Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3225

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
200.259.253
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:1220, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie - uitleg bewoordingen in ouderschapsplan "voor een eerlijk deel'. Procesrecht - wijze van instellen hoger beroep na toepassing wisselbepaling van artikel 69 Rv in eerste aanleg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.259.253/01

zaaknummer rechtbank : C/09/553759

rekestnummer : FA RK 18-3783

beschikking van de meervoudige kamer van 16 oktober 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Warendorp Torringa te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[jongmeerderjarige] [naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige] .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2018 en naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 10 mei 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 24 juni 2019 verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 16 mei 2019 een brief van 15 mei 2019 met als bijlage een journaalbericht van 15 mei 2019 met bijlagen;

- op 26 augustus 2019 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

2.4

De thans jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , heeft bij brief van 5 augustus 2019 aan het hof laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 5 september 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad van 14 maart 2007 tot 12 april 2016.

3.3

Tijdens het geregistreerd partnerschap is geboren het thans nog minderjarige kind [minderjarige a] [voornaam] (hierna te noemen: [minderjarige a] ) op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] .

3.4

De man is gehuwd geweest met [naam 2] . Dit huwelijk is door overlijden van laatstgenoemde beëindigd.

3.5

Uit voornoemd huwelijk zijn geboren [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] [naam 3] (hierna te noemen: [minderjarige b] ), geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] .

3.6

Bij beschikking van 12 april 2016 van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken en is - voor zover hier van belang - het ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.

3.7

In dit ouderschapsplan is onder meer, voor zover in deze procedure van belang, vermeld:

Omdat wij co-ouderschap voeren over [minderjarige a] zien we af van het vaststellen van een vast alimentatiebedrag. Om de drie kinderen waarover wij de zorg hebben en houden financieel zoveel mogelijk hetzelfde te kunnen bieden als nu, spreken we af dat we ieder een eerlijk deel bijdragen aan de kosten van opvoeding en verzorging.

Omdat [minderjarige a] bij de vader staat ingeschreven zal de vader alle toeslagen ten behoeve van [minderjarige a] op zijn rekening ontvangen. De vader zal de helft van het totaal van de te ontvangen toeslagen overmaken aan de moeder.’

3.8

De man oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige b] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:

- partijen het ouderschapsplan van 2 maart 2016 dienen na te komen;

- de vrouw met ingang van 1 mei 2016 een bijdrage van € 139,- per maand per kind aan de man dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [jongmeerderjarige] , [minderjarige b] en [minderjarige a] , dit bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering;

- de man met ingang van 1 mei 2016 de helft van de door voor [minderjarige a] te ontvangen toeslagen aan de vrouw dient te voldoen.

De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4.2

De vrouw is het niet eens met deze beslissingen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

Primair

- de vrouw geen alimentatie is verschuldigd voor [jongmeerderjarige] , [minderjarige b] en [minderjarige a] en dat de man zoals overeengekomen in het ouderschapsplan de helft van alle ten behoeve van drie kinderen ontvangen toeslagen en heffingskortingen (kindgebonden budget, kinderbijslag en inkomensafhankelijke combinatiekorting) over de periode van 1 mei 2016 tot op heden per omgaande aan de vrouw dient te voldoen en alle toekomstige betalingen bij vooruitbetaling per maand;

- de man in de kosten van het geding, de kosten van de advocaat van de vrouw (daaronder begrepen de griffierechten) en de kosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wordt veroordeeld;

Subsidiair

- de kinderalimentatie voor (een van) de kinderen ten hoogste € 76,- per kind per maand zal bedragen en verschuldigd is met ingang van primair de datum van de beschikking in hoger beroep en subsidiair de datum van de beschikking van de rechtbank;

- de man, tegelijkertijd met het ingaan van de kinderalimentatie ofwel met terugwerkende kracht, de door de vrouw ten behoeve van de kinderen gemaakte kosten aan haar terug moet betalen, tot op heden over de periode van 1 mei 2016 tot op heden een bedrag van € 19.359,73 ofwel aan de vrouw dient te voldoen de helft van de ten behoeve van de kinderen ontvangen toeslagen en heffingskortingen;

Meer subsidiair

- het ouderschapsplan gedeeltelijk te vernietigen, uitsluitend voor zover het de bepalingen betreft die betrekking hebben op [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] .

