Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3381

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
22-005005-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een jonge vrouw, die als gevolg van overmatig alcoholgebruik in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, seksueel misbruikt. Nadat hij haar in een uitgaansgelegenheid had ontmoet en had gezien in welke verregaande staat van dronkenschap zij verkeerde, heeft hij haar onder het voorwendsel haar naar huis te brengen, meegenomen, om vervolgens verderop op straat seksuele gemeenschap met haar te hebben. Het uitgaanspubliek is getuige geweest van het voorval en het feit is zelfs gefilmd door omstanders. Het filmpje is binnen korte tijd gedeeld met derden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Promis

Rolnummer: 22-005005-18

Parketnummer: 10-740283-16

Datum uitspraak: 25 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 11 september 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Rotterdam, met iemand, te weten [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [aangeefster] in staat van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de bewijsmiddelen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, gelet op het debat in hoger beroep. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Bewijsoverwegingen

Verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat bij de aangeefster geen sprake was van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht. Integendeel, de aangeefster was nog in staat om haar wil te bepalen en om haar wil kenbaar te maken tegenover derden. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat de aangeefster heeft gezegd dat ze seks wilde en ook op welke wijze. Daarnaast is er volgens de raadsman geen sprake van opzet aan de zijde van de verdachte. Gelet hierop dient hij te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Feiten

Het hof stelt allereerst de volgende feiten en omstandigheden vast op grond van de bewijsmiddelen.1

De aangeefster heeft voorafgaand aan haar bezoek aan club [club] te Rotterdam op 31 mei 2016 een fles wijn gedronken2 en na aankomst in de club (rond 00.23 uur3) heeft zij nog vier of vijf wodka Red Bull en vier shotjes gedronken.4 Omstreeks 02.42 uur is de aangeefster vanuit de club naar buiten naar de rookplaats gegaan. De verdachte is vervolgens ook naar buiten gegaan. Omstreeks 02.43 uur is de aangeefster op de rookplaats naar de grond gezakt. Even later is zij weer opgestaan en door een paar personen naar binnen begeleid. Zij is na ongeveer 30 seconden gevolgd door de verdachte.5

Omstreeks 03.00 uur is de aangeefster naar buiten begeleid door een portier. Kort daarna is zij gevolgd door de verdachte.6

De aangeefster is bij een portier gaan zitten omdat zij zich niet lekker voelde. De verdachte heeft vervolgens naar de staat van de aangeefster geïnformeerd met de bewoordingen “gaat het meisje?”. Op de vraag van de portier of de verdachte de aangeefster kent, heeft de verdachte geantwoord: “Komt goed. Ik neem haar wel mee en breng haar naar huis”. De portier zag dat de verdachte het meisje omhoog tilde en wegliep. De portier zag de verdachte en de aangeefster weglopen en zag dat er een tweede jongen aan kwam lopen die de aangeefster ook vastpakte. De portier heeft verklaard dat hij er geen goed gevoel bij had en is naar zijn collega gelopen. Hij heeft hem verteld dat hij het niet vertrouwde.7

De aangeefster is vervolgens met de verdachte en zijn vriend ([vriend], hierna: [vriend]) meegegaan. Zij werd door de verdachte en [vriend] vastgehouden en ondersteund, kennelijk omdat ze niet in staat was zelfstandig te lopen. Tijdens het voortslepen viel de aangeefster, waarna ze door de verdachte en [vriend] weer overeind werd geholpen.8

De verdachte heeft omtrent de situatie en de staat van de aangeefster verklaard dat hij haar heeft ondersteund, dat zij wankel ter been was, dat zij niet meer op haar eigen benen kon staan en dat zij dronken was.9 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, na het zien van de zich in het dossier bevindende beelden van het hiervoor beschreven voorval, desgevraagd bevestigd dat de toestand van aangeefster, zoals zichtbaar op de beelden, valt te omschrijven als ‘ladderzat’.

