Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:344

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
200.210.996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaring. Beperking van aansprakelijkheid. Londens beperkingsverdrag. Bevoegdheid rechter. Aanhaakverzoek i.v.m. fondsenvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/52
CMI 593
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 19 februari 2019

Zaaknummer : 200.210.996

Zaak-/rekestnummer rechtbank : C/10/516110 / HA RK 16-1064

Beschikking

in de zaak van:

STOLT COMMITMENT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep, tevens verweeerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. T. Roos (Rotterdam),

tegen

1. A LINE CORPORATION,

gevestigd te Majuro, Marshall Eilanden,

2. MARSHIP MPP GmbH & Co. KG,

gevestigd te Haren, Duitsland,

3. THE STANDARD CLUB EUROPE LTD.

gevestigd te Londen, Engeland,

verweersters, tevens verzoeksters in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: A Line, Marship en Standard Club, tezamen: A Line c.s.,

advocaat: mr. M.M. van Leeuwen (Rotterdam).

Het geding

Stolt Commitment B.V. is bij een op 6 maart 2017 ter griffie van het Hof ontvangen verzoekschrift (met bijlagen) in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 februari 2017 die de Rechtbank Rotterdam heeft gegeven op een door Stolt Commitment B.V. op 6 december 2016 ingediend beperkingsverzoek. Op 1 mei 2017 is zijdens A Line c.s. een ‘verweerschrift [..] mede houdende voorwaardelijk incidenteel beroep [..]’ ingediend en op 13 maart 2018 een akte met producties. Nadien heeft A Line c.s. nog meer producties toegestuurd. Vervolgens heeft op 27 maart 2018 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben bij die gelegenheid het woord gevoerd overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnota’s.

De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

1. Dit is een beperkingsprocedure in vervolg op een aanvaring die zich op 16 december 2015 heeft voorgedaan tussen het aan Stolt Commitment B.V. toebehorende en door haar aan Stolt Tankers B.V. vervrachte zeeschip ‘Stolt Commitment’ en het zeeschip ‘Thorco Cloud’ van A Line. Stolt Commitment B.V. heeft de rechtbank ex artikel 642a e.v. Rv verzocht om, kort weergegeven, (primair) te verklaren dat de zijdens Stolt Tankers B.V. – zijnde de rompbevrachter van de ‘Stolt Commitment’ – te stellen beperkingsfondsen ook te gelden hebben als namens haar gesteld en een verdelingsprocedure voor de te stellen fondsen te bevelen, althans (subsidiair) de behandeling van haar verzoek aan te houden todat die fondsen daadwerkelijk zijn gesteld, althans (meer subsidiair) haar zo nodig toe te staan zelf fondsen te (doen) stellen, met dien verstande dat uiteindelijk maar één zaken- respectievelijk wrakkenfonds behoeft te worden gesteld. Bij beschikking van 15 februari 2017 heeft de rechtbank Stolt Commitment B.V. in deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaard. Stolt Commitment B.V. is het daar niet mee eens.

uitgebreidere weergave van de feiten

2.1

De hiervoor bedoelde aanvaring tussen de tanker ‘Stolt Commitment’ en het

vrachtschip ‘Thorco Cloud’ vond op of omstreeks 16 december 2015 plaats op volle zee nabij Indonesië. Als gevolg van de aanvaring is de ‘Thorco Cloud’ gezonken.

2.2

De ‘Stolt Commitment’ behoort toe aan Stolt Commitment B.V. en was door haar in december 2015 in rompbevrachting gegeven aan Stolt Tankers B.V., houdster van de aandelen in Stolt Commitment B.V. Beide vennootschappen – respectievelijk moeder- en dochtervennootschap – zijn gevestigd te Rotterdam. Het bij Assuranceforeningen Gard (Gjensidig), gevestigd te Arendal, Noorwegen, nader te noemen: Gard, verzekerde schip staat ingeschreven in het scheepsregister van de Kaaiman Eilanden.

2.3

Van de ‘Thorco Cloud’ was A Line de eigenaar, Marship de rompbevrachter, Mitsui Sumitomo Insurance Co. Ltd. (hierna: Mitsui) de cascoverzekeraar en Standard Club de P&I Club. Deze belanghebbenden bij de ‘Thorco Cloud’ hebben bij de Noorse rechter een vordering tot schadevergoeding aanhangig gemaakt tegen Stolt Tankers B.V., Stolt Commitment B.V. en Gard.

