Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
BK-19/00386
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:4962, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende dient over het jaar 2012 maandelijks nihilaangiften omzetbelasting in. Op basis van de aangifte inkomstenbelasting 2012, waaruit een nog verschuldigd bedrag aan omzetbelasting 2012 blijkt, legt de Inspecteur in september 2017 een naheffingsaanslag op, alsmede een verzuimboete van 10%. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een omzetbelastingvordering over eerdere jaren en dat deze vordering dient te worden gesaldeerd met het over 2012 verschuldigde bedrag aan omzetbelasting. Inzake de verzuimboete stelt belanghebbende dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Beide stellingen falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-01-2020
FutD 2020-0118
V-N Vandaag 2020/92
V-N 2020/14.21.5
Belastingadvies 2020/7.7
NTFR 2020/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00386

Uitspraak van 17 december 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [A] en [B] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 mei 2019, nummer SGR 18/7915.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 op 28 september 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 22.982 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 4.109 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete opgelegd van € 2.298 (de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 170. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is een bedrag van € 259 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van 3 december 2019. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. [Belanghebbende] houdt zich bezig met het geven van interieuradvies en is met deze activiteiten ondernemer in de zin van Wet op de omzetbelasting 1968. De toelichting op de jaarrekening over 2012 bevat een overzicht van de in dat jaar verschuldigd geworden en aan het einde van dat jaar nog te betalen omzetbelasting. Voor zover hier van belang bevat dit overzicht de volgende gegevens:

BTW aansluiting:

omzetbelasting

Omzet 21% € 10.935 € 2.296

Omzet 19% € 248.014 € 47.123

Privégebruik € 488

€ 49.907

Voorbelasting € 26.922

€ 22.985

Balanspost per 31 december 2012:

Oude jaren -/- € 7.311

Suppletie 2012 € 22.985

€ 15.674”

2.2.

Het Hof neemt de feitenvaststelling van de Rechtbank over en vult deze als volgt aan.

2.3.

Belanghebbende heeft in het jaar 2012 maandelijks nihilaangiften omzetbelasting ingediend. Over het jaar 2012 is geen suppletieaangifte ingediend. De jaarrekening 2012 is opgesteld door de accountant van belanghebbende. De accountant heeft voor belanghebbende tevens de aangifte inkomstenbelasting 2012 verzorgd. De aangiften voor de omzetbelasting heeft belanghebbende of haar echtgenoot zelf gedaan.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“(…)

6. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag uitsluitend betrekking heeft op het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en dat het daarmee over 2012 nageheven bedrag door [belanghebbende] niet wordt bestreden. De naheffingsaanslag is dus terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Dat in de aangifte IB/PVV ook een terug te vorderen bedrag aan omzetbelasting vermeld staat voor de jaren vóór 2012, leidt niet tot een ander oordeel. [De Inspecteur] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] voor die eerdere jaren een verzoek om teruggaaf had moeten indienen. Het enkel vermelden in de jaarstukken van een te vorderen bedrag aan omzetbelasting kan niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt.

7. Vaststaat dat [belanghebbende] over 2012 € 22.982 te weinig omzetbelasting heeft betaald. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelasting en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst heeft [de Inspecteur] daarom terecht een boete van 10 procent van de nageheven belasting opgelegd. [Belanghebbende] stelt dat de boete moet vervallen wegens avas en heeft daarvoor aangevoerd dat het niet indienen van een suppletieaangifte over 2012 is te wijten aan haar toenmalige accountant omdat die heeft nagelaten haar een brief te sturen met daarin de suppletie en het verzoek die in te dienen bij de belastingdienst. Volgens [belanghebbende] blijkt een en ander ook uit het feit dat zij geen verzoek tot teruggaaf van het bedrag van € 7.311 heeft ingediend. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet. Naar [de Inspecteur] heeft gesteld en door [belanghebbende] ter zitting is bevestigd zijn namens [belanghebbende] in 2012 uitsluitend nihilaangiften omzetbelasting ingediend, terwijl uit het in 1 aangehaalde overzicht naar voren komt dat [belanghebbende] in dat jaar een omzet behaalde van ruim € 250.000. Het moet, gezien de hoogte van die door haar gerealiseerde omzet, voor [belanghebbende] duidelijk zijn geweest dat zij omzetbelasting moest betalen. De enkele verklaring ter zitting dat zij de nihilaangiften heeft gedaan op advies van haar toenmalige accountant omdat zij nog een aanzienlijk bedrag aan omzetbelasting te vorderen had van de belastingdienst, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van avas. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de teruggaaf over de eerdere jaren waarop [belanghebbende] aanspraak maakt, slechts een fractie is van het over 2012 verschuldigde omzetbelastingbedrag. Feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot matiging van de boete wegens wanverhouding tussen de boete en het beboete feit, zijn gesteld noch gebleken.

