door de rechtbank Den Haag in Philips / SK Kassetten (17 maart 2010).

4.168 Uit de aanhef van r.o. 63 van het Huawei / ZTE arrest “Anderzijds dient de houder van dit SEO, nadat de vermeende inbreukmaker te kennen heeft gegeven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden, deze inbreukmaker een concreet en schriftelijk aanbod van een licentie onder FRAND-voorwaarden te doen” volgt dat de tweede stap is dat de SEP-gebruiker vervolgens te kennen dient te geven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder Frand-voorwaarden. Hij dient zich met andere woorden een ‘willing licensee’ te tonen.

4.169 Indien dit is gebeurd dient de SEP-houder een licentie-aanbod te doen. Aan het slot van r.o. 63 overweegt het HvJ EU dat de SEP-houder bij zijn licentie-aanbod met name de royalty en de wijze van berekening daarvan nader dient aan te geven. In de daarop volgende rechtsoverweging (r.o. 64) maakt het HvJ EU duidelijk dat het aan de SEP-houder (en dus niet de SEP-gebruiker) is om een licentievoorstel te doen, omdat hij zich jegens de SSO heeft verbonden om licenties onder Frand-voorwaarden te verlenen, zodat van hem kan worden verwacht dat hij een dergelijk aanbod doet. Daarnaast overweegt het HvJ EU dat de SEP-houder in een betere positie verkeert dan de SEP-gebruiker om te onderzoeken of het aanbod voldoet aan het discriminatieverbod, gelet op het feit dat de met concurrenten gesloten overeenkomsten niet openbaar plegen te zijn.

4.170 Daarna is de SEP-gebruiker aan zet. Hij dient met bekwame spoed overeenkomstig de handelsgebruiken en te goeder trouw gevolg te geven aan dit aanbod. Dat houdt met name in dat er geen sprake is van vertragingstactiek. Als de SEP-gebruiker het hem gedane aanbod niet aanvaardt, kan hij slechts aanvoeren dat een vordering tot staken of tot terugroeping van producten misbruik oplevert, indien hij de SEP-houder op korte termijn en schriftelijk een concreet tegenaanbod doet dat aan de Frand-voorwaarden beantwoordt (r.o. 65-66).

4.171 Het hof is van oordeel dat het HvJ EU met het in het Huawei / ZTE gegeven stappenplan niet heeft beoogd strikte regels te stellen, in die zin dat indien de SEP-houder niet aan een van de stappen precies en volledig zou hebben voldaan, dat direct en noodzakelijkerwijs met zich zou brengen dat handhaving van zijn SEP misbruik van machtspositie zou opleveren, ongeacht de verdere omstandigheden van het geval. Zoals door het HvJ EU in r.o. 55 en 56 tot uitdrukking gebracht moet bij de beoordeling van de vraag of handhaving van zijn octrooirechten door een SEP-houder als misbruik kan worden aangemerkt, rekening worden gehouden met de feitelijke omstandigheden van de zaak. Veeleer zijn de door het HvJ EU in het Huawei / ZTE arrest genoemde stappen daarom aan te merken als richtlijnen voor te goeder trouw onderhandelingen tussen partijen over een Frand-licentie. Enerzijds mag daarbij van de SEP-houder worden verwacht dat hij de SEP-gebruiker op de hoogte stelt van zijn SEPs, dat hij als eerste een licentie-aanbod doet en dat hij daarover te goeder trouw in onderhandeling treedt alvorens een verbodsactie in te stellen, zodat de onderhandelingen zonder druk van een dreigend verbod gevoerd kunnen worden. Anderzijds dient de SEP-gebruiker zich bereidwillig op te stellen en in het bijzonder geen vertragingstactieken toe te passen, hetgeen onder meer inhoudt dat hij op korte termijn een schriftelijk tegenvoorstel moet doen als hij het licentie-aanbod van de SEP-houder niet wil aanvaarden. De High Court in Engeland (Birss, J) heeft dat in de Unwired Planet v Huawei uitspraak (van 7 juni 2017, [2017] EHWC 711 (pat), bekrachtigd door de Court of Appeal bij uitspraak van 23 oktober 2018, [2018] EWCA Civ 2344) als volgt tot uitdrukking gebracht:

(…) the judgment does not hold that if the circumstances diverge from the scheme set out in any way then a patentee will necessarily abuse their dominant position by starting such a claim. In those circumstances the patentee's conduct may or may not be abusive. The scheme sets out standard of behaviour against which both parties behaviour can be measured to decide in all the circumstances if an abuse has taken place.

4.172 Uit de gedetailleerde verklaring van 25 augustus 2016 van [B] (Principal Licensing Counsel in het Intellectual Property and Standards Department van Philips, hierna [B]), die persoonlijk bij alle besprekingen met Asus betrokken is geweest, komt het volgende beeld naar voren. Medio 2013 heeft Philips contact gezocht met Asus en haar op de hoogte gesteld van de octrooiportfolio van Philips met betrekking tot de UMTS / LTE-standaard die Asus in een aantal van haar producten toepast(e). Op initiatief en na aandringen van Philips heeft een bespreking plaatsgevonden op 20 november 2013, waarin Philips haar portfolio en de relevantie daarvan voor een aantal van de producten van Asus heeft toegelicht. Tijdens die bespreking is een notificatiebrief overhandigd waarin een aantal volgens Philips inbreukmakende producten van Asus met name zijn genoemd en waaraan een lijst was gehecht met een aantal relevante octrooien (waaronder EP 511, EP 649 en EP 525) uit de portfolio van Philips, met vermelding van de standaard waarin deze zijn opgenomen. Zowel tijdens de bespreking als in de brief (onder verwijzing naar haar ‘undertakings to ETSI’) heeft Philips melding gemaakt van haar bereidheid een licentie onder Frand-voorwaarden aan te gaan. Na deze bespreking zijn steeds op initiatief van Philips verdere besprekingen gehouden, die steeds plaatsvonden in Taiwan, steeds – in meerderheid zelfs uitsluitend – werden bijgewoond door de heer [C] van Legal Affairs Center van Asus ([C]) en die steeds na enkele uren door Asus werden beëindigd. Tijdens die verdere besprekingen heeft Philips, naast de inhoud en omvang van haar portfolio en een aantal van haar SEPs aan de hand van claim charts, ook haar licentieprogramma, waaronder de standaard royaltyvergoeding, toegelicht. Bij geen van de besprekingen is het gekomen tot een inhoudelijke technische discussie of reactie van de zijde van Asus, omdat de expertise daarvoor bij [C] ontbrak. Een reactie op de licentievoorwaarden is evenzeer achterwege gebleven, omdat [C] daarin geen interesse toonde en een discussie over de licentie(voorwaarden) door hem uit de weg werd gegaan. Evenmin heeft Asus geïnformeerd naar (de inhoud van) licentieovereenkomsten die Philips met derden had afgesloten. Na geen enkele bespreking liet Asus van zich horen.

4.173 Op 21 september 2015 heeft Philips, samen met een lijst van relevante UMTS / LTE octrooien en claim charts, een licentieovereenkomst aan Asus toegestuurd, onder vermelding dat dit een ‘standard licence agreement for UMTS/LTE’ betrof. Daarin zijn onder meer ook de hoogte van de royaltyvergoeding en de wijze van berekening daarvan gespecificeerd. Een reactie daarop, ook nadat Philips daarom uitdrukkelijk had verzocht, is uitgebleven. Tijdens de daaropvolgende bespreking op 15 november 2015 bleef een inhoudelijke discussie over de licentievoorwaarden opnieuw uit en heeft Asus ook geen tegenvoorstel gedaan. [C] merkte op dat het lastig is SEPs te handhaven en deelde voorts mede ‘if the gap is too big management won’t give counteroffer’. Ook na deze bespreking is een reactie van Asus uitgebleven, hoewel Philips aan het einde van de bespreking te kennen had gegeven een tegenvoorstel van Asus te verwachten. Op 15 december 2015 – bijna drie maanden na toezending van de standaard licentieovereenkomst – heeft Philips de dagvaarding in onderhavige procedure uitgebracht.

