Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:330

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.239.237/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Ouderverstoting is grond voor beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.239.237/01

rekest-/ zaaknummer rechtbank : FA RK 17-4533 / C/09/534273

beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.S.F. de Nijs te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.H. Broeksema te Zwolle.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 15 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 4 juli 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 10 september 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

  • -

    een journaalbericht van 22 mei 2018 met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2018;

  • -

    een journaalbericht van 15 juni 2018 met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van 23 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    op 30 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlage;

  • -

    op 1 november 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de man:

  • -

    een journaalbericht van 9 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 10 oktober 2018

  • -

    een journaalbericht van 23 oktober 2018 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    op 30 oktober 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 1 november 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1997 tot [datum] 2013.

3.3

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige 2] , geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] , en [de minderjarige 1] , geboren [in] 1997 te [geboorteplaats] , hierna gezamenlijk ook: de kinderen.

3.4

Bij beschikking van 27 maart 2013 van de rechtbank Zwolle is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is, voor zover van belang, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] vastgesteld op € 600,- per maand en ten behoeve van [de minderjarige 1] op € 1.000,- per maand. De door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is vastgesteld op € 1.977,- per maand.

3.5

Voormelde beschikking van 27 maart 2013 is bij beschikking van 20 maart 2014 van de rechtbank Zwolle gewijzigd in die zin dat de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] met ingang van 8 juli 2013 is bepaald op € 900,- per maand en de partneralimentatie is bepaald op € 3.089,- per maand.

3.6

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen – met wijziging van de beschikking van voormelde beschikking van 20 maart 2014 - dat:

  1. primair: de man niet langer onderhoudsplichtig is jegens de vrouw wegens verbroken lotsverbondenheid, zulks in ieder geval vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (12 juni 2017);

  2. subsidiair: de alimentatieplicht van de man ter zake van het levensonderhoud van de vrouw wordt beperkt tot nog één jaar na de datum van indiening van het verzoekschrift;

  3. meer subsidiair: de partneralimentatie op een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil te stellen.

3.7

De vrouw heeft zelfstandig verzocht, met wijziging in zoverre van de beschikking van 20 maart 2014 van de rechtbank Zwolle, te bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2017, subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie acht, een partneralimentatie vast te stellen van € 4.595,- bruto per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie acht, bij vooruitbetaling te voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang en uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de beschikking van 20 maart 2014 van de rechtbank Zwolle, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie):

  • -

    met ingang van 15 februari 2018 tot 1 augustus 2020 bepaald op € 3.269,- per maand;

  • -

    met ingang van 1 augustus 2020 tot 1 februari 2023 bepaald op € 1.600,- per maand;

  • -

    met ingang van 1 februari 2023 bepaald op nihil.

4.2

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2017, subsidiair met ingang van een datum die het hof juist acht, bij vooruitbetaling aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen van € 4.595,- bruto per maand tot en met december 2017 en met ingang van januari 2018 een bedrag van € 4.664,- bruto per maand, althans een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren.

4.3

De man verweert zich daartegen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door de man te betalen partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank (9; het hof begrijpt: 12 juni 2017), althans een zodanige datum als het hof vermeent te behoren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – kort samengevat en naar het hof begrijpt – overwogen dat:

  1. de behoefte van de vrouw (bij beschikking van 20 maart 2014 vastgesteld op € 5.129,- bruto per maand) is verbleekt tot de door de man te betalen partneralimentatie van
    € 3.268,74 per maand, door tijdsverloop en aangezien de vrouw ernstig nalatig is geweest met betrekking tot haar inspanningen om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien en genoegen heeft genomen met dit bedrag;

  2. er aanleiding bestaat om de partneralimentatie gedurende een periode van vijf jaar af te bouwen, nu de vrouw zich met ingang van de datum van de bestreden beschikking zich tot het uiterste zal moeten inspannen om een baan te vinden die aansluit bij haar opleidingsniveau.

Verbleekte behoefte?

