Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3449

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
22-002200-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met een ander schuldig gemaakt aan een brutale en gewelddadige woningoverval op een kwetsbaar slachtoffer, te weten een oudere dame die kampt met fysieke beperkingen en een zwakke gezondheid. Zij hebben haar niet alleen beroofd van het op haar bankrekening staande positieve saldo, maar haar zelfs opgezadeld met een schuld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002200-18

Parketnummers: 10-812103-16, 10-660019-18 en

20-002371-15 (TUL)

Datum uitspraak: 23 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,

thans gedetineerd in de [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 9 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 10-812103-16 en in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en voorts ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis vermeld. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke veroordeling als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 10-812103-16 en in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 10-660019-18 (gevoegd):

1.


hij op of omstreeks 29 december 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van inloggegevens van het internetbankieren en/of een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zetten/richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen hoofd van [aangever 2] en/of

- vastpakken van de kraag en/of het naar beneden duwen van het hoofd en/of het op de grond duwen van [aangever 2] en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [aangever 1] en/of

- aan [aangever 2] toevoegen van de woorden: "Ga liggen op je buik, met je armen op je rug", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- met tiewraps vastbinden van de handen/polsen van [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of

- met tape/plakband vastbinden van de polsen van [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of

- met een snoer vastbinden van de benen van [aangever 1] en/of

- slaan en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaam van [aangever 2];

Subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 29 december 2017 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van inloggegevens van het internetbankieren en/of een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte],

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zetten/richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen hoofd van [aangever 2] en/of

- vastpakken van de kraag en/of het naar beneden duwen van het hoofd en/of het op de grond duwen van [aangever 2] en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [aangever 1] en/of

- aan [aangever 2] toevoegen van de woorden: "Ga liggen op je buik, met je armen op je rug", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- met tiewraps vastbinden van de handen/polsen van [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of

- met tape/plakband vastbinden van de polsen van [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of

- met een snoer vastbinden van de benen van [aangever 1] en/of

- slaan en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaam van [aangever 2];

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf/welke misdrijven verdachte op of omstreeks 29 december 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

-de bankrekening met nummer [x] op naam van [persoon] aan [medeverdachte] ter beschikking te (laten) stellen, waarnaar [medeverdachte] geld, afkomstig van de rekening van [persoon 2], heeft overgemaakt en/of heeft laten overmaken, en/of

-aan [medeverdachte] inlichtingen te verschaffen over de bankrekening met nummer [x] op naam van [persoon], en/of

-meermalen geld op te nemen van de bankrekening met nummer [x] op naam van [persoon], zeer kort nadat het geld van rekening van [persoon 2] was

overgemaakt op deze bankrekening en/of

-gedurende het plegen van het misdrijf door [medeverdachte] meermalen telefonisch contact te onderhouden met [medeverdachte].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 december 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich of en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van inloggegevens van het internetbankieren en/of een of meer geldbedrag(en), te weten 4680 en/of 70 euro, en/of sieraden en/of en/of een of meer telefoon(s) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zetten/richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van [aangever 2] en/of

- vastpakken van de kraag en/of het naar beneden duwen van het hoofd en/of het op de grond duwen van [aangever 2] en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [aangever 1] en/of

- aan [aangever 2] toevoegen van de woorden: "Ga liggen op je buik, met je armen op je rug", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- met tiewraps vastbinden van de handen/polsen van [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of

- met tape/plakband vastbinden van de polsen van [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of

- met een snoer vastbinden van de benen van [aangever 1] en/of

- slaan en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaam van [aangever 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet als medepleger van de ten laste gelegde woningoverval kan worden aangemerkt, omdat hij er geen weet van had dat die overval gepleegd zou worden. Hij wist, aldus de verdediging, enkel dat er “iets fouts” zou gaan gebeuren. Nu ook niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte medeplichtig was, dient hij van het tenlastegelegde integraal te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat het de verklaringen van het slachtoffer [aangever 1] en haar toen in haar woning aanwezige buurman [aangever 2] over de gang van zaken tijdens en omtrent de overval geloofwaardig acht.

Vast staat dat de verdachte niet in de woning van het slachtoffer aanwezig was, toen aldaar de bewezenverklaarde handelingen – gepleegd door de medeverdachte [medeverdachte] - plaatsvonden. Desondanks is het hof van oordeel dat de verdachte dermate bewust en nauw met [medeverdachte] heeft samengewerkt, dat sprake is van medeplegen.

Daarbij neemt het hof – op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - in het bijzonder het volgende in aanmerking.

( i) De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte] van tevoren een plan/afspraak had gemaakt. Hij wist dat er geld op de bankrekening van [medeverdachte 2] zou komen en hij zou met diens bankpas dat geld pinnen.

(ii) De verdachte is, voorafgaand aan de overval op het slachtoffer, specifiek op zoek gegaan naar iemand met een ING-rekening (“oranje”). Het hof merkt in dit verband reeds op dat het de verklaringen van [medeverdachte 2] over de gang van zaken betrouwbaar acht.

(iii) De vader van de verdachte was de buurman van het slachtoffer en had veel contact met haar, ook over bankzaken. Aannemelijk is daarom dat de verdachte wist dat het slachtoffer een ING-rekening had en ook wist dat er bij het slachtoffer geld te halen viel.

