Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:352

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.235.506/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Gemeenschap van goederen. Omvang huwelijksboedel. Gemeenschapsschulden en draagplicht: bestaan van een geldlening bij de oom van de man en omvang belastingschulden. Vrouw is voor een gelijk bedrag als de man draagplichtig voor de belastingschulden. Hof stelt de vrouw in de gelegenheid te bewijzen dat de geldleningsovereenkomst niet (rechtsgeldig) tot stand is gekomen en dat het bedrag niet ter beschikking is gesteld. .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.235.506/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/492926 / HA ZA 16-60

arrest van 19 februari 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.M.A. Oud te Rotterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.M. Slootweg te Barneveld.

Het verloop van het geding

De vrouw is op 2 maart 2018 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 14 december 2016 en het eindvonnis van 7 februari 2018, welk vonnis is aangevuld bij vonnis van 28 maart 2018, van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven weersproken en heeft hij incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van twee grieven.

Bij memorie van antwoord in het incidentele appel heeft de vrouw de grieven van de man weersproken.

De vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in de bestreden vonnissen zijn vastgesteld.

Bestreden vonnissen

2. De rechtbank heeft in de bestreden vonnissen de wijze van verdeling gelast van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

Vordering vrouw

3. De vrouw vordert dat het dit hof moge behagen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden tussen- en eindvonnis te vernietigen, wat het oordeel betreft dat de door de man gestelde geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en door ieder der partijen bij helfte dient te worden gedragen en ten aanzien van het oordeel dat de belastingschulden voor een bedrag van € 33.680,- in de verdeling dienen te worden betrokken;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep en in de na de uitspraak vallende kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen arrest, tot aan de dag van algehele voldoening, evenzeer uitvoerbaar bij voorraad.

Vordering man

4. De man vordert dat het bestreden aanvullend vonnis zal worden vernietigd daar waar het gaat om de vaststelling van de omvang van de gemeenschapsschulden uit hoofde van IB/ZVW 2014 en 2015 en in plaats daarvan te verklaren voor recht dat deze gemeenschapsschulden als volgt moeten worden vastgesteld:

- aanslag IB 2014 € 8.012,-

- aanslag ZVW 2014 € 2.017,-

- aanslag IB 2015 € 24.050,-

- aanslag ZVW 2015 € 1.949,-

en dat de vrouw bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad – zal worden veroordeeld tot de kosten van beide instanties, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat.

Enige relevante achtergrondinformatie

5. Partijen zijn op 1 februari 2015 in de algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. De vrouw heeft op 24 september 2015 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 14 december 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Gelet op de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, geldt 24 september 2015 als peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksboedel.

6. De geschilpunten in appel beperken zich in hoofdlijnen tot de volgende vragen:

- is de man een geldlening aangegaan bij zijn oom van € 60.500,-?

- wat is de omvang van de belastingschulden?

- de draagplicht voor deze schulden.

De geldlening aan de oom van de man

7. In haar eerste twee grieven stelt de vrouw de lening van de oom van de man aan de orde. Uit haar betoog volgt dat de geldlening nooit tot stand is gekomen, dat het geld nooit aan de man ter beschikking is gesteld en dat de man niets op de lening aflost. De man heeft de vrouw niet over de geldlening geïnformeerd. Opmerkelijk is dat in de overeenkomst is vermeld dat het ten titel van geldlening verstrekte bedrag al is betaald. De man moet bewijzen dat het geld aan hem is verstrekt door het in het geding brengen van een deugdelijk betalingsbewijs, waaruit dient te blijken dat sprake is van een lening. De vrouw doet een bewijsaanbod met betrekking tot haar stellingen dat:

- de door de man opgevoerde geldleningsovereenkomst niet (rechtsgeldig) tot stand is gekomen;

- het bedrag van de geldleningsovereenkomst niet op of voor de datum van het huwelijk aan de man ter beschikking is gesteld.

8. Door de man is gesteld dat hij rondom de huwelijkssluiting een bedrag van € 60.500,- bij zijn familie heeft geleend ter financiering van de bruiloft, de huwelijksreis, meubels en een auto. De man heeft een geldleningsovereenkomst in het geding gebracht waaruit volgt dat hij een bedrag van € 60.500,- van zijn oom heeft geleend. In de visie van de man hebben beide partijen besloten om de geldlening af te sluiten. Partijen hebben er samen voor gekozen om van de geldsom een nieuwe auto te kopen en op huwelijksreis te gaan naar [naam land] . De man en zijn oom hebben op de huwelijksdag de overeenkomst gesloten. Deze is in het Engels gesteld aangezien zij beiden die taal beheersen. Het geld is in de ochtend van de huwelijksdag aan de man verstrekt. De man bewaarde de geldsom in een kluis. Van het ontvangen geld heeft de man op 21 april 2015 een bedrag van € 12.600,- gestort op zijn privérekening. De reden voor de geldstorting is dat partijen een nieuwe auto van de geldlening wensten te financieren. De man moet de lening in vijf jaar terugbetalen. De man is op 1 maart 2017 begonnen met het aflossen van de lening. De man heeft een aantal producties in het geding gebracht waaruit volgt dat de man € 1.000,- per maand aflost op de lening.