4.3

De man verweert zich hiertegen en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1

De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. De procedure die heeft geleid tot de beschikking waarvan beroep is door de man ingeleid bij dagvaarding. Bij vonnis van 24 januari 2018 heeft de rechtbank Den Haag de zaak in de stand waarin die zich bevond doorverwezen naar team familie van de rechtbank en bevolen dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De man verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:16172). In de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank terecht overwogen dat de zaak ten onrechte is doorverwezen naar de verzoekschriftprocedure, dat de procedure terecht is ingeleid met een dagvaarding en dat de rechtbank de zaak derhalve ook als dagvaardingsprocedure zal beoordelen. Het gaat derhalve niet om een eindbeschikking in een zaak als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vrouw had de man in hoger beroep dienen te dagvaarden en dit heeft zij nagelaten, zodat zij niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep.

5.2

De vrouw voert verweer.

5.3

Het hof oordeelt ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt. Artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorziet in een zogenoemde wisselbepaling op grond waarvan het verkeerd inleiden van een procedure kan worden hersteld. Wanneer een procedure met een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift wordt ingeleid, beveelt de rechter, ambtshalve of desgevraagd, dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.

De rechtbank heeft de zaak in eerste aanleg als zijnde een verzoekschriftprocedure behandeld, nu deze bij vonnis van 24 januari 2018 door de rechter in de handelskamer is doorverwezen naar het team familie van de rechtbank. Uit het verloop en de beschrijving van de zaak blijkt dat deze als verzoekschriftprocedure is behandeld en dat daarin is beslist middels een eindbeschikking. Op grond van artikel 358 jo. 359 Rv en boek III titel 6 Rv dient tegen zaken waarin een eindbeschikking is gegeven als bedoeld in artikel 261 Rv middels een beroepschrift hoger beroep te worden ingediend. Nu de vrouw op 10 mei 2019 middels een beroepschrift in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking, is zij naar het oordeel van het hof ontvankelijk in haar hoger beroep en zal het hof dit hoger beroep hierna inhoudelijk behandelen.

Nakoming van de overeenkomst (het ouderschapsplan)

5.4

De vrouw is het niet eens met de door de rechtbank ten behoeve van [minderjarige a] vastgestelde kinderalimentatie. Zij stelt dat partijen daarvan bewust hebben afgezien, gelet op het co-ouderschap. Bovendien verblijft [minderjarige a] vaker bij haar dan bij de man en voldoet de vrouw al meer kosten van opvoeding, alsmede vrijwel alle verblijfsoverstijgende kosten. De vrouw is het voorts niet eens met de beslissing van de rechtbank dat zij kinderalimentatie ten behoeve van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] aan de man dient te betalen. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte het ouderschapsplan, daar waar gesproken wordt over een ‘eerlijk deel’, aldus heeft uitgelegd dat partijen hebben gekozen voor een juridisch afdwingbare verbintenis tot betaling van kinderalimentatie. Partijen hebben bij het opstellen van het ouderschapsplan geen juridische begeleiding gehad en de vrouw is nimmer geïnformeerd over een eventuele onderhoudsverplichting. De door partijen in het ouderschapsplan over de kinderen opgenomen bepalingen zijn louter gevoelsmatig gekozen en beogen op geen enkele juridisch afdwingbare verplichtingen vast te leggen. In het ouderschapsplan dat de ouders via een website invulden, werd geen onderscheid gemaakt tussen stiefouders en juridische ouders. De vertaalslag die de rechtbank maakt door ‘een eerlijk deel’ uit te leggen als een gelijke bijdrage in de kosten, komt niet overeen met de bedoeling van partijen op dat moment. Bij de uitleg volgens de zgn. Haviltex-maatstaf moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De stelling van de man dat partijen bewust zijn afgeweken van de wet heeft hij niet voldoende onderbouwd. Het is nimmer de bedoeling van partijen geweest dat de vrouw ten behoeve van [jongmeerderjarige] , [minderjarige b] en [minderjarige a] kinderalimentatie zou betalen. De vrouw heeft afspraken gemaakt vanuit het vertrouwen en de gedachte dat beide partijen zouden handelen overeenkomstig het ouderschapsplan. De man draagt echter niet voor een eerlijk deel bij in de kosten en de vrouw is nog in afwachting van de betaling van de man aan de vrouw wat betreft de toeslagen en heffingskortingen.

5.5