(iv) Direct voorafgaand aan en gedurende de tijd waarin medeverdachte [medeverdachte] in de woning van het slachtoffer was, had de verdachte veelvuldig telefonisch contact met hem. De gesprekken waren niet alleen kort, maar ook van aanzienlijke duur. De buurman van het slachtoffer heeft voorts verklaard dat de dader agressief sprak over de telefoon en zei dat er ook een man in de woning was.

( v) Het was de verdachte die het geld van het slachtoffer direct – al tijdens de woningoverval - heeft opgenomen van de bankrekening van [medeverdachte 2].

(vi) De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat was afgesproken dat de buit zou worden verdeeld.

Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat van tevoren een plan was gemaakt inhoudende

  • -

    dat [medeverdachte] het slachtoffer zou overvallen en, na onder dwang en/of bedreiging haar inlogcodes voor haar computer en bankrekening te hebben verkregen, zelf in de woning van het slachtoffer het hele beschikbare tegoed van haar rekening zou overmaken naar de bankrekening van [medeverdachte 2] en

  • -

    dat verdachte direct aansluitend na de overmaking, en aldus vrijwel gelijktijdig, zoveel mogelijk geld zou pinnen van de bankrekening van [medeverdachte 2].

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte als enige het slachtoffer kende en wist dat zij een ING-rekening had en dat de keuze om dit slachtoffer te overvallen door hem is gemaakt. Tevens was het zoals hiervoor al gezegd de verdachte die, voorafgaand aan de overval, [medeverdachte 2] heeft bewogen om zijn bankrekening en bankpas, met pincode, ter beschikking te stellen aan hem.

Het hof acht in het licht hiervan aannemelijk dat de verdachte de bedenker en organisator van dit geheel was.

Er was derhalve sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte]. Het hof acht de rol van de verdachte dermate groot en essentieel dat zonder meer sprake is van medeplegen.

De omstandigheid dat de verdachte zich niet fysiek zelf schuldig heeft gemaakt aan (bedreiging met) geweld richting het slachtoffer en haar toenmalige buurman leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op de aard van het plan heeft de verdachte ook geweten – en aanvaard - dat zijn medeverdachte (grof) geweld of bedreiging daarmee zou gaan toepassen. Immers, niet te verwachten viel dat het slachtoffer haar inloggegevens zomaar aan de medeverdachte zou afstaan. Daar komt nog bij dat de verdachte tijdens de telefoon-gesprekken met de medeverdachte, die agressief sprak, ten tijde van het bewezenverklaarde feit moet hebben gehoord wat er gaande was en moet hebben begrepen dat in de woning ook een man, kennelijk een kennis van het slachtoffer, aanwezig was. Aldus is ten aanzien van de verdachte ook sprake van, op zijn minst ook voorwaar-delijk, opzet op het geweld en de bedreiging, toegepast ten opzichte van [aangever 2].

Het verweer wordt verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om in het kader van de waarheidsvinding de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen, indien en voor zover het hof tot bewezenverklaring komt van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van dit verzoek geldt de maatstaf van het noodzakelijkheidsbeginsel. De raadsman heeft dit verzoek niet verder onderbouwd. Gelet op enerzijds de gegeven toelichting en anderzijds de inhoud van het dossier acht het hof het verzoek aldus onvoldoende onderbouwd.

Ook overigens acht het hof het niet noodzakelijk om deze getuige te horen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht.

Het hof wijst het verzoek af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met een ander schuldig gemaakt aan een brutale en gewelddadige woningoverval op een kwetsbaar slachtoffer, te weten een oudere dame die kampt met fysieke beperkingen en een zwakke gezondheid, waarbij ook de in de woning zijnde buurman fors is toegetakeld.

De verdachte en zijn mededader hebben er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van het slachtoffer en haar persoonlijke levenssfeer. Zij hebben haar niet alleen beroofd van het op haar bankrekening staande positieve saldo, maar haar zelfs opgezadeld met een schuld. De verdachte en zijn mededader hebben zich uitsluitend laten leiden door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hun is aangedaan.

Uit de namens het slachtoffer in haar hoedanigheid van benadeelde partij afgelegde verklaring blijkt welk een grote en blijvende impact deze overval op haar heeft gehad.

Feiten als het onderhavige brengen in de regel ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Hoewel de verdachte tijdens de overval zelf niet in de woning aanwezig was, wordt de overval ook hem zwaar aangerekend, gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een vermogens- en een geweldsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft mr. F.J.M. Hamers namens [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 13.445,00, verminderd met het door ING ter zake van feit 1 vergoede bedrag van € 4.692,56.

In hoger beroep, waarin feit 2 niet meer aan de orde is, is deze vordering uitsluitend aan de orde tot het bedrag van € 3.760,-, bestaande uit € 260,- aan materiële schadevergoeding en € 3.500,- aan immateriële schadevergoeding.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.760,-, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 260,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is daarnaast van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven niet op de toegewezen vordering ter zake vergoeding van immateriële schade in mindering behoort te worden gebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 3.760,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van

26 oktober 2016 onder parketnummer 20-002371-15 is de verdachte –voor zover hier van belang- veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-812103-16 en in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-660019-18 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.760,00 (drieduizend zevenhonderdzestig euro) bestaande uit € 260,00 (tweehonderdzestig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[aangever 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.760,00 (drieduizend zevenhonderdzestig euro) bestaande uit € 260,00 (tweehonderdzestig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 december 2017.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2016, parketnummer

20-002371-15, te weten van een:

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. O.E.M. Leinarts en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2019.