9. Het hof overweegt als volgt. De man heeft gedetailleerd de gang van zaken rondom de overeenkomst van geldlening aangegeven. De man heeft tevens aangegeven wat er met het geld is gedaan. Van het geld is de bruiloft gefinancierd, de huwelijksreis betaald, een auto gefinancierd, en er zijn meubels van aangeschaft. Alleen al de auto heeft ruim € 26.000,- gekost. Voorts heeft de man een aantal bankafschriften in het geding gebracht waaruit volgt dat hij maandelijks een bedrag van € 1.000,- aflost. In haar memorie van antwoord in incidenteel appel is de vrouw niet nader ingegaan op deze producties die de man bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel in het geding heeft gebracht. Uit de gewisselde stukken blijkt dat partijen in een korte periode veel geld hebben uitgegeven. De vrouw heeft geen duidelijk weerwoord gegeven met welke middelen in haar visie de bruiloft, auto, meubels en huwelijksreis zijn gefinancierd. Voorshands acht het hof de verklaring van de man dat hij een lening is aangegaan bij zijn oom voor een bedrag van € 60.500,-, dat hij dat bedrag ook heeft ontvangen en voorts dat de gelden ook daadwerkelijk zijn besteed ten behoeve van beide partijen voldoende geloofwaardig. Naar het oordeel van het hof is er sprake van een gemeenschapsschuld waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. Gezien het specifieke bewijsaanbod van de vrouw dat de door de man opgevoerde geldleningsovereenkomst niet (rechtsgeldig) tot stand is gekomen en dat het bedrag van de geldleningsovereenkomst niet op of voor de datum van het huwelijk aan de man ter beschikking is gesteld, zal het hof de vrouw toelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen met alle middelen rechtens waaronder het horen van getuigen.

Belastingschulden

10. Zowel in het principale appel als in het incidentele appel wordt de omvang van de belastingaanslagen IB en ZVW aan de orde gesteld. Het hof bespreekt deze grieven gezamenlijk. De vrouw stelt in nr. 27 van haar memorie van grieven: “De vrouw betwist derhalve het bestaan van belastingschulden, in ieder geval voor zover deze een bedrag van € 26.752,- te boven gaan.” Voorts is de vrouw van mening dat uit de door de man overgelegde stukken niet volgt dat de schulden niet zijn voldaan. De man gaat in zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel gedetailleerd in op de belastingschulden. Hij stelt onder meer dat de vrouw slechts de belastingschulden betwist boven een bedrag van € 26.752,-. De man stelt voorts dat uit de stukken volgt dat niet alleen de aanslagen IB en ZVW over het jaar 2013, maar ook over het jaar 2014 op de peildatum niet zijn voldaan. In nr. 19 tot en met 32 geeft de man aan waaruit de belastingschulden bestaan. De bewijsstukken van de aanslagen heeft de man eveneens in het geding gebracht. De man heeft aangegeven wanneer hij de desbetreffende aanslagen heeft betaald (nr. 20 en 22 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel). In de memorie van antwoord in het incidentele appel stelt de vrouw onder meer dat de man alsnog stukken heeft geleverd waaruit de definitieve belastingaanslagen blijken over de jaren 2014 en 2015. De vrouw vindt het schrijnend dat de man betaling van de helft van de door hem gemaakte schulden vordert en acht dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De vrouw merkt tevens op dat de man geen aangifte heeft gedaan namens beide partijen. Hierdoor zijn partijen fiscale voordelen misgelopen. De rente over de desbetreffende belastingschulden dient volledig door de man te worden voldaan. Als zij op de hoogte was geweest van de aanslagen, had zij aangedrongen op een tijdige betaling.

11. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de man aangetoond dat als gemeenschapsschulden kunnen worden aangemerkt de aanslagen zoals vermeld in zijn conclusie van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel. Voorts heeft de man aangetoond dat hij de desbetreffende bedragen heeft betaald ruimschoots na de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Door de vrouw wordt in haar memorie van antwoord in het incidentele appel de hoogte van de aanslagen als zodanig niet betwist. De vrouw is slechts van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan de aanslagen moet meebetalen. Het hof is echter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat de vrouw voor een gelijk bedrag draagplichtig is voor de aanslagen. Door te trouwen in algehele gemeenschap van goederen worden beide partijen draagplichtig met betrekking tot schulden alsmede worden beide partijen gelijk gerechtigd tot de activa. De onderneming die van de zijde van de man in de gemeenschap is gevallen, is ook in de verdeling betrokken. Met betrekking tot de onderneming dient de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 106.500,-. Met andere woorden, niet alleen de activa maar ook de schulden moeten in de verdeling worden betrokken. Gelet op deze overwegingen van het hof ligt de vordering van de man voor toewijzing gereed. Ook met betrekking tot de rente acht het hof het redelijk dat die door beide partijen wordt gedragen nu de rente betrekking heeft op een gemeenschapsschuld.

Proceskosten

12. Het hof zal eerst bij eindarrest beslissen met betrekking tot de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het leveren van bewijs van haar stellingen en wel door alle middelen rechtens en in het bijzonder door het horen van getuigen:

- dat de door de man opgevoerde geldleningsovereenkomst met zijn oom niet (rechtsgeldig) tot stand is gekomen;

- dat het bedrag van de geldleningsovereenkomst met zijn oom niet op of voor de datum van het huwelijk aan de man ter beschikking is gesteld;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. A.E. Sutorius-van Hees ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal plaatsvinden;

verzoekt partijen binnen zes weken na datum van dit arrest hun verhinderdata op te geven voor het getuigenverhoor;

bepaalt dat de vrouw zal zorgdragen voor het oproepen van de getuigen en dat zij tevens tien dagen voor het getuigenverhoor aan de griffier van dit hof alsmede aan de advocaat van de man doorgeeft wie als getuigen worden gehoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.