5.2

Het hof deelt de visie van de vrouw dat behoefte niet louter verbleekt door tijdsverloop. Ook als een alimentatiegerechtigde rondkomt van een minder hoog bedrag aan levensonderhoud, zegt dat niets over haar huwelijksgerelateerde behoefte en tijdsverloop is evenmin een argument om een lagere alimentatie vast te stellen ingeval van een wijzigingsverzoek. Ook de verdiencapaciteit staat los van tijdsverloop.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

5.3

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek eindigt het recht op partneralimentatie in beginsel na het verstrijken van een periode van twaalf jaar na de echtscheiding. De rechter kan, buiten het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695). De rechter mag daarbij rekening houden met alle, ook niet-financiële, omstandigheden, waaronder het gedrag van de echtgenoot, die de uitkering vordert, jegens de andere echtgenoot (vgl. HR 2 december 1977, NJ 1978, 346 en HR 17 maart 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6215).

5.4

Voorts geldt dat hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere (praktisch) definitief doen eindigen voordat de periode van twaalf jaar is verstreken, hetzij – zoals in dit geval – doordat de rechter de alimentatieverplichting als zodanig beëindigt of limiteert, hetzij doordat de rechter het alimentatiebedrag op nihil stelt en zijn beslissing is gegrond op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn (vgl. HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3236 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695). Deze motiveringseisen worden niet minder of anders naarmate de tijd na de echtscheiding is verstreken.

5.5

In het meest verstrekkende verweer voert de man – kort samengevat – aan dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat de lotsverbondenheid is verbroken. Er is sprake van een diepe en nietsontzienende haat van de vrouw jegens de man, aldus de man. Deze haat heeft er toe geleid dat de kinderen van partijen jarenlang geen contact hebben gehad met hun vader. De jongste dochter mag nog steeds geen contact hebben met de vader. Iedere poging om contact met zijn kinderen te krijgen wordt door de vrouw gefrustreerd. Er is geen sprake meer van lotsverbondenheid.

5.6

De vrouw voert daartegen gemotiveerd verweer.

5.7

In het kader van deze procedure heeft de man een brief overgelegd van de oudste dochter van partijen van 29 oktober 2018 gericht aan dit hof. In deze brief schrijft zij, onder andere, het volgende:

“[…] Graag zou ik daarom aan u willen vertellen wat er echt is gebeurd als het gaat om de relatie tussen mijn vader en mij en tevens mijn moeder en mij.

Het incorrect dat mijn vader nooit contact met mij heeft opgezocht, zowel aan het begin van de scheiding als ook later tijdens mijn tienerjaren.

Sinds het begin van de scheiding en het starten van de procedure voor wat betreft de omgangsregeling heeft mijn vader mij af en toe appjes, mails, kaarten, geld en cadeaus voor mijn verjaardag gestuurd. Echter, zowel mijn moeder als ik hebben het voor mijn vader zo goed als onmogelijk gemaakt om op een meer regelmatige basis met mij contact te hebben en onze vader-dochter relatie verder op te bouwen. Zo was ik zelf als jong meisje overtuigd van de slechtheid van mijn vader door alle negatieve verhalen die mijn moeder over mijn vader vertelde als ik ook maar zijn naam noemde. Echter, naarmate ik ouder werd, werd mij steeds meer duidelijk dat mijn moeder haar boosheid jegens mijn vader op mij aan het opleggen was, waardoor ik nooit echt de kans heb gekregen om voor mijzelf te beslissen wat ik van mijn vader vond en welke relatie ik met hem zou willen hebben. Het overnemen van de boosheid van mijn moeder resulteerde erin dat ik zijn mobiele telefoonnummer blokkeerde en antwoordde op al zijn mails met scheldwoorden. Mijn moeder heeft zelfs een nieuw emailadres aangemaakt die op haar laptop binnenkwam en waarmee zij voordeed mijzelf te zijn om zo mailcontact te hebben met mijn vader, waarvan ik sommige mails te zien kreeg nadat ze al waren verstuurd. De ballonnen die mijn vader stuurde prikte wij kapot in de tuin en de kerstkaar van afgelopen jaar van mijn vader kreeg ik pas in januari in handen.

