Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3235

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
200.259.745/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Erflater is overleden in Suriname. De feitelijke woonplaats van erflater was Suriname. Erflater had geen bezittingen in Nederland. Hof verklaart zich niet bevoegd in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0011
JERF 2020/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.259.745/01

zaaknummer rechtbank : 7155827

rekestnummer rechtbank : 18-73985

beschikking van de meervoudige kamer van 20 november 2019

inzake

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellant 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellant 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de vereffenaars,

advocaat mr. I.C. Blomsma te Haarlem,

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van 21 februari 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vereffenaars zijn op 20 mei 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

Voorts zijn bij het hof van de zijde van de vereffenaars de volgende stukken ingekomen:

- op 21 mei 2019 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 3 oktober 2019 een e-mail van diezelfde datum met bijlage.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 4 oktober 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [appellant 1] , bijgestaan door de advocaat van de vereffenaars.

De overige vereffenaars, [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] , zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de vereffenaars heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- [in] 2016 is te [plaats] , Suriname, [erflater] (hierna: erflater) overleden. Volgens een uittreksel uit de basisregistratie personen woonde erflater tot [datum in] 2012 in Nederland, is hij toen naar het buitenland vertrokken en had hij de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van zijn overlijden woonde hij in Suriname.

- de nalatenschap is (door een of meer erfgenamen van erflater) aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving;

- er is geen vereffenaar benoemd door de rechtbank, met als gevolg dat de erfgenamen vereffenaars zijn.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang in hoger beroep, beslist dat de aan het verzoek tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap verbonden voorwaarde, te weten dat alleen moest worden beslist indien Nederlands recht van toepassing is, niet is vervuld en dat daarom niet op het verzoek hoeft te worden beslist. Volgens de kantonrechter staat vast dat de erflater zijn gewone verblijfplaats in Suriname had. Dit betekent dat Surinaams recht van toepassing is.

4.2

De vereffenaars verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daar grieven tegen zijn gericht, en opnieuw rechtdoende, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, bij beschikking:

I (alsnog) de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater te bevelen ex artikel 4:209 lid 1 BW, zulks onder vaststelling van de vereffeningskosten;

II de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen.

5 De motivering van de beslissing

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter

5.1

Het hof zal eerst ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De vereffenaars stellen desgevraagd dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft op grond van artikel 4 van de Verordening (EU) Nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: de Erfrechtverordening), nu de gewone verblijfplaats van erflater op het moment van overlijden in Nederland was gelegen. Zij voeren aan dat erflater de Nederlandse nationaliteit had en het grootste deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond. Hij is vanaf 2008 in Suriname woonachtig geweest om bij te komen van hetgeen hem was overkomen op zakelijk gebied en om het verlies van zijn echtgenote te verwerken. Erflater heeft nooit de intentie gehad zich permanent in Suriname te vestigen en dit heeft hij meerdere keren bij zijn kinderen aangegeven, aldus de vereffenaars. Erflater kwam regelmatig terug naar Nederland in verband met feestelijke aangelegenheden zoals verjaardagen en omdat hij hier nog een tandarts en huisarts had. Volgens de vereffenaars zijn dit alle relevante omstandigheden in het kader van het bepalen van de gewone verblijfplaats van erflater, oftewel de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor de invulling van dat begrip bepalend zijn.

5.2

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 4 van de Erfrechtverordening de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Het oordeel inzake de laatste gewone verblijfplaats van erflater is een feitelijk oordeel. Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de laatste gewone verblijfplaats van erflater Suriname was, zodat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt op grond van artikel 4 van de Erfrechtverordening. Het hof overweegt hiertoe dat erflater sinds 2008 het grootste deel van de tijd in Suriname verbleef, hij sinds 2008 niet meer belastingplichtig was in Nederland, in Suriname een woonhuis huurde en daar inkomen zal hebben genoten. Sinds zijn vrouw is overleden is erflater niet meer naar Nederland afgereisd. Het enkele feit dat erflater nog een emotionele binding had met Nederland, doet aan het voorgaande niet af. Het hof acht het tevens van belang dat gesteld nog gebleken is dat erflater goederen in Nederland had, behoudens wat kleren.

Rechtsmacht op grond van artikel 11 van de Erfrechtverordening

5.3

De vereffenaars stellen dat, indien het hof van oordeel is dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt op grond van artikel 4 van de Erfrechtverordening, de Nederlandse rechter rechtsmacht dient te ontlenen aan artikel 11 van de Erfrechtverordening. Zij lichten dat standpunt aldus toe dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd dat zij in Suriname voortprocederen en de vereffening aldaar afwikkelen. Zij wijzen op de stand van de boedel, inhoudende hoge kosten en geen baten en de kosten die zij verder zullen moeten maken.

5.4

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 11 van de Erfrechtverordening, indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van andere bepalingen van de Erfrechtverordening bevoegd is, de gerechten van een lidstaat bij wijze van uitzondering uitspraak kunnen doen over de erfopvolging indien in een derde staat waarmee de zaak nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd of een procedure daar onmogelijk blijkt. De zaak moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vereffenaars hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in dit geval redelijkerwijs in Suriname geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, zodat het hof reeds op grond hiervan geen rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 11 van de Erfrechtverordening.

De griffierechten

5.5

Het hof ziet geen aanleiding om het verzoek van de vereffenaars de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen toe te wijzen. De vereffenaars hebben dit verzoek ook niet nader onderbouwd.

Conclusie

5.6

De conclusie is dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Bij gebreke daarvan zal het hof (als Nederlandse rechter) zich onbevoegd verklaren van het verzoek kennis te nemen.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen;

wijst af het verzoek om de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en is op 20 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.