Voorts staat vast – daar is geen discussie over - dat de verdachte en de aangeefster vervolgens op straat in de buurt van Club [club] seksuele gemeenschap hebben gehad.10 Blijkens de verklaring van de verdachte kort na het ten laste gelegde feit, heeft de aangeefster tijdens de seks geen initiatief genomen.11

In het dossier bevinden zich beelden, gemaakt met een mobiele telefoon, ten aanzien waarvan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft bevestigd dat daarop te zien is dat hij seksuele gemeenschap heeft met de aangeefster. Op deze beelden is van dichtbij te zien dat een vrouw (het hof begrijpt: de aangeefster) bewegingsloos op haar rug op straat ligt, terwijl een man (het hof begrijpt: de verdachte) steunend op zijn handen bovenop haar ligt en gemeenschap met haar heeft. Tevens is te zien dat er in elk geval één persoon vlak naast hen staat en een andere persoon vlak langs hen loopt.12

De aangeefster heeft op 1 juni 2016, daags na het voorval, de hiervoor beschreven beelden onder ogen gekregen. Zij heeft toen zichzelf op de beelden herkend, en heeft verklaard dat zij zich van het voorval niets kon herinneren.13

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde in staat van bewusteloosheid dan wel lichamelijk onmacht heeft verkeerd, noch dat bij haar sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Van die onderdelen van de tenlastelegging zal de verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Beoordelingskader

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel ‘verminderd bewustzijn’ in artikel 243 Sr heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Deze bepaling ziet op situaties waarbij de dader bewust seksueel misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is haar of zijn wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn. Die toestand kan zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen. Ook andere factoren kunnen een eventueel slachtoffer in een toestand van verminderd bewustzijn brengen. Het hangt vervolgens van de concrete feiten en omstandigheden af of er sprake is van seksueel misbruik van een persoon in een toestand van verminderd bewustzijn.

Toetsing van de feiten

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten concludeert het hof dat de aangeefster een grote hoeveelheid alcohol had gedronken en dat zij kort voordat het seksueel contact plaatsvond nog zodanig onder invloed verkeerde dat zij daardoor in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangeefster ‘ladderzat’ was en niet meer op haar eigen benen kon staan. De aangeefster verkeerde zichtbaar in een kennelijke staat van dronkenschap.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte op de hoogte was van de staat waarin de aangeefster verkeerde. Dat de verdachte dit zelf heeft kunnen waarnemen, is zichtbaar op het beeldmateriaal omdat hij de aangeefster meermalen heeft opgetild nadat zij op straat was gevallen. Ondanks de kennelijke staat van dronkenschap van de aangeefster heeft de verdachte ervoor gekozen om seks met haar te hebben. Het hof acht daarom ook het opzettelijke karakter van de gedragingen van de verdachte bewezen.

De omstandigheid dat de aangeefster tegen de verdachte zou hebben gezegd – hetgeen niet onaannemelijk is - dat zij seks wilde, kan aan het wederrechtelijke karakter daarvan niet afdoen nu de aangeefster in de genoemde toestand verkeerde en het in de rede ligt dat de aangeefster de seksuele handelingen, gegeven de omstandigheden waaronder ze hebben plaatsgevonden, zeker zou hebben geweigerd als zij ten tijde van de daad wel helder van geest was geweest. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid dat de seks plaats vond op de openbare weg terwijl derden van zeer nabij toekeken.