4.174 Daar heeft Asus de verklaring van [C] van 9 januari 2018 tegenovergesteld. Hij heeft de gedetailleerde verklaring van [B] niet anders bestreden dan met de algemene verklaring

the initial discussions ASUS had with Philips never involved a concrete license proposal from Philips to ASUS. As is usual with these kinds of discussions the technical aspects are dealt with before the parties engage in commercial discussions. During these meetings I expressed ASUS' willingness to conclude a license for Philips' portfolio multiple times. I never indicated that ASUS was not willing to conclude such a license and Philips never questioned ASUS' willingness. ASUS has always been willing to conclude a license on FRAND conditions and still is.”.

Daarmee is onbestreden gebleven dat Philips haar UMTS / LTE portfolio heeft toegelicht onder meer aan de hand van claim charts, dat [C] de benodigde expertise ontbeerde voor technisch-inhoudelijke discussies, dat Philips na de ‘initial discussons’ in latere besprekingen wel haar licentievoorwaarden aan de orde heeft gesteld, dat Asus daarop nimmer inhoudelijk heeft gereageerd, dat de besprekingen steeds op initiatief van Philips plaatsvonden en door Asus steeds na enkele uren werden afgebroken, en voorts dat Asus, ook als zij de bereidheid om een licentieovereenkomst zou hebben uitgesproken, zij daartoe geen daadwerkelijke bereidheid heeft getoond.

4.175 [C] heeft verder (alleen nog) verklaard:

In fact Philips itself indicated that it was not ready for commercial discussions until the end of 2015 (see Annexes 2 and 3 attached to this Declaration). Only in November 2015 ASUS and Philips for the first time discussed face to face a specific license proposal made by Philips. This was the only meeting that ASUS and Philips had where such a specific license proposal was discussed. During this meeting it was agreed that Philips would come up with a new license proposal to better fit the specific situation of ASUS. ASUS did not hear back from Philips until three and a half weeks later when ASUS was summoned in Dutch, German, UK, French and US courts for patent infringement”.

Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Uit de bijgesloten Annex 2, de e-mail van Philips van 17 mei 2015 ter voorbereiding van de (zevende) bespreking van 2 juni 2015, blijkt juist het tegendeel van hetgeen [C] verklaart, namelijk dat Philips toen al (en ook al in januari daarvoor) aanstuurde op bespreking van de licentievoorwaarden. Philips stelt daarin: “We would like to cover the following topics in our meeting: (…) UMTS/LTE business discussions: at our last UMTS meeting in January we discussed the need to have business discussions at our next UMTS meeting, and we will be prepared for this discussion on June 2nd”. Daaruit valt geenszins af te leiden dat Philips toen nog niet over een licentieovereenkomst wenste te spreken zoals [C] verklaart. Veeleer blijkt daaruit dat Philips de bespreking van de licentievoorwaarden nadrukkelijk op de agenda wenste te zetten, nadat dit in januari ook al aan de orde was gesteld. Uit de e-mail van Philips aan Asus van 12 december 2014 volgt overigens dat de licentievoorwaarden in de bespreking van 10 december 2014 reeds aan de orde waren gesteld, getuigde de door Philips uitgesproken hoop bij de volgende bespreking een tegenvoorstel te mogen ontvangen: “(…) and possibly hear from you a commercial counterproposal for the UMTS/LTE licence.” Voorts acht het hof ongeloofwaardig dat – anders dan [B] heeft verklaard – Philips tijdens de bespreking van 20 november 2015 toegezegd zou hebben met een alternatief voorstel voor een licentieovereenkomst te komen, Als partijen al een dergelijke – overigens ook afwijkend van het stramien van het toen al uitgesproken Huawei / ZTE arrest, waarmee partijen geacht moeten worden op de hoogte te zijn geweest – afspraak gemaakt zouden hebben, dan had het voor de hand gelegen dat Asus na ontvangst van de dagvaarding Philips op die toezegging zou hebben aangesproken. Gesteld noch gebleken is dat Asus dat heeft gedaan.

4.176 [B] heeft in reactie op de verklaring van [C] op 12 februari 2018 nogmaals een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin hij in detail de verklaring van [C] weerspreekt. Hij bestrijdt dat [C] (of een andere vertegenwoordiger van Asus) ooit de expliciete bereidheid heeft uitgesproken met Philips een licentieovereenkomst aan te gaan. Voorts verklaart hij dat Philips reeds vanaf de eerste bespreking bereid was over licentievoorwaarden te spreken, en in elk geval tijdens de besprekingen van 24 maart 2014, 10 december 2014 en 2 juni 2015 het standaard licentievoorstel van Philips aan te orde te hebben gesteld. Over de bespreking van 2 juni 2015 verklaart [B] dat – ondanks de aankondiging van Philips dat zij de licentieovereenkomst wilde bespreken en haar licentieteam mee had genomen – slechts 20 minuten de gelegenheid kreeg het voorstel van Philips te bespreken waarna de bespreking werd afgebroken en voorts dat een aanbod aan [C] om hem een conceptovereenkomst te geven tijdens die bespreking door [C] is afgeslagen. Over de laatste (en achtste) bespreking van 20 november 2015 verklaart [B] dat Philips aan het eind van de bespreking duidelijk heeft gemaakt dat Philips bereid was ieder tegenvoorstel van Asus te overwegen, maar dat als Asus werkelijk geïnteresseerd was in een licentieovereenkomst, het nu aan Asus was om spoedig met een tegenvoorstel te komen. Hij bestrijdt nadrukkelijk de stelling van [C] dat Philips aan het eind van de bespreking op 20 november zou hebben toegezegd dat zij een nieuw voorstel zou doen.

4.177 Hoewel daarvoor voldoende gelegenheid is geweest heeft Asus daarop niet meer gereageerd met een nadere verklaring van [C]. In het licht daarvan is het door Asus gedane aanbod om met een getuigenverklaring van [C] nader te staven hetgeen er feitelijk tussen partijen is besproken en voorgevallen en de onderhandelingsbereidheid van Asus, zonder toe te lichten wat [C] in aanvulling op zijn eerdere verklaring nog zou kunnen verklaren, onvoldoende gespecificeerd, zodat dit wordt gepasseerd. Gelet op dat alles houdt het hof hetgeen [B] heeft verklaard over het verloop en inhoud van de besprekingen tussen Philips en Asus voorafgaand aan onderhavige procedure voor juist.

4.178 Op grond van de verklaringen van [B] komt het hof tot de vaststelling dat Philips reeds medio 2013, ruim voorafgaand aan het aanhangig maken van onderhavige procedure, Asus op de hoogte heeft gesteld van haar SEPs en voorts in de bespreking en brief van 20 november 2013 en daarop volgende besprekingen heeft toegelicht, mede aan de hand van claim charts, waarom zij meende dat Asus daarvan gebruik maakte. Zoals blijkt uit de e-mail van Philips van 17 mei 2015 heeft zij Asus alle gelegenheid gegeven daarop te reageren: “UMTS/LTE technical discussions: at our last UMTS meeting in January we provided Philips' response on all the issues raised by Asus, and provided an updated presentation at our meeting in April covering the additional points raised in our discussion. We would expect to hear your further comments, if any, in response to this material.” Philips heeft zich voorts van aanvang af bereid verklaard met Asus een licentieovereenkomst onder Frand-voorwaarden aan te gaan, zoals ook vermeld in de brief van 20 november 2013. Daarmee heeft Philips aan haar notificatieplicht voldaan. Dat Philips aan haar notificatieplicht heeft voldaan heeft Asus ook erkend (zie 4.165).

4.179 Voorts blijkt uit de verklaringen van [B] genoegzaam dat Asus zich geen ‘willing licensee’ heeft getoond tijdens de onderhandelingen. Het enkel bewilligen in het houden van besprekingen is daartoe onvoldoende. Asus heeft geen enkel initiatief genomen voor het houden van de besprekingen. Zij heeft Philips herhaaldelijk verzocht om technische toelichting, zonder vertegenwoordigers met de benodigde expertise aan de gesprekken te laten deelnemen. Na enkele uren werden de gesprekken afgebroken, zodat de verzochte technische toelichting niet kon worden afgerond en/of niet werd toegekomen aan de bespreking van de licentievoorwaarden en een nadere bespreking moest worden gepland. Na geen enkele bespreking heeft Asus gereageerd op hetgeen door Philips aan de orde was gesteld, in het bijzonder niet ten aanzien van de licentievoorwaarden. Dat alles overziend kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de Asus zich niet constructief heeft opgesteld in de besprekingen met Philips en de verzoeken om technische toelichting kennelijk het doel hebben gehad inhoudelijke discussie over de licentievoorwaarden te vermijden en zoveel mogelijk vertraging te veroorzaken. Dit gedrag wordt ook wel aangeduid als ‘hold-out’ en is door het HvJ EU in het Huawei / ZTE arrest aangemerkt als ‘delaying tactics’ waarvan de SEP-gebruiker zich heeft te onthouden (r.o. 65).