2.4

Stolt Commitment B.V. heeft op haar beurt Stolt Tankers B.V. aansprakelijk gehouden en is in Rotterdam een arbitraal geding tegen haar gestart, stellende dat Stolt Tankers B.V. op grond van de rompbevrachtingsovereenkomst, met daarin een arbitraal beding, gehouden is om Stolt Commitment B.V. te vrijwaren voor de schade die zij lijdt en nog zal lijden als gevolg van de aanvaring en de daarmee verband houdende aanspraken van de belanghebbenden bij de ‘Thorco Cloud’.

2.5

Stolt Tankers B.V. heeft daarop een beperkingsverzoek ingediend bij de rechtbank te Rotterdam onder aanbieding van een hier te lande te stellen zaken- en wrakkenfonds. Dat was op 5 december 2016. Een dag later heeft Stolt Commitment B.V. zich met het hiervoor in de inleiding bedoelde verzoek tot de rechtbank te Rotterdam gericht.

2.6

Bij beschikking van 15 februari 2017 heeft de rechtbank toewijzend beslist op het beperkingsverzoek van Stolt Tankers B.V.; de aansprakelijkheid van Stolt Tankers B.V. voor zowel de zakenfonds- als de wrakkenfondsvorderingen is in die beschikking voorshands beperkt tot telkens SDR 14.318.424,-, onder bepaling dat Stolt Tankers B.V. uiterlijk op 15 maart 2017 beperkingsfondsen dient te stellen voor bedoelde bedragen vermeerderd met rente en kosten. In dezelfde beschikking heeft de rechtbank een rechter-commissaris aangewezen ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds en een vereffenaar van de fondsen benoemd.

Stolt Commitment B.V. daarentegen is bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken. Op 17 februari 2017 heeft zij een nieuw beperkingsrekest ingediend, waarin zij de rechtbank onder meer heeft verzocht om te verklaren dat de door Stolt Tankers B.V. toen inmiddels gestelde fondsen worden aangemerkt als mede namens haar (Stolt Commitment B.V.) te zijn gesteld.

2.7

Op 27 februari 2017 heeft de rechtbank op verzoek van Stolt Tankers B.V. een verklaring ex art. 642c lid 6 Rv afgegeven, inhoudende dat Stolt Tankers B.V. heeft voldaan aan het bij beschikking van 15 februari 2017 gegeven bevel tot fondsenstelling. Bij een daarop volgende beschikking van 10 maart 2017 heeft de rechter-commissaris bepaald dat de vorderingen op Stolt Tankers B.V., alsmede de betwistingen van het beroep op aansprakelijkheidsbeperking, uiterlijk op 29 augustus 2017 bij de vereffenaar moeten zijn ingediend. Ook is een datum voor de verificatievergadering vastgesteld.

2.8

Bij beschikking van 7 juni 2017 heeft de rechtbank toewijzend beslist op het hernieuwde beperkingsrekest (bedoeld onder 2.6) dat Stolt Commitment B.V. op 17 februari 2017 had ingediend. De aansprakelijkheid van Stolt Commitment B.V. is in die beschikking voorshands beperkt tot de omvang van de fondsen die door Stolt Tankers B.V. zijn gesteld.

motivering van de bestreden beslissing

3. Het primaire verzoek van Stolt Commitment B.V. hield onder meer in om

( i) haar aansprakelijkheid ter zake van het verlies of de schade in verband met de aanvaring tussen de ‘Stolt Commitment’ en de ‘Thorco Cloud’ te beperken overeenkomstig de bedragen waartoe de aansprakelijkheid van Stolt Tankers B.V. ter zake is/wordt beperkt en (ii) te verklaren dat de door Stolt Tankers B.V. te stellen beperkingsfondsen worden aangemerkt als mede namens haar (Stolt Commitment B.V.) te zijn gesteld ter beperking van haar aansprakelijkheid. De niet-ontvankelijkverklaring van Stolt Commitment B.V. in dit – nader te noemen – aanhaakverzoek kent als motivering dat een daartoe strekkende verklaring slechts dan kan worden gegeven indien zodanig fonds daadwerkelijk is gesteld; pas wanneer een persoon binnen de kring van tot beperking van aansprakelijkheid gerechtigde personen (bedoeld in artikel 1 LLMC) daadwerkelijk een beperkingsfonds in Nederland heeft gesteld kan enige andere tot aansprakelijkheidsbeperking gerechtigde persoon in bedoeld verzoek worden ontvangen, aldus de rechtbank, die daarbij verwijst naar de tekst van artikel 11 lid 3 LLMC: ‘A fund consituted by one of the persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2 of Article 9 or his insurer shall be deemed constituted by all persons mentioned in paragraph 1(a), (b) or (c) or paragraph 2, respectively’ en de daarmee samenhangende artikelen 8:758 BW en artikel 642d Rv.