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Rotterdam, met iemand, te weten [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [aangeefster] in staat van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.14

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een jonge vrouw, die als gevolg van overmatig alcoholgebruik in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, seksueel misbruikt. Nadat hij haar in een uitgaansgelegenheid had ontmoet en had gezien in welke verregaande staat van dronkenschap zij verkeerde, heeft hij haar onder het voorwendsel haar naar huis te brengen, meegenomen, om vervolgens verderop op straat seksuele gemeenschap met haar te hebben. Het uitgaanspubliek is getuige geweest van het voorval en het feit is zelfs gefilmd door omstanders. Het filmpje is binnen korte tijd gedeeld met derden. Uit de toelichting bij het voegingsformulier benadeelde partij blijkt dat dit alles door het slachtoffer als buitengewoon vernederend wordt ervaren. De verdachte heeft het slachtoffer na de daad bovendien in hulpeloze toestand en half ontkleed op de openbare weg achtergelaten, ten prooi aan anderen die daardoor op grove wijze misbruik van haar konden maken.

Het behoeft geen betoog dat de verdachte op bijzonder ingrijpende wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat zedenmisdrijven vaak langdurige en ernstige schade toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de door Reclassering Nederland te Rotterdam over de verdachte opgemaakte rapportage, gedateerd 9 juni 2017.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Het hof zal echter afzien van het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu het een relatief oud feit betreft en de verdachte het kwalijke van zijn gedrag – dat een incident lijkt te zijn in een overigens geordend leven – lijkt in te zien. Het hof zal daarom een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van minder dan de maximale duur in dit verband onvoldoende recht zou doen aan de ernst van het feit.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheden dat de verdachte op eigen initiatief contact heeft opgenomen met de politie, gesprekken heeft gevoerd met een psycholoog, vrijwilligerswerk heeft verricht voor slachtofferhulp en dat ook de reclassering vindt dat verdachte zijn leven op orde heeft, aanleiding geven om geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf te verbinden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 15.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending door de verdachte - te weten het seksueel binnendringen terwijl het slachtoffer zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond - mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat daarvan sprake is blijkt bovendien uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Dat de in dit laatstgenoemde stuk geschetste psychische problematiek gedeeltelijk kan voortkomen uit andere traumatische ervaringen betekent niet dat het slachtoffer door deze zaak geen schade heeft geleden.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het feit op de openbare weg gepleegd is en dat de verdachte het slachtoffer vervolgens gedeeltelijk ontkleed in hulpeloze toestand heeft achtergelaten, met alle risico’s van dien. Dat diverse risico’s zich ook hebben geopenbaard - in die zin dat er door derden beelden van het feit zijn gemaakt, dat die beelden zijn verspreid en het slachtoffer onder ogen zijn gekomen, dat het slachtoffer nadat zij door de verdachte was achtergelaten is meegenomen door een aantal andere mannen en ook door (ten minste één van) hen seksueel is misbruikt - maakt de situatie voor het slachtoffer des te ingrijpender.

Het hof is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 119 (honderdnegentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 mei 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. de Bruijn,

mr. Th.P.L. Bot en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2019.

Mr. Th.P.L. Bot is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met nummer 2016176857, zaak Iriskwarts, van de politie Rotterdam, DRR zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 207, waarbij het hof de handgeschreven paginanummering heeft aangehouden). Andere stukken uit het dossier worden apart vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 74-75 (waarbij de pleegplaats Rotterdam in de kop van de aangifte staat vermeld).

3 proces-verbaal van bevindingen p. 150.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 75.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 152-153.

6 Proces-verbaal van bevindingen 153-154.

7 Relaas proces-verbaal, p. 71-73.

8 Eigen waarneming van het hof en proces-verbaal van bevindingen 154-156.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 171 en verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 30 november 2018, p. 2-3.

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 11 september 2019, proces-verbaal van aangifte, p. 76-77 en proces-verbaal van bevindingen p. 134-138.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 172.

12 Proces-verbaal bevindingen uitkijken filmpjes p. 134, proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag d.d. 11 september 2019 en eigen waarneming van het hof.

13 Proces-verbaal van bevindingen p. 51.

14 Hoewel dit een zogeheten promis-arrest betreft, zal het hof in geval van cassatie en voor zover nodig, de bewijsmiddelen nog aanvullen in een bijlage.