8. Tegen de belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd, gesteld noch gebleken is dat die ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht.

9. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of bij het opleggen van de aanslag over het jaar 2012 terecht geen rekening is gehouden met een omzetbelastingvordering over voorgaande jaren. Niet in geschil is dat voor het jaar 2012 terecht een bedrag van € 22.982 aan omzetbelasting is nageheven. Voorts is in geschil of de verzuimboete terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een verschuldigd bedrag aan omzetbelasting van € 15.671, tot dienovereenkomstige vermindering van de belastingrentebeschikking en tot vernietiging van de boetebeschikking,

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Hoogte van de aanslag

5.1.

Belanghebbende stelt dat het bedrag van de aanslag onjuist is vastgesteld. Volgens belanghebbende is ten onrechte geen rekening gehouden met een omzetbelastingvordering van € 7.311 over de jaren tot en met 2010 en dient dit bedrag in de aanslag met de over 2012 verschuldigde omzetbelasting te worden gesaldeerd. De Inspecteur weerspreekt dat een vordering (dan wel schuld) uit voorgaande jaren voor saldering in aanmerking komt. Voorts stelt de Inspecteur dat hij op basis van het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven in 2017, het jaar waarin de naheffingsaanslag is opgelegd, geen mogelijkheid had om ambtshalve teruggaven voor jaren vóór 2012, te verlenen nu de termijn waarbinnen belanghebbende aanspraak kan maken op het ambtshalve verlenen van een vermindering of teruggaaf vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het belastingjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.

5.2.1.

De stelling van belanghebbende dat een omzetbelastingvordering over voorgaande jaren in de aanslag over een later jaar met de over dat jaar verschuldigde omzetbelasting dient te worden gesaldeerd, is onjuist. Het is aan belanghebbende om, zodra zij constateerde een aangifte over een tijdvak onjuist of onvolledig te hebben gedaan waardoor te weinig of te veel belasting is betaald, alsnog door het doen van een suppletieaangifte binnen de daarvoor geldende termijn de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken (artikel 15, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968). Dergelijke correcties kunnen - op een niet in het onderhavige geval van toepassing zijnde uitzondering na - derhalve niet worden meegenomen in de aanslag over een later jaar.

5.2.2.

Voorzover belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte niet ambtshalve is overgegaan tot het verlenen van teruggaven omzetbelasting over de jaren 2010 en eerder, verklaart het Hof zich onbevoegd. Nog daargelaten dat de Inspecteur op dit punt geen formeel besluit heeft genomen - belanghebbende heeft geen verzoek tot teruggave van omzetbelasting over de jaren 2010 en eerder gedaan - , kan een rechtszoekende zich slechts tot de bestuursrechter richten in geschillen betreffende een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In geschillen betreffende ingevolge de belastingwet genomen besluiten heeft de wetgever de beslissingsbevoegdheid van de bestuursrechter nader beperkt tot geschillen betreffende de in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) met name genoemde besluiten en de daarmee in het tweede lid van dat artikel gelijkgestelde voldoeningen en afdrachten op aangifte (het zogeheten gesloten stelsel van rechtsmiddelen). De beschikking waarbij de inspecteur op grond van artikel 65 van de Awr, al dan niet op verzoek, ambtshalve teruggaaf van door een belastingplichtige betaalde belasting verleent dan wel een verzoek om ambtshalve teruggaaf van een belastingplichtige geheel of ten dele afwijst (hierna: beschikking ambtshalve vermindering) behoort - een hier niet ter zake doende uitzondering daargelaten - niet tot de in artikel 26 van de Awr met name genoemde besluiten. Derhalve kan tegen een beschikking ambtshalve vermindering geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld en, daaraan voorafgaand, bezwaar bij het bestuursorgaan (de inspecteur) worden gemaakt.