4.180 Uit het Huawei/ZTE arrest volgt dat – mits de SEP-houder voorafgaand aan de procedure aan zijn notificatieplicht heeft voldaan, hetgeen hier het geval is (zie 4.178) – het een voorwaarde is voor het ontstaan van de verplichting aan de zijde van de SEP-houder om een Frand licentieaanbod te doen, dat de SEP-gebruiker na ontvangst van de notificatie zich bereid heeft getoond een licentie-overeenkomst onder Frand-voorwaarden aan te gaan. Die voorwaarde is niet vervuld omdat, zoals hiervoor overwogen, de daadwerkelijke bereidheid aan de zijde van Asus om te goeder trouw te onderhandelen over het aangaan van een licentieovereenkomst onder Frandvoorwaarden ontbrak. Aldus was Philips niet gehouden een licentievoorstel aan Asus te doen en stond het haar vrij een verbodsactie tegen Asus te beginnen.

4.181 Niettemin heeft Philips op 21 september 2015 haar standaard licentieovereenkomst aan Asus aangeboden en zich bereid getoond over een tegenvoorstel van Asus te onderhandelen. Tijdens de bespreking van 20 november 2015 heeft Asus zich beperkt tot het naar voren brengen van de ‘specifieke situatie van Asus’ zonder evenwel zelf oplossingen daarvoor voor te stellen. Voor, tijdens of binnen redelijke tijd na die bespreking is geen tegenvoorstel door Asus gedaan. Dat dit in het kader van te goeder trouw onderhandelingen van haar mocht worden verwacht moet Asus geacht worden te hebben geweten gelet op (met name ook r.o. 65 en 66 van) het inmiddels, op 16 juli 2015, uitgesproken Huawei / ZTE arrest.

4.182 Volgens Asus zou dat licentie-voorstel niet aan de voorwaarden van het Huawei/ZTE arrest voldoen omdat Philips niet zou hebben gespecificeerd dat en waarom dit voorstel Frand zou zijn. Dat standpunt van Asus is niet relevant omdat Philips reeds voordat zij het aanbod deed gerechtigd was een verbodsactie in te stellen en daarnaast ook onjuist, waartoe het hof ten overvloede als volgt overweegt.

4.183 Uit r.o. 63 kan niet worden afgeleid dat daarin het vereiste besloten ligt dat de SEP-houder in zijn licentie-aanbod toelicht waarom dat aanbod Frand zou zijn, net zo min als die voorwaarde expliciet of impliciet is opgenomen ten aanzien van het tegenaanbod door de SEP-gebruiker. Hetgeen het HvJ EU in r.o. 63 en 64 overweegt dient te worden begrepen in het licht van de aan het HvJ EU voorgelegde vragen van de Duitse rechter, tegen de achtergrond van de Orange Book beslissing van het Duitse Bundesgerichtshof, waarin was bepaald dat de SEP-gebruiker als eerste een licentievoorstel moest doen. Om de redenen gegeven in r.o. 64 (de SEP-houder heeft een Frand-verklaring afgelegd en is in de beste positie om een eerste voorstel te doen) heeft het HvJ EU gekozen voor een andere benadering dan in Orange Book, door te overwegen dat het de SEP-houder is die het licentievoorstel moet doen (indien en nadat de SEP-gebruiker zich een ‘willing licensee’ heeft getoond). Als onderdeel van de derde prejudiciële vraag was voorts aan het HvJ EU voorgelegd of het licentievoorstel alle bepalingen dient bevatten die gewoonlijk in licentieovereenkomsten op het betrokken technische gebied worden opgenomen. Tegen die achtergrond moet de zinsnede “the amount of the royalty and the way in which that royalty is to be calculated” uit r.o. 63 daarom zo worden begrepen dat het HvJ EU met name van belang acht dat in het aanbod uiteengezet wordt niet alleen wat de royaltyvergoeding is, maar de manier waarop die moet worden berekend. In dat verband is ook in aanmerking te nemen dat er vele modaliteiten zijn voor de berekening van de royalty (bijvoorbeeld op basis van het hele product of alleen een onderdeel ervan, percentages, in- en verkoopprijzen, kosten, staffels, etc.).

4.184 Ook indien – anders dan hiervoor overwogen – wel geoordeeld zou moeten worden dat Philips gehouden was een Frand licentievoorstel aan Asus te doen, dan nog stond het Philips vrij onderhavige verbodsactie te beginnen, omdat Asus heeft nagelaten met bekwame spoed en te goeder trouw gevolg te geven aan de door Philips op 21 september 2015 toegezonden standaard licentieovereenkomst (zie 4.181 hiervoor).

4.185 Het nadien, na het aanhangig maken van de procedures door Philips, door Asus gedane tegenaanbod (als onderdeel van de Duitse procedure) kan daar niet aan afdoen. Het stond Philips vrij de verbodsactie aanhangig te maken wegens de afwezigheid van de vereiste Frand-houding bij Asus en het achterwege blijven van een tegenaanbod onder Frand voorwaarden met de vereiste bekwame spoed. Eerst na het aanhangig maken van de verbodsactie getoonde bereidheid om in onderhandeling te treden over een licentieovereenkomst en een eventueel in dat verband gedaan tegenaanbod kan er hooguit toe leiden dat de SEP-houder daarover (parallel aan de procedure) te goeder trouw onderhandelt met de SEP-gebruiker, maar kan er niet toe leiden dat de reeds aanhangig gemaakte procedure alsnog – achteraf bezien – als een misbruik van machtspositie zou moeten worden aangemerkt, dan wel dat van de SEP-houder verwacht mag worden dat hij deze procedure zou aanhouden. Dat zou de deur openzetten naar vertragingstactieken aan de zijde van een SEP-gebruiker, wat moet worden voorkomen, zoals het HvJ EU heeft overwogen (r.o. 65). Daarenboven voldoet dit tegenaanbod niet aan de ook van een SEP-gebruiker vereiste ‘Frand-benadering’ bij het doen van een tegenaanbod, nu dit niet is gebaseerd op de portfolio van Philips voor de UMTS / LTE standaard, maar op de portfolio van Motorola op een heel ander technisch gebied, namelijk de Wifi technologie. Dat geldt temeer nu Asus wel om uitvoerige informatie over de UMTS/LTE portfolio heeft gevraagd en gekregen, zodat zij wel in staat geacht moet worden een daarop gebaseerd tegenaanbod te kunnen doen. Op Philips rustte derhalve niet de verplichting op basis van dat voorstel alsnog (parallel aan de procedure) met Asus onderhandelingen aan te gaan. Enige andere daadwerkelijke constructieve toenadering door Asus in reactie op het door Philips gedane aanbod is niet gesteld noch gebleken. De enkele stelling in de processtukken dat Asus bereid is te onderhandelen is, zeker gelet op de voorgeschiedenis, onvoldoende.

