Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3510

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
2200103319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gehele vrijspraak. De verdachte werd onder meer verweten een GPS-tracker onder de auto van zijn ex-partner te hebben geplaatst, hetgeen ten laste gelegd is als het opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk (art. 139c Sr). Om twee redenen die verband houden met de keuze de verdachte voor dit feit te vervolgen kan niet tot bewezenverklaring van dit feit worden gekomen. De verdachte is eveneens vrijgesproken van het aanwezig hebben van de GPS-tracker en uitlokken van meineed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001033-19

Parketnummers: 09-242391-17, 09-095001-18 en
15-150001-16 (TUL)

Datum uitspraak: 17 december 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
3 december 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 09/242391-17 onder 1 en 2 alsmede het onder parketnummer 09/095001-18 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden. Voorts is beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn de bij beide inleidende dagvaardingen aan de verdachte ten laste gelegde feiten gevoegd. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zijn in het navolgende de ten laste gelegde feiten doorgenummerd.


Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 09-242391-17
1.
hij, in de periode van op of omstreeks 16 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens heeft afgetapt en/of heeft opgenomen die niet voor hem, verdachte, bestemd waren en die werden verwerkt en/of werden overgedragen door middel van telecommunicatie en/of door middel van een geautomatiseerd werk, te weten door met een door hem heimelijk en zonder toestemming van de gebruiker/eigenaar van de auto met kenteken [kenteken] en op naam van [slachtoffer] aangebracht draadloos track and trace/gps systeem, de plaats waar voornoemde auto zich bevond en/of werd gelocaliseerd en/of althans andere gegevens af te tappen/heeft afgetapt;

2.
hij, in de periode van op of omstreeks 16 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 te Leiden, althans in Nederland, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig heeft doen zijn, immers heeft hij, verdachte toen aldaar met voornoemd oogmerk een draadloos track and trace/gps systeem, heimelijk en zonder toestemming van de gebruiker/eigenaar van een auto van een ander dan hem, verdachte, aangebracht onder deze auto merk Opel met het kenteken [kenteken] en op naam van [slachtoffer], waarbij door middel van dat technisch hulpmiddel de plaats waar voornoemde auto zich bevond werd gelocaliseerd/kon worden gelocaliseerd en deze gegevens werden of konden worden afgetapt;

parketnummer 09-095001-18

3.
hij in of omstreeks de periode 1 februari 2018 tot en met 2 maart 2018 te Amsterdam en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland, door (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) opzettelijk een persoon, te weten [medeverdachte], heeft uitgelokt tot het in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten bij de politierechter ter terechtzitting op 2 maart 2018, mondeling en/of schriftelijk persoonlijk of door een bijzondere daartoe gemachtigde opzettelijk een valse verklaring onder ede af te leggen, te weten: "Ik heb de GPS-tracker niet zelf geplaatst, maar een vriend van me, ene Machiel.";

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden bijzondere voorwaarde dat op geen enkele wijze contact zal worden opgenomen, gezocht of gehad met [slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierover als volgt.


Feit 1
Op de verdachte rust de verdenking dat hij een GPS-tracker onder de auto van zijn ex-partner heeft geplaatst, waardoor hij de locatiegegevens van haar auto heimelijk kon verkrijgen. De GPS-tracker, die onder de auto van de ex-partner werd aangetroffen, is onderzocht. De betreffende GPS-tracker was uitgerust met een simkaart en was gekoppeld aan een telefoonnummer van een opdrachtgever. De GPS-tracker kon vervolgens telkens worden geactiveerd door het versturen van een sms-bericht vanaf het telefoonnummer van de opdrachtgever. Na ontvangst van een sms-bericht werd een plaatsbepaling uitgevoerd en stuurde de GPS-tracker een sms-bericht met de actuele locatiegegevens naar de opdrachtgever. Uit onderzoek is gebleken dat zulks in ieder geval 12 keer heeft plaatsgevonden.

De opsteller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen deze gedragingen te brengen onder het bepaalde in artikel 139c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Op de voet daarvan is zakelijk weergegeven aan de verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens heeft afgetapt of opgenomen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk.

Naar het oordeel van het hof kan om twee redenen niet tot bewezenverklaring gekomen worden.


Het hof gaat er in het navolgende van uit dat het verdachte is geweest die de GPS-tracker heeft geplaatst of heeft laten plaatsen. Weliswaar heeft hij zulks ontkend, maar gezien de uiteindelijke conclusie die het hof zal trekken, wordt hij hierdoor niet in zijn belangen geschaad.


Allereerst is sprake van een situatie waarin de verdachte gegevens heeft genereerd met behulp van een door of namens hemzelf geplaatste GPS-tracker, namelijk de actuele locatiegegevens van de auto van zijn ex-partner, en deze gegevens vervolgens door de GPS-tracker naar zichzelf middels sms-bericht heeft laten toezenden. Er kan daarom geen sprake zijn van aftappen of opnemen in de zin van artikel 139c Sr. Immers, zulks verlangt een (bestaande) gegevensstroom tussen twee partijen waar een derde kennis van neemt (driehoeksrelatie). Het gaat in de onderhavige zaak echter om een lineaire gegevensstroom, namelijk tussen de GPS-tracker en het telefoonnummer waaraan het sms-bericht steeds locatiegegevens heeft verstuurd.

Ten tweede moet sprake zijn van gegevens die niet bestemd zijn voor degene die aftapt of opneemt. Artikel 139c Sr is immers gericht op de bescherming van het telecommunicatiegeheim tegen afluisteren. In de onderhavige situatie is echter sprake van gegevens die feitelijk juist wel bestemd zijn voor de ontvanger. Dat de gegevens heimelijk zijn verkregen en het verkrijgen daarvan door verdachte een (forse) inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ex-partner mag zo zijn, maar is in dit verband niet relevant. Zou, zoals door de advocaat-generaal betoogd, de inhoud van de gegevens een rol dienen te spelen bij de invulling van het begrip “niet bestemd zijn voor”, dan zou artikel 139c Sr een aanzienlijk ruimere reikwijdte krijgen dan alleen de bescherming van het telecommunicatiegeheim. In de wetsgeschiedenis noch in literatuur en jurisprudentie zijn aanwijzingen te vinden dat zulks beoogd of zelfs maar wenselijk is.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.


Feit 2
De verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig heeft doen zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de GPS-tracker, die op zichzelf te beschouwen is als een technisch hulpmiddel, slechts op afroep de actuele locatiegegevens van die GPS-tracker kan versturen naar het telefoonnummer van de opdrachtgever. Het afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht door die GPS-tracker is niet mogelijk. Evenmin kan de GPS-tracker zulks ten aanzien van de gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk, reeds omdat de GPS-tracker niet in enige verbinding met een geautomatiseerd werk, anders dan de telefoon van verdachte zelf, staat.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.


Feit 3

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. De verklaring van [medeverdachte], waarin hij kort gezegd heeft verklaard dat hij door de verdachte is aangezet tot het plegen van meineed, wordt niet (voldoende) ondersteund door ander bewijs uit een andere bron, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

In eerste aanleg is een beslissing genomen op de ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 15-150001-16 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde taakstraf van 20 uren.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging, op grond dat de verdachte de algemene voorwaarde zich gedurende de proeftijd niet schuldig te maken aan enig strafbaar feit niet heeft nageleefd.

Nu verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Den Haag van 15 augustus 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2016, gewezen onder parketnummer 15-150001-16, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 20 uren.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman
mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffiers mr. S.J. de Vries en mr. J. Schaaf.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2019.