Ook op financieel gebied heeft mijn vader mij nooit tekort gedaan, hoewel ik zelf niet veel van dit geld heb teruggezien. Toen ik mijn moeder vertelde dat mijn vader € 1.000,- voor mijn 16e verjaardag naar mij had overgemaakt moest ik dit meteen overmaken naar mijn moeder, omdat zij aangaf dat ik anders van mijn school en vioolstudie af moest door gebrek aan geld. Ook toen de kinderalimentatie direct op mijn eigen rekening werd gestort, moest ik dit meteen aan mijn moeder overmaken, omdat zij aangaf dat zij degene was die kosten voor mij moest maken, doordat ik toen nog thuis woonde. De kinderalimentatie ging echter alleen naar de kosten die mijn moeder maakte voor mij, waardoor ik elke maand heb moeten lenen voor de kosten die ik zelf moest maken, waaronder kleding, schoenen en mijn Geneeskunde studie a € 2.000,- per jaar.

Pas vanaf het moment dat ik 18 werd begon ik de situatie meer objectief te zien en heb ik de keuze gemaakt om af te spreken met mijn vader en ons in te zetten voor een goede vader-dochter relatie. Helaas heeft dit er onder andere toe geleid dat mijn moeder en ik vel ruzies hebben gehad en ze zelfs om deze reden vanaf juni dit jaar het contact een aantal maanden heeft verbroken. Het vorige studiejaar heb ik zo goed als geen contact gehad met mijn moeder en ook op dit moment is onze band helaas nog slecht. Mijn zusje zie ik tevens nauwelijks, omdat ik haar niet mag zien zonder toezicht van mijn moeder.

[Ingevoegd whatsapp bericht]

Mama

wereld)

zo 17 jun 22:08

Voor mij stopt ons contact… van jou verwacht ik niets goed meer behalve dat je hoopt dat ik dood ga in mijn slaap. Nou dat hoopt jouw vader ook en opa ook! Dus ik begrijp dat jullie het gezellig hebben. Vaarwel meis

22:11

Gelukkig heb ik wel in deze tijd een goede band op kunnen bouwen met mijn vader en [partner vader] , waar ik erg dankbaar voor ben.

Al met al hoop ik dat ik u een duidelijker beeld heb kunnen geven van de situatie wat betreft mijn moeder-dochter en vader-dochter relatie. Mijn doel van deze brief is op geen enkele manier een van mijn beide ouders te benadelen, want ik hou van allebei erg veel, maar ik hoop wel dat ik heb mogen bijdragen aan uw handelen naar waarheid.

[..]”

5.8

Aan de orde is de vraag of sprake is van een situatie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de man nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en wel om de navolgende redenen.

5.9

Al jarenlang is er geen contact tussen de vader en de kinderen. De moeder heeft daarin een grote rol gespeeld. Het hof begrijpt dat het huwelijk van partijen, dat is gesloten in 1997 en dat uiterst moeizaam is verlopen, zijn weerslag heeft gehad op de vrouw, maar dit mag en mocht voor de vrouw geen reden zijn om het contact tussen de vader en de kinderen van partijen in de weg te staan. In 2012 is er op verzoek van de rechtbank door de raad voor de kinderbescherming geadviseerd over de zorgregeling tussen de man en de kinderen. In het belang van de kinderen, heeft de man ingestemd met de door de raad voor de kinderbescherming geadviseerde rustperiode van één jaar. Ter zitting heeft de man onweersproken verklaard dat er ook door de vrouw werd gezegd dat de man mogelijk de kinderen seksueel had misbruikt. Aan de ouders is geadviseerd om deze rustperiode te gebruiken om hulpverlening te zoeken om de scheiding goed te verwerken en op constructieve wijze te gaan communiceren onderling. Daarnaast is aan de vader geadviseerd om het jaar te gebruiken om via de e-mail en de post aan te tonen dat hij oog heeft voor eigenheid en specifieke talenten van zijn beide dochters. Na deze rustperiode van één jaar is er jarenlang geen contact meer geweest met de kinderen, pas recent is er weer contact met [de minderjarige 1] . Ondanks – zo heeft de man onweersproken verklaard – elf herhaalde verzoeken van de man, heeft de vrouw zich – in weerwil van haar wettelijke verplichting – vanaf 2013 (ofwel na het verstrijken van de rustperiode) tot op heden op geen enkele wijze ingespannen om het contact tussen de man en de kinderen weer op te starten, daar is althans niets van gebleken. Integendeel, ondanks het ontbreken van de wettelijke toestemming van de man, is de vrouw op grote afstand van de man gaan wonen door met de kinderen naar [plaats] te verhuizen. Slechts vier keer per jaar liet zij per e-mail weten hoe het met de kinderen ging. In die e-mails gaf de vrouw aan dat het buitengewoon goed met de kinderen ging en schreef zij vaak dat de kinderen geen enkele behoefte aan contact met de man hadden. Het standpunt van de man dat de vrouw zich negatief heeft uitgelaten over de man, wordt onderschreven door voormelde brief van de dochter. Het hof gaat uit van de juistheid van die brief. Weliswaar stelt de vrouw dat het daarin vermelde whatsappbericht uit zijn context is gehaald, maar zij laat na de volledige context weer te geven. Het hof acht hetgeen [de minderjarige 1] naar voren heeft gebracht buitengewoon schokkend.