4.186 Het standpunt van Asus dat zij zich, ook indien zij niet als ‘willing licensee’ kan worden beschouwd en zich ook overigens niet heeft gehouden aan de door het HvJ EU gegeven ‘gedragsregels’, niettemin kan beroepen op misbruik van machtspositie door Philips enkel vanwege de handhaving van haar standaard essentieel octrooi, kan gelet op de beschikkingen van de EC en het Huawei / ZTE arrest niet als juist worden aanvaard. Gegeven het gebrek aan daadwerkelijke bereidheid van Asus om met Philips een licentie-overeenkomst onder Frand-voorwaarden aan te gaan, alsmede hetgeen onder 4.163 is overwogen, staat het Philips vrij haar SEP te handhaven. De vraag of Philips daadwerkelijk een economische machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU heeft, hetgeen Asus heeft gesteld maar Philips heeft betwist, hoeft bij die stand van zaken niet te worden beantwoord. Nu Asus niet kan worden aangemerkt als een willing licensee en het Philips naar het oordeel van het hof vrijstond haar octrooi door het aanhangig maken van onderhavige procedure jegens Asus te handhaven, behoeft de vraag of het openingsbod van Philips – de standaard licentie-overeenkomst voor UMTS / LTE – voldoet aan Frand-voorwaarden evenmin beantwoording.

derdenbeding / strijd met de precontractuele goede trouw / misbruik van recht

4.187 Op dezelfde gronden als hiervoor in het kader van het Frand-verweer overwogen, strandt ook het verweer van Asus dat Philips haar octrooi niet jegens Asus zou mogen handhaven omdat dit in strijd zou zijn met de ETSI Frand-verklaring van Philips, dan wel in strijd met de precontractuele goede trouw en/of misbruik van recht zou opleveren. Ook voor zover gebaseerd op die grondslagen staat immers het gebrek aan daadwerkelijke bereidheid aan de zijde van Asus om een licentieovereenkomst te sluiten en daarover te goeder trouw te onderhandelen, aan het slagen van die verweren in de weg, zoals Philips onder meer onder verwijzing naar het Philips / SK Kassetten vonnis en de – door Asus niet bestreden – verklaring van haar partij-deskundige professor Passa (over de inhoud en betekenis van de Frand-verklaring naar Frans recht) heeft aangevoerd.”

4.151 Daar waar in r.o. 4.147, 4.148, 4.153, 4.160 en 4.161 van het EP 511-arrest is gerefereerd aan EP 511, dient in onderhavige zaak EP 525 gelezen te worden. Hetgeen in die rechtsoverwegingen met betrekking tot EP 511 is overwogen geldt gelijkelijk voor EP 525. Voor wat betreft r.o. 4.147 van het EP 511-arrest geldt daarbij dat in onderhavige zaak de maatregelen van conclusies 10, 11 en 14 van EP 525 in (het HSDPA-protocol van) de UMTS-standaard zijn geïmplementeerd; in verband met r.o. 4.153 van het EP511-arrest geldt dat de indienings- en verleningsdatum van EP 525 15 oktober 2002 respectievelijk 9 mei 2012 is.

4.152 Voor het overige neemt het hof over en blijft zij bij hetgeen zij in het EP 511-arrest heeft overwogen. Hetgeen Asus in onderhavige zaak naar voren heeft gebracht in aanvulling op hetgeen zij in de EP 511-zaak heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.153 Asus heeft de op de website van ETSI gepubliceerde ‘public statement on IPR policy’ van ETSI’s Director General overgelegd. Hij heeft verklaard dat “ETSI does not take any position regarding the correct interpretation of its IPR policy and its IPR guide. The ETSI IPR policy and the IPR Guide texts stand as independent documents in their own rights”. Asus heeft daarover in haar akte opgemerkt dat dit “illustreert dat dhr. [A] in strijd handelt met het beleid van zijn eigen organisatie om geen uitlatingen te doen over hoe de IPR Policy dient te worden uitgelegd.”. Wat daarvan zij, de ‘public statement’ is voor het hof geen aanleiding de verklaring van [A] terzijde te laten. De juistheid van hetgeen [A] – op persoonlijke titel en op basis van zijn ervaringen – heeft verklaard is door Asus niet gemotiveerd weersproken.

4.154 Volgens Asus vallen de gevolgen die het hof in zijn arrest van 7 mei 2019 in de EP 511-zaak heeft verbonden aan het ontbreken van willingness aan de zijde van Asus, niet te rijmen met het juridische kader zoals in dat arrest uiteengezet, in het bijzonder het oordeel in r.o. 4.171 van het EP 511-arrest dat alle omstandigheden van het geval relevant zijn.

4.155 Met dat standpunt miskent Asus dat het oordeel van het hof, dat de door het HvJ EU in het Huawei / ZTE arrest genoemde stappen zijn aan te merken als richtlijnen, in die zin dat niet altijd precies en volledig aan ieder van de stappen moet worden voldaan en rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden van de zaak, niet inhoudt dat een van de stappen volledig kan worden overgeslagen. Zoals ook volgt uit hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen, is het bestaan van willingness aan de zijde van de SEP-gebruiker juist het vereiste waaraan moet zijn voldaan, alvorens aan de zijde van de SEP-houder de verplichting tot het doen van een licentie-aanbod onder Frand-voorwaarden ontstaat en een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen aannemen van misbruik van machtspositie aan de zijde van de SEP-houder (zie ook r.o. 4.149 van het EP 511-arrest).

4.156 Dat enkel de notificatieplicht van de SEP-houder een strikte voorwaarde zou zijn, zoals Asus heeft betoogd, is dus onjuist. Die notificatieplicht is een primaire vereiste waaraan de SEP-houder dient te voldoen en gaat aan de stap van het tonen van willingness door de SEP-gebruiker vooraf. Indien en zolang de SEP-gebruiker zich, nadat die notificatie heeft plaatsgevonden, niet een willing licensee heeft getoond, ontstaat er geen verplichting tot het doen van een licentie-aanbod en kan de SEP-houder evenmin beticht worden van misbruik van machtspositie. Anders dan Asus stelt kan in de beslissing van de High Court, waarnaar het hof in r.o. 4.171 van het EP 511-arrest heeft verwezen, geen bevestiging voor het standpunt van Asus worden gevonden. Daarin wordt immers bij de uiteenzetting van de uit het Huawei / ZTE arrest af te leiden principes in de eerste plaats (in paragraaf 744 onder ii) erop gewezen “that the implementer and patentee must express a willingness to conclude a licence on FRAND terms” en dat het HvJ EU daarmee “is referring to a willingness in general terms”. Evenmin kan steun worden gevonden voor het standpunt van Asus in paragraaf 253 van de beslissing van de Court of Appeal in die zaak:

253. Secondly, the only requirement that must be satisfied before proceedings are commenced is that set out by the CJEU at [60], namely that the SEP owner gives notice to or consults with the implementer; and what amounts to sufficient notice will depend on all the circumstances”.

Zoals blijkt uit de daaraan voorafgaande paragrafen:

251. Huawei contended at trial that the CJEU has here laid down a set of mandatory conditions with which a SEP owner must comply before starting an action seeking injunctive relief, and that if it fails to do so its claim for an injunction necessarily amounts to abusive conduct. It argued that UP was in breach of these conditions in that it issued these proceedings without (i) designating the patents said to be infringed; or (ii) presenting to Huawei a licensing offer of any kind, still less a FRAND offer. In these circumstances Huawei was entitled to rely on these deficiencies as a defence to the claim for an injunction.

252. The judge rejected these contentions. We think his reasoning can be distilled into the following propositions. First, the SEP owner must be committed to license its SEPs on FRAND terms, must make that clear to the implementer and must put forward concrete proposals; it is this commitment that matters and not whether the SEP owner has actually made an offer on terms which are ultimately found to be FRAND (see [738] and [744 (ii)]).

ziet paragraaf 253 immers uitsluitend op de verplichtingen die ingevolge het Huawei / ZTE arrest rusten op de SEP-houder. Daaruit kan dus niet worden afgeleid dat de SEP-gebruiker niet ook bereidheid zou hoeven te tonen om een licentie-overeenkomst onder Frand-voorwaarden aan te gaan.

4.157 Zoals het hof in het EP 511-arrest heeft overwogen, heeft Philips aan haar notificatieplicht voldaan en ook blijk gegeven van haar bereidheid om met Asus te goeder trouw te onderhandelen over het aangaan van een licentie-overeenkomst onder Frand-voorwaarden.

4.158 Asus stelt thans dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat Philips (tijdig) aan haar notificatieplicht heeft voldaan, omdat dit eerst op 21 september 2015 zou zijn gebeurd. Die stelling moet worden verworpen. Zoals de Court of Appeal (in par. 253) terecht heeft overwogen en door het hof in r.o. 4.171 van het EP 511-arrest tot uitdrukking heeft gebracht, moet de vraag of voldoende notificatie heeft plaatsgevonden worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Deze zijn voor de onderhavige zaak door het hof uiteengezet in r.o. 4.172 - 4.178 van het EP 511-arrest. Hetgeen Asus daartegen nog te berde heeft gebracht kan niet leiden tot een ander oordeel. Doel en strekking van de notificatie is blijkens het Huawei / ZTE arrest dat de SEP-gebruiker weet welke rechten er worden ingeroepen en hoe en met welke producten daarop inbreuk wordt gemaakt. Of daaraan is voldaan hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat daarvoor steeds noodzakelijk is dat van alle ingeroepen octrooien claim charts worden overgelegd, waarvan Asus uit lijkt te gaan, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard.