Verzuimboete

5.3.

Inzake de verzuimboete heeft belanghebbende primair gesteld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) van belanghebbende. Subsidiair stelt belanghebbende dat de boete te hoog is omdat geen sprake is van het herhaaldelijk niet tijdig indienen van suppleties. Voorts stelt zij dat het boetebedrag de continuïteit van haar onderneming in gevaar brengt.

5.4.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende haar accountant in 2012 slechts heeft verzocht de jaarrekening op te stellen en de aangifte inkomstenbelasting in te dienen. In 2012 zijn maandelijks nihilaangiften omzetbelasting ingediend door (de echtgenoot van) belanghebbende. De Inspecteur stelt, onder verwijzing naar de omzet in 2012 van bijna € 260.000, dat belanghebbende redelijkerwijs niet kan hebben gedacht dat de nihilaangiften juist waren. Voorts stelt de Inspecteur dat ook uit de jaarrekening en aangifte inkomstenbelasting 2012 bleek dat over het jaar 2012 nog een te betalen bedrag aan omzetbelasting resteerde. Aangezien belanghebbende niet op deze eenvoudig op te merken signalen heeft gereageerd, kan aldus de Inspecteur niet worden gezegd dat belanghebbende geen enkel verwijt treft met betrekking tot het te laat betalen van de over 2012 verschuldigde omzetbelasting. Voorts stelt de Inspecteur dat de verzuimboete naar een juist bedrag is opgelegd.

5.5.

De opgelegde verzuimboete heeft betrekking op het (gedeeltelijk) niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn, betalen van de verschuldigde omzetbelasting. Van afwezigheid van schuld is alleen sprake als belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt, waarbij de bewijslast op belanghebbende rust. Aan de op haar rustende bewijslast heeft belanghebbende niet voldaan. Belanghebbende heeft gesteld dat de accountant naar aanleiding van de jaarrekening 2012 belanghebbende had moeten attenderen op het indienen van een suppletie. Wat hier ook van zij, belanghebbende gaat voorbij aan haar eigen verantwoordelijkheid op dit punt. Het verzorgen van de aangiften omzetbelasting had belanghebbende voor het jaar 2012, zoals ter zitting verklaard, uit kostenoverwegingen immers niet uitbesteed aan de accountant. In het onderhavige jaar heeft (de echtgenoot van) belanghebbende maandelijks een nihilaangifte ingediend ondanks het feit dat, zoals tevens ter zitting verklaard, beiden niet over fiscale kennis beschikken. Van belanghebbende mag als ondernemer die deelneemt aan het economisch verkeer echter worden verwacht dat zij kennis heeft of zich laat voorlichten over de regelgeving inzake de omzetbelasting. Het beroep op avas faalt.

5.6.

De Inspecteur heeft de boete op grond van artikel 67c van de Awr vastgesteld op 10% van de verschuldigde omzetbelasting. Dit is in overeenstemming met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boetes Belastingdienst. Het Hof acht een dergelijke boete passend en geboden. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van recidive, noch de stelling van belanghebbende dat het bedrag van de boete de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt, wat van beide - niet nader onderbouwde - stellingen ook zij, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom

5.7.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding de Inspecteur te gelasten belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door B.G. van Zadelhoff, E.M. Vrouwenvelder en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 17 december 2019 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door E.M. Vrouwenvelder.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.