5.10

Niet alleen heeft de negatieve houding van de vrouw jegens de man geleid tot het jarenlang ontbreken van contact tussen hem en de kinderen, maar dit heeft inmiddels ook geleid tot sociaal-emotionele problemen bij [de minderjarige 1] . Zo heeft de man ter zitting onweersproken verklaard dat [de minderjarige 1] moeite heeft met het vertrouwen van mannen. De man is daarnaast een vreemde voor [de minderjarige 2] , aangezien partijen kort na haar geboorte uit elkaar zijn gegaan en [de minderjarige 2] en de man elkaar door toedoen van de vrouw nimmer meer hebben gezien.

5.11

Deze omstandigheden maken naar het oordeel van het hof dat van de man, die inmiddels bijna vijfenhalf jaar partneralimentatie heeft voldaan, niet langer kan worden gevergd dat hij partneralimentatie voldoet aan de vrouw. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat de vrouw nog langer partneralimentatie verlangt van de man, terwijl zij het omgangsrecht van de man (en van zijn kinderen) in plaats van dat te bevorderen in zo’n ernstige mate heeft verhinderd. Het hof zal dan ook vast stellen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt.

Ingangsdatum/terugbetalingsverplichting

5.12

De man verzoekt als ingangsdatum voor (de nihilstelling; zo begrijpt het hof) beëindiging van de alimentatieverplichting 7 juni 2017.

5.13

Het hof stelt het volgende voorop. Een rechter dient ook in geval van een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht behoedzaamheid te betrachten bij het gebruik van zijn bevoegdheid een wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, en dient steeds te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en dient van die beoordeling rekenschap te geven in zijn motivering (vgl. onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871).

5.14

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man om de alimentatie met ingang van 7 juni 2017 op nihil te stellen in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Echter, gezien de aanzienlijke daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw en de omstandigheid dat zij thans niet, althans onvoldoende, beschikt over eigen financiële middelen, zal het hof bepalen dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van het teveel betaalde aan partneralimentatie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de procedure van de verdeling van de huwelijksgemeenschap tot op heden nog steeds niet is afgerond en niet de verwachting is dat daarin binnen afzienbare tijd een (definitieve) beslissing op zal volgen.

Bewijsaanbod

5.15

Na de schorsing van de mondelinge behandeling en in het slotwoord heeft de vrouw aangeboden bewijs te leveren dat er sprake is van een liefdevolle relatie tussen de vrouw en [de minderjarige 1] .

5.16

Op grond van vaste rechtspraak geldt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, moet letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert (vgl. HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571). In hoger beroep mag van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch mag in het algemeen niet worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, kan de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend is, meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden (vgl. (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270).

5.17

Het hof acht het na de schorsing van de mondelinge behandeling en in het slotwoord door de vrouw gedane bewijsaanbod, in strijd met de goede procesorde. Immers, in dit stadium van de procedure heeft de man niet meer kunnen reageren op dit bewijsaanbod. Bovendien heeft het door de vrouw gedane bewijsaanbod betrekking op haar relatie met haar dochter [de minderjarige 1] welke in deze procedure niet onderwerp van geschil is, maar om het (niet) handelen van de vrouw ter zake van het recht op omgang van de man met zijn dochters.

5.18

Het hof beslist als volgt.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2018 en, opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van 20 maart 2014 van de rechtbank Zwolle in die zin dat de verplichting van de man om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 juni 2017 eindigt;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van hetgeen zij eventueel teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en is op 30 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.