4.159 Reeds bij brief van 20 november 2013 is Asus door Philips op de hoogte gesteld van haar UMTS/LTE octrooiportefeuille. Philips heeft tijdens diverse besprekingen daarna een toelichting daarop verstrekt, mede aan de hand van diverse claim charts, zoals ook blijkt uit de e-mail van Philips van 23 november 2013: “As we ran out of time last week, we had agreed to schedule a meeting to discuss the UMTS/LTE programme and to introduce some claim charts.”. Asus heeft ruimschoots gelegenheid gehad vragen te stellen. Blijkens de e-mail van Philips van 17 mei 2015 heeft Philips alle vragen van Asus beantwoord en haar uitgenodigd desgewenst daarop verder te reageren: “at our last UMTS meeting in January we provided Philips’ response on all the issues raised by Asus, and provided an updated presentation at our meeting in April covering the additional points raised in our discussion. We would expect to hear your further comment, if any, in response to this material.”. Naar Philips onbestreden heeft gesteld is een reactie van Asus daarop uitgebleven. Daaruit volgt dat naar het oordeel van het hof Philips in elk geval op 17 mei 2015 aan haar notificatieplicht had voldaan.

4.160 Daar staat tegenover dat Asus zich op geen enkel moment voorafgaand aan deze procedure een willing licensee heeft getoond, zoals het hof in r.o. 4.179 van het EP 511-arrest heeft geconcludeerd, aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden, zoals uiteengezet in r.o. 4.172-4.178 van dat arrest.

4.161 Ook hetgeen Asus na het EP 511-arrest daaromtrent heeft aangevoerd, waaronder een verdere verklaring van de heer [C], leidt niet tot een ander oordeel. [C] heeft de bereidheid van Asus om een licentie-overeenkomst aan te gaan gebaseerd op zijn mededelingen met die strekking en zijn bereidheid deel te nemen aan de besprekingen met Philips. Naar Philips bij pleidooi echter terecht heeft opgemerkt en zoals door het hof ook overwogen, kan uit het enkele ‘ondergaan’ van de besprekingen die steeds op aandringen van Philips hebben plaatsgevonden, geen willingness worden afgeleid. Dat de besprekingen steeds na korte tijd voortijdig werden beëindigd en dat Asus nimmer zelf enig initiatief heeft getoond is door [C] niet weersproken.

4.162 [C] bevestigt in zijn verdere verklaring dat hij geen technische expertise had, maar dat hij op de achtergrond geadviseerd werd door de R&D afdeling. Daarmee gaat hij eraan voorbij dat juist het afwezig zijn van technisch onderlegde vertegenwoordigers van Asus bij de besprekingen zelf – Philips heeft onbestreden aangevoerd dat slechts één bespreking door een technicus is bijgewoond – tekenend is voor de houding van Asus, die veeleer was gericht op vertraging en ontwijking van commerciële besprekingen ter vertraging en voorkoming van een licentie-overeenkomst, dan op de totstandkoming ervan. Of het hebben van technische besprekingen voorafgaand aan commerciële besprekingen gebruikelijk is, zoals [C] verklaart, is derhalve niet relevant; Philips heeft daarin ook bewilligd. Het gaat om de intentie waarmee die besprekingen werden verzocht en gevoerd.

4.163 Ook het verwijt van [C] dat er eerst op 21 september 2015 een schriftelijk licentievoorstel lag en Asus dus niets had om (eerder) op te reageren treft geen doel. In r.o. 4.175 van het EP 511-arrest heeft het hof dit reeds ongeloofwaardig geoordeeld, onder meer omdat uit de e-mail van Philips d.d. 12 december 2014 blijkt dat in de bespreking twee dagen daarvoor de licentievoorwaarden al door Philips aan de orde waren gesteld en werd gevraagd om een tegenvoorstel. [C] zegt daarover dat die opmerking voor Asus geheel onverwacht was, omdat er alléén over technische aspecten werd gesproken, zodat zij zich niet geroepen voelde daarop te reageren. Daarmee bevestigt [C] juist de ontwijkende en niet ‘willing’ houding van Asus. Was Asus wel daadwerkelijk willing geweest (en zouden de voorwaarden werkelijk niet aan de orde zijn geweest zoals hij zegt) dan zou de e-mail van 12 december 2014 juist aanleiding zijn geweest om naar de licentievoorwaarden van Philips te informeren. Ook acht het hof de verklaring van [C] op dit punt ongeloofwaardig en tegenstrijdig. [C] bevestigt in zijn verklaring (par. 14) dat er wel degelijk óók ‘business discussions’ waren naast technische discussies: “In fact the e-mail [van 2 juni 2015 - hof] shows that the business discussions formed only one aspect of many that were the subject of the discussions between the parties”.

4.164 Voor zover Asus zich erop wil beroepen dat Philips niet eerder met een schriftelijk voorstel is gekomen, omdat dit naar de letter van het Huawei / ZTE arrest vereist zou zijn, wordt dat standpunt verworpen. Daarvoor geldt dat – ook volgens Asus – dat arrest richtlijnen geeft, zodat het niet voldoen aan een dergelijke formaliteit er niet toe leidt dat een mondeling gedaan voorstel onder alle omstandigheden geacht moet worden niet te zijn gedaan. Bij gebreke van enige willingness aan de zijnde van Asus rustte er bovendien nog helemaal geen verplichting op Philips om een aanbod te doen. Het getuigt juist van een gebrek aan willingness aan de zijde van Asus dat zij nimmer naar licentievoorwaarden heeft geïnformeerd en – na door Philips ter sprake te zijn gebracht – daarop niet wenste te reageren.

4.165 Hetzelfde geldt voor de herhaalde verklaring van [C] dat Philips tijdens de bespreking van 20 november 2015 zou hebben toegezegd met een nieuw alternatief tegenvoorstel te komen. Bij gebreke van verdere feiten of omstandigheden, die [C] niet heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding daarover thans anders te oordelen dan zij in het EP 511-arrest heeft gedaan, namelijk dat dit ongeloofwaardig is.

4.166 Aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen om haar willingness om een licentie onder Frand-voorwaarden met Philips aan te gaan, aan te tonen gaat het hof voorbij. Asus heeft reeds een nadere verklaring van [C] overgelegd. Asus heeft niet toegelicht wat hij, of wie er, verder nog zou kunnen verklaren aangaande de gestelde willingness van Asus.

4.167 Het hof blijft derhalve van oordeel dat het Philips vrijstond onderhavige procedure aanhangig te maken. Dat dit tot gevolg heeft dat Asus onder druk van een dreigend verbod komt te staan, zoals door haar opgemerkt, is een rechtstreeks gevolg van haar eigen nalaten om zich als een willing licensee op te stellen.

4.168 Daarnaast stelt Asus zich op het standpunt dat de beoordeling van het Frand-verweer en de reconventionele vorderingen niet beperkt is tot de vraag of Philips de onderhavige procedure aanhangig mocht maken en voortzetten, waar het Huawei / ZTE arrest over gaat, maar dat tevens – separaat daarvan – dient te worden beoordeeld of toewijzing van de verbods- en recallvordering – hoewel rechtmatig ingesteld – wel gerechtvaardigd is in het licht van de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, omdat de verplichting van Philips om Frand te handelen – en dus de verplichting om een Frand-aanbod te doen en te goeder trouw met Asus te onderhandelen over het door Asus gedane tegenaanbod dat wel aan Frand-voorwaarden zou voldoen – onverkort blijft gelden, ook als zij op basis van de Huawei / ZTE criteria een verbodsvordering mocht instellen. Volgens Asus mag alleen een verbod worden opgelegd als Philips Frand heeft gehandeld en een Frand voorstel heeft gedaan en Asus unwilling zou zijn om dat (althans een) Frand-voorstel te aanvaarden.

4.169 Daargelaten de vraag of een dergelijk verweer ertoe kan leiden dat de door Philips rechtmatig ingestelde verbods- en recallvorderingen niet toewijsbaar zouden zijn, miskent Asus met dit standpunt in de eerste plaats dat het hof de stelling van Asus dat ook de omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het aanhangig van onderhavige procedure in aanmerking moeten worden genomen, (anders dan gesuggereerd in par. 13 PA Frand) in r.o. 4.185 van het EP 511-arrest reeds heeft beoordeeld. Daar heeft het hof geoordeeld dat dergelijke omstandigheden er hooguit toe leiden dat de SEP-houder (parallel aan de procedure) te goeder trouw onderhandelt met de SEP-gebruiker, maar dat die situatie zich hier niet voordeed, omdat Asus zich ook na het aanhangig maken van onderhavige procedure zich niet heeft opgesteld als een willing licensee.

4.170 Zoals in r.o. 4.185 van het EP 511-arrest overwogen is het tegenvoorstel dat Asus heeft gedaan niet aan te merken als tijdig gedaan en getuigt het evenmin van een Frand-houding. Hetgeen Asus ter zake nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.171 Asus heeft aangevoerd dat haar tegenvoorstel, niettegenstaande het feit dat dat is gebaseerd op de Wifi-portfolio van Motorola, wél verband zou houden met de UMTS/LTE-portfolio van Philips, omdat de (op de Wifi-portfolio van Motorola gebaseerde) prijs per octrooifamilie is vermenigvuldigd met het aantal octrooifamilies van Philips (97) in de UMTS/LTE-portfolio. Daarmee gaat Asus eraan voorbij dat de (gemiddelde) waarde van een octrooi uit de ene standaard niet zonder meer op een lijn gesteld kan worden met de (gemiddelde) waarde van een octrooi uit een heel andere standaard, gelet op onder meer het praktisch belang, de aard van het gebruik en de marktomstandigheden van die respectieve standaards. Asus heeft de door haar veronderstelde gelijkwaardigheid van beide standaards niet (voldoende) onderbouwd.

4.172 Het argument van Asus dat het door haar voorgestelde royaltypercentage redelijk zou zijn gelet op de licentievergoedingen die zij met andere SEP-houders voor hun UMTS en/of LTE portfolio heeft afgesproken is niet overtuigend. De overeenkomsten waarop zij zich baseert heeft zij niet overgelegd en de daarop gebaseerde rapportage is onvoldoende inzichtelijk. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij een vergoeding aan andere SEP-houders betaalt van US$ 0,53 gebaseerd op enkel UMTS-octrooien en bedragen van US$ 3,- en US$ 1,10 gebaseerd op een UMTS/LTE-portefeuille inclusief 5G. Daarvan uitgaand is de door Asus voorgestelde vergoeding van US$ 0,05 niet aanstonds als Frand aan te merken.

4.173 Verder kan het standpunt van Asus dat alleen een verbod opgelegd kan worden indien is komen vast te staan dat Philips een Frand-voorstel heeft gedaan, niet als juist worden aanvaard. Daaraan vooraf gaat immers de vraag of Asus zich heeft opgesteld als een willing licensee. Die vraag is, en blijft, met nee beantwoord. Overigens waren ook de rechters in de bij herhaling met instemming door Asus aangehaalde Engelse uitspraken in eerste aanleg en in appel van oordeel dat het door de SEP-houder gedane licentie-aanbod niet Frand hoeft te zijn alvorens op de SEP-gebruiker enige verdere verplichting zou komen te rusten, zoals Asus suggereert.

4.174 Integendeel, het HvJ EU heeft de mogelijkheid van het voeren van een misbruik van recht verweer (en daarmee de uitzondering op het handhavingsrecht van de SEP-houder) nadrukkelijk afhankelijk gemaakt van het naleven van zijn verplichtingen door de SEP-gebruiker. In r.o. 66 heeft het HvJ EU overwogen dat als de SEP-gebruiker het hem gedane aanbod niet aanvaardt (omdat hij meent dat het niet voldoet aan Frand-voorwaarden), de SEP-gebruiker “slechts [kan] aanvoeren dat een vordering tot staken of tot terugroeping van producten misbruik oplevert, indien hij de houder van het betrokken SEO op korte termijn en schriftelijk een concreet tegenaanbod doet dat aan de FRAND-voorwaarden beantwoordt.”

4.175 Bij gebreke van een SEP-houding bij Asus, zowel voor als na het aanhangig maken van de onderhavige procedure, komt Asus geen beroep toe op misbruik van recht door Philips om haar octrooi tegenover Asus te handhaven. Aan de vraag of het voorstel dat Philips heeft gedaan als Frand kan worden gekwalificeerd hoeft, anders dan Asus heeft aangevoerd, dus niet te worden toegekomen.

De vorderingen in conventie

4.176 Nu geen van de door Asus aangevoerde stellingen de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat Philips haar octrooi niet jegens Asus zou mogen handhaven, komt het hof toe aan de beoordeling van het door Philips op grond van de door Asus gepleegde inbreuk op EP 525 gevorderde.

4.177 Nu reeds direct in de hoofdzaak zal worden beslist over het gevorderde bestaat voor toewijzing van de provisionele vorderingen, die zijn ingesteld voor het geval de hoofdzaak zou worden vertraagd, gaan aanleiding.

4.178 Gelet op het oordeel dat EP 525 geldig geacht moet worden en Asus daarop inbreuk maakt, alsmede de afwijzing van de tegen handhaving door Philips gerichte verweren, komt het door Philips gevorderde verbod als hierna vermeld voor toewijzing in aanmerking. Asus heeft in dat verband aangevoerd dat in haar nieuwe producten een niet-inbreukmakende work-around is geïmplementeerd. Wat daarvan zij, dat kan aan de vastgestelde inbreuk met de ‘oude producten’ niet afdoen. Anders dan Asus meent betekent dat niet dat een algemeen verbod niet kan worden opgelegd. Evenmin ontneemt dat het recht en belang van Philips bij een verbod en haar overige vorderingen. Dat geldt temeer omdat Asus desgevraagd niet heeft kunnen bevestigen dat zij uitsluitend nog nieuwe producten op de markt brengt in Nederland.

4.179 Van misbruik van recht, althans strijd met redelijkheid en billijkheid bij toewijzing van de vorderingen, zoals Asus ook nog heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden, waarbij met name ook de houding van Asus zelf dient te worden meegewogen, geen sprake. Om dezelfde redenen acht het hof toewijzing van het gevorderde verbod niet disproportioneel, onredelijk en onevenredig, dan wel te zeer afbreuk doen aan de grondrechten van Asus bestaande uit vrijheid van ondernemerschap, hetgeen Asus had aangevoerd. Zoals hiervoor overwogen is het Asus zelf die in de weg heeft gestaan aan de totstandkoming van een licentie onder het thans ingeroepen octrooi. Dat dit haar hindert in haar bedrijfsvoering kan niet aan Philips worden tegengeworpen.

4.180 Dat Philips zelf niet actief is op de markt, zoals Asus verder nog heeft opgemerkt, doet er niet aan af dat zij onder de gegeven omstandigheden recht en belang heeft bij handhaving van haar octrooirechten.

4.181 Asus heeft betwist dat Asus Holland B.V. inbreukmakende handelingen zou verrichten in Nederland. Dat standpunt wordt verworpen. Zoals Philips (par. 126 e.v. pleitnota eerste aanleg) onderbouwd heeft aangevoerd, wordt Asus Holland B.V. naast de andere gedaagde Asus-vennootschappen genoemd op de Nederlandse website van Asus waarop de inbreukmakende producten worden aangeboden, terwijl daaruit voorts blijkt dat Asus Holland B.V. reparatie-service verzorgt, in het kader waarvan zij ook vervangende (inbreukmakende) producten levert. Asus heeft dat niet gemotiveerd bestreden. De vorderingen zullen derhalve ook jegens Asus Holland B.V. worden toegewezen.

4.182 Voor de door Asus verzochte ‘sunset period’ van drie maanden bij toewijzing van het door Philips gevorderde verbod ziet het hof geen aanleiding. Asus heeft zich op een mogelijk verbod lang kunnen voorbereiden en een voldoende onderbouwing waarom Asus voor de uitvoering daarvan drie maanden nodig zou hebben ontbreekt. Dat Asus daarmee in de gelegenheid zou worden gesteld alsnog een licentieovereenkomst met Philips te sluiten acht het hof onvoldoende grond, gelet op het vastgestelde gebrek aan bereidheid aan de zijde van Asus om daarover te goeder trouw met Philips te onderhandelen. Dat er drie maanden nodig zouden zijn voor het aanvaarden van het reeds door Philips gedane aanbod – waar zij dan kennelijk zelf vanuit gaat – heeft zij voorts evenmin toegelicht en valt overigens ook niet in te zien.

4.183 De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen nu Philips niet heeft gesteld welk afzonderlijk belang zij daarbij heeft naast toewijzing van de verbodsvordering.

4.184 De door Philips gevorderde opgave van afnemers en recall zal als hierna vermeld (beperkt tot Nederland en niet-particuliere afnemers, zoals door Philips bij pleidooi EA verduidelijkt) worden toegewezen.

4.185 Het hof ziet geen aanleiding aan de door Philips gevorderde vernietiging van inbreukmakende producten de voorwaarde te verbinden dat dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan, zoals door Asus verzocht. Tenuitvoerlegging zolang dit arrest geen kracht van gewijsde heeft gekregen is voor rekening en risico van Philips. Dat vernietiging van inbreukmakende producten disproportioneel zou zijn omdat de producten in aangepaste vorm verkocht zouden kunnen worden, zoals Asus aanvoert, kan niet worden aangenomen, gelet op het (in ander verband) door Asus ingenomen standpunt dat toepassing van het HSDPA-protocol juist essentieel is en haar producten compatibel dienen te zijn met de UMTS-standaard.

4.186 Voor matiging of maximering van de gevorderde dwangsommen of het daaraan verbinden van een verbeuringstermijn ziet het hof onder de gegeven omstandigheden evenmin reden. Wel zal het hof de termijnen voor de opgave, recall en vernietiging ambtshalve ruimer stellen dan als verzocht (vier in plaats van twee weken), gelet op de datum waarop dit arrest wordt uitgesproken.

4.187 De door Philips gevorderde schadevergoeding wegens gepleegde octrooi-inbreuk en/of afdracht van daarmee behaalde winst zal worden toegewezen. In de schadestaatprocedure kan aan de orde komen welke afzonderlijke posten wegens verbod van cumulatie niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook de vraag vanaf welk moment wettelijke rente daarover verschuldigd is kan in die procedure worden beoordeeld.

4.188 De verzochte rekening en verantwoording zal als hierna te melden worden toegewezen. De door Philips gevorderde rekening en verantwoording ziet op vaststelling van de winstafdracht. Opgave van het aantal vervaardigde, ingekochte en in voorraad gehouden producten is in dat verband relevant. Asus heeft aangevoerd dat een goedkeurende verklaring van een registeraccountant, zoals door Philips gevorderd, in de praktijk niet mogelijk is dan wel niets toevoegt. Philips heeft zulks niet bestreden, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

De vorderingen in reconventie, de incidentele vordering en het incidenteel appel

4.189 Ter zake van de in de EP 511-zaak gelijkluidende vorderingen in reconventie, de incidentele vordering en het incidenteel appel heeft het hof in het EP 511-arrest als volgt overwogen:

De vorderingen in reconventie

4.199 Voor wat betreft de gevorderde vernietiging van EP 511 volgt uit hetgeen in conventie is overwogen dat deze vordering toewijsbaar is voor zover dit octrooi meer inhoudt dan de conclusies volgens het tweede hulpverzoek.

4.200 Het hof – dat de door Philips opgeworpen bevoegdheidsverweren verwerpt en zich dus bevoegd acht – wijst de overige vorderingen van Asus in reconventie af. Asus legt dezelfde feiten en stellingen zoals verwoord in haar Frand-verweer ten grondslag aan deze vorderingen (vgl. par. 700 MvA). Gelet op hetgeen ten aanzien van dat Frand-verweer reeds is overwogen – in het bijzonder dat juist aan de zijde van Asus de daadwerkelijke bereidheid om een licentieovereenkomst onder Frand-voorwaarden aan te gaan en daarover te goeder trouw te onderhandelen, ontbreekt – kunnen die feiten en stellingen het in reconventie gevorderde niet dragen.

4.201 Op het bezwaar dat Philips, op grond van de twee-conclusieregel en de beginselen van de goede procesorde, heeft gemaakt tegen de eerst bij AMnC ingestelde subsidiaire vordering, hoeft derhalve niet te worden beslist.

In het incident:

4.202 De door Asus gevorderde inzage in en/of afschrift van licentieovereenkomsten die Philips heeft gesloten met of aangeboden aan andere partijen met betrekking tot de UMTS / LTE portfolio, zal worden afgewezen. Asus heeft die inzage gevorderd om te kunnen vaststellen of het door Philips gedane licentie-aanbod en eventueel in de toekomst volgende aanbiedingen al dan niet discriminerend zijn.

4.203 Het onderdeel ‘non-discriminatory’ uit ‘Frand’ ziet er alleen op dat vergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld. Asus onderkent dit ook met haar standpunt dat de door Philips aangeboden standaard licentieovereenkomst gegeven haar bijzondere positie voor Asus niet passend zou zijn en dat zij daarom aanspraak zou hebben gemaakt op andere dan de standaardvoorwaarden.

4.204 Of sprake is van vergelijkbare gevallen hangt af van diverse omstandigheden die niet uit de bepalingen van een overeenkomst af te leiden zijn, waarop Philips terecht heeft gewezen (110 CvA inc) en door Asus, mede in het licht van haar voornoemde standpunt, onvoldoende gemotiveerd is bestreden. Haar vordering tot inzage in en/of afschrift van alle licentie-overeenkomsten die Philips met betrekking tot de UMTS/LTE portfolio heeft gesloten met of aangeboden aan derden, is daarom onvoldoende gespecificeerd en komt neer op een ongeoorloofde fishing expedition. Asus heeft daarom reeds om die reden onvoldoende rechtmatig belang bij toewijzing van haar incidentele vordering.

4.205 Naar het oordeel van het hof kan niet worden aangenomen dat daarover anders moet worden geoordeeld indien de inzagevordering geacht zou kunnen worden (mede) te zijn gebaseerd op artikel 844 Rv e.v., welke regeling ziet op zaken waarin inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden als bedoeld in artikel 843a Rv wordt gevorderd wegens een inbreuk op het mededingingsrecht. Daarbij merkt het hof overigens op dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat die regeling inderdaad toepasselijk zou zijn, nu uit hetgeen is overwogen volgt dat naar het oordeel van het hof van misbruik van machtspositie door Philips geen sprake is of in de toekomst zal zijn (als zij al een machtspositie zou hebben) gegeven het gebrek aan een Frand-benadering aan de zijde Asus.

4.206 Voor zover Asus aan haar inzagevordering ten grondslag heeft gelegd dat uit de door haar gestelde, uit r.o. 63 van het Huawei / ZTE arrest afgeleide, substantiëringsplicht voortvloeit dat Philips verplicht zou zijn in de door haar met derden afgesloten licentieovereenkomsten inzage te geven, wordt dat reeds afgewezen omdat – zoals ook hiervoor overwogen – het bestaan van een dergelijke substantiëringsplicht niet kan worden aangenomen. Dat een dergelijke verplichting zou voortvloeien uit een ETSI-verklaring volgt niet uit die verklaring en Asus heeft evenmin voldoende onderbouwd op grond waarvan dat anderszins uit de ETSI-regels zou zijn af te leiden.

4.207 Tenslotte kan voor toewijzing van de inzagevordering evenmin grondslag worden gevonden in het door Asus gevorderde wereldwijde handhavingsverbod en gebod om te goeder trouw door te onderhandelen met Asus (vgl. par. 367 AMnC). Deze vorderingen worden – op andere grond dan waarvoor inzage is gevorderd (zie 4.202 hiervoor) – afgewezen (zie 4.199 e.v. hiervoor), zodat daaraan evenmin belang bij inzage kan worden ontleend.

4.208 De vragen of sprake is van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv en of is voldaan aan de overige voorwaarden voor toewijzing van een vordering tot inzage, kunnen derhalve onbeantwoord blijven.

In incidenteel appel

4.209 Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het incident – namelijk dat de inzagevordering dient te worden afgewezen met veroordeling van Asus in de 1019h Rv proceskosten – volgt dat de grieven in incidenteel appel niet kunnen slagen.”

4.190 Voor wat betreft de in onderhavige procedure in reconventie gevorderde vernietiging van EP 525, volgt uit hetgeen in conventie is overwogen dat deze vordering niet toewijsbaar is.

4.191 Voor het overige neemt het hof over en blijft zij bij hetgeen zij in het EP 511-arrest heeft overwogen. Hetgeen Asus daar verder tegenin heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.

4.192 Het standpunt van Asus, dat ook indien geen willingness aan haar kant wordt aangenomen, Philips tóch inzage zou moeten geven in de door haar met andere licentienemers afgesloten vergoedingen kan niet worden gevolgd. Niet in te zien is welk redelijk doel daarmee is gediend en welk redelijk belang Asus daarbij zou hebben, indien en zo lang zij zelf niet de bereidheid heeft getoond om met Philips een licentie-overeenkomst aan te gaan en daarover te goeder trouw te onderhandelen. Voordien is de beoordeling van de ‘Frandheid’ van het voorstel van Philips hoe dan ook niet aan de orde.

4.193 Ten overvloede merkt het hof daarbij nog op dat Philips haar licentievoorstel, gegeven de afwezigheid van willingness bij Asus, onverplicht heeft gedaan. Onder die omstandigheden kan van een verplichting tot onderbouwing van dat voorstel logischerwijs geen sprake zijn. Overigens en eveneens ten overvloede, blijft het hof ook bij zijn oordeel dat uit het Huawei / ZTE arrest niet is af te leiden dat in de – hier niet aan de orde zijnde – situatie dat een eerste licentievoorstel wordt gedaan nadat de SEP-gebruiker blijkt heeft gegeven van willingness, de SEP houder dat zou dienen te onderbouwen in de door Asus voorgestane zin, derhalve met overlegging van afschriften van alle licentie-overeenkomsten die de SEP-houder reeds met andere licentienemers is aangegaan. Dat het bestaan van een dergelijke verplichting door rechters in Engeland wel zou zijn aangenomen, kan niet uit de door Asus aangehaalde uitspraken worden afgeleid. Inzage in reeds afgesloten overeenkomsten was daar pas aan de orde in een (veel) later stadium (en waar wel van willingness van de SEP-gebruiker werd uitgegaan) en nadat in de bescherming van de vertrouwelijkheid van die overeenkomsten was voorzien. Ook in Duitsland was overlegging van overeenkomsten eerst aan de orde nadat willingness bij de SEP-gebruiker was vastgesteld.

Proceskosten

4.190 Asus zal als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Philips, zowel in eerste aanleg als in appel, zowel in principaal appel in conventie en in reconventie als in incidenteel appel, als ook in het incident. Partijen hebben omtrent de hoogte van de proceskosten overeenstemming bereikt in die zin dat deze in eerste aanleg Euro 320.000,- bedragen en in hoger beroep Euro 337.500,-. Gelet op de aard en omvang van deze procedure ziet het hof geen aanleiding deze ambtshalve te matigen.

5 De beslissing

Het hof in het principaal appel in conventie en in reconventie, in het incident en in het incidenteel appel, vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende:

5.1

verbiedt Asus om in Nederland inbreuk te maken op de conclusies van Europees octrooi EP 1 440 525;

5.2

beveelt Asus om binnen vier weken na betekening van dit arrest aan Philips schriftelijke opgave te verstrekken van alle afnemers (niet zijnde particulieren) aan wie Asus in of vanuit Nederland producten heeft verkocht, verhuurd, afgeleverd en/of daartoe heeft aangeboden, die vallen onder de beschermingsomvang van Europees octrooi EP 1 440 525;

5.3

beveelt Asus om binnen vier weken na betekening van dit arrest aan ieder van de onder 5.2 bedoelde afnemers een aangetekende brief te zenden met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:

“Wij zijn verplicht u te informeren dat het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 24 december 2019 heeft beslist dat de door ons op de markt gebrachte UMTS-producten met HSDPA-functionaliteit inbreuk maken op de conclusies van Europees octrooi EP 1 440 525 van Koninklijke Philips N.V. en dat deze producten derhalve niet langer mogen worden aangeboden, verkocht of geleverd, dan wel gebruikt of in voorraad worden gehouden. Wij verzoeken u hierbij om deze producten niet langer aan te bieden (op uw website, in brochures e.d.) en alle exemplaren van deze producten die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen dan onmiddellijk de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van de producten aan u vergoeden.

[naam van de vennootschap, naam en handtekening van een vertegenwoordiger]”;

5.4

beveelt Asus om binnen vier weken na betekening van dit arrest vorenbedoelde producten die nog in voorraad zijn, alsmede de teruggezonden producten (binnen twee weken na ontvangst hiervan), en voorts alle brochures en andere promotiemiddelen voor die producten te vernietigen, en aan Philips binnen drie weken na de vernietiging deugdelijk bewijs te verschaffen dat die vernietiging volledig en tijdig heeft plaats gevonden;

5.5

beveelt Asus om aan Philips per overtreding van het in 5.1 bedoelde verbod en voor iedere niet (gehele c.q. deugdelijke) nakoming van de in 5.2 t/m 5.4 en 5.7 bedoelde bevelen aan Philips een dwangsom te betalen van Euro 50.000,-- (vijftig duizend Euro) dan wel, ter keuze van Philips, aan Philips een dwangsom te betalen van Euro 25.000,-- (vijf-en-twintig duizend Euro) per betrokken product, of per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat de inbreuk op de conclusies van Europees octrooi EP 1 440 525 in Nederland na de betekening van dit arrest zal voortduren, of de in 5.2 t/m 5.4 en 5.7 bedoelde bevelen na de betekening van dit arrest niet geheel en deugdelijk worden nagekomen, waarbij de dwangsommen verschuldigd zijn per niet (geheel en deugdelijk) nagekomen verbod of bevel en waarbij Asus hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de dwangsommen;

5.6

veroordeelt Asus hoofdelijk om aan Philips te vergoeden de schade die zij heeft geleden en nog verder zal lijden ten gevolge van inbreuken van Asus op de conclusies van Europees octrooi EP 1 440 525 een en ander op te maken bij staat en te vereffenen zoals voorzien in de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een in de schadestaatprocedure vast te stellen dag, tot aan de dag der algehele voldoening en/of, zulks ter keuze van Philips, de door Asus met de hier aan de orde zijnde handelingen genoten winsten aan Philips af te dragen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een in de schadestaatprocedure vast te stellen dag, tot aan de dag der algehele voldoening;

5.7

veroordeelt Asus omtrent de winsten binnen vier weken na betekening van dit arrest rekening en verantwoording af te leggen door aan Philips een verklaring te verschaffen waaruit de hoogte blijkt van de als gevolg van de inbreukmakende activiteiten behaalde winsten van Asus, welke verklaring vergezeld dient te gaan van een volledige opgave van:

a) het aantal vervaardigde inbreukmakende producten, gestaafd met alle daarop betrekking hebbende bescheiden;

b) de hoeveelheid en inkoopprijs van de aan Asus afgeleverde inbreukmakende producten, gestaafd met alle daarop betrekking hebbende bescheiden, waaronder facturen;

c) de hoeveelheid en verkoopprijs van de verkochte of anderszins geleverde inbreukmakende producten, gestaafd met alle daarop betrekking hebbende bescheiden, waaronder facturen;

d) de hoeveelheid van de ten tijde van de betekening van het ten deze te wijzen arrest nog in voorraad zijnde inbreukmakende producten, gestaafd met alle desbetreffende bewijsstukken;

5.8

veroordeelt Asus in de kosten van deze procedure, in eerste aanleg in conventie en in reconventie en in het incident tezamen tot een bedrag van Euro 320.000,- alsmede in hoger beroep, in principaal appel in conventie en in reconventie en in het incident, alsmede in incidenteel appel tezamen tot een bedrag van Euro 337.500,-;

5.9

verklaart dit arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.10

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Kalden, M.Y. Bonneur en M.W.D. van der Burg en in bijzijn van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2019.