de beoordeling van de grief tegen de afwijzing van het aanhaakverzoek

4.1

In het kader van de beoordeling van deze grief wordt er in de eerste plaats op gewezen dat bij beslissing van heden, genomen in de appelzaak met nummer 200.211.580, de onder 2.6 genoemde beschikking van 15 februari 2017, houdende de toewijzing van het beperkingsverzoek van Stolt Tankers B.V., is bekrachtigd. In die beslissing is onder meer overwogen (onder het kopje bevoegdheid) dat en op welke grond de Rechtbank Rotterdam internationaal bevoegd was om over dat beperkingsverzoek te oordelen, alsook (onder het kopje aanhouding) dat er geen aanleiding bestond om dat oordeel vanwege de Noorse procedure aan te houden. Kortheidshalve wordt verwezen naar die overwegingen die ook met betrekking tot het onderhavige aanhaakverzoek gelden en die daarom als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

4.2

Aan de voorwaarde waaronder A Line c.s. incidenteel appel heeft ingesteld – te weten dat wordt besloten tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om te oordelen over het beperkingsverzoek van Stolt Tankers B.V. – is derhalve niet voldaan. Dit voorwaardelijke incidenteel appel kan daarom verder buiten beschouwing blijven.

4.3

Wat de grief van Stolt Commitment B.V. inhoudelijk betreft geldt dat Stolt Commitment B.V. gelijk heeft dat noch het LLMC, noch de Nederlandse wettelijke bepalingen in de weg staan of stonden aan een geclausuleerde toewijzing van haar hiervoor bedoelde aanhaakverzoek, in die zin dat de door Stolt Tankers B.V. te stellen fondsen, zodra gesteld, mede geacht moeten worden te zijn gesteld door Stolt Commitment B.V. als eigenaar van het schip en daarmee beperkingsgerechtigde. Eventueel had de beslissing op dit aanhaakverzoek, zoals subsidiair verzocht, kunnen worden aangehouden totdat (overeenkomstig artikel 642c lid 6 Rv zou zijn geconstateerd dat) voldaan was aan het bevel tot fondsenstelling. Gegeven de toewijzende beslissing op het beperkingsverzoek van Stolt Tankers B.V. bestond in elk geval geen reden voor een niet-ontvankelijkverklaring van Stolt Commitment B.V. in haar aanhaakverzoek.

4.4

De conclusie moet dan ook zijn dat de grief die daarover klaagt slaagt. De klacht dat de rechtbank niet heeft besloten tot toewijzing van het (meer) subsidiaire verzoek tot zelfstandige fondsenstelling door Stolt Commitment B.V. behoeft daarom geen bespreking. De bestreden beslissing zal worden vernietigd, onder constatering (i) dat geen reden bestond voor een niet-ontvankelijkverklaring van Stolt Commitment B.V. in haar eerste aanhaakverzoek, omdat (ii) dit in de hiervoor bedoelde geclausuleerde vorm voor toewijzing in aanmerking kwam. Aangezien die toewijzing alsnog – conform het daartoe strekkende verzoek van Stolt Commitment B.V. – is gevolgd bij de inmiddels in kracht van gewijsde gegane beslissing van 7 juni 2017 wordt met die constatering volstaan en volgt hieronder niet nogmaals een uitgeschreven toewijzing, die dus in geclausuleerde vorm teruggaat tot de datum van de eerste, vernietigde beslissing.

4.5

Stolt Commitment B.V. heeft niet verzocht om een kostenveroordeling. Voor het niettemin ambtshalve uitspreken van een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu A Line c.s. geen niet-ontvankelijkverklaring op de door de rechtbank gebezigde grond heeft bepleit.

De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de beschikking waarvan beroep;

- constateert dat geen reden bestond voor een niet-ontvankelijkverklaring van Stolt Commitment B.V. in haar eerste aanhaakverzoek omdat dit verzoek in de hiervoor bedoelde geclausuleerde vorm voor toewijzing in aanmerking kwam.

Deze beslissing is genomen door mrs. J.M. van der Klooster, M.M. Olthof en

F.G.M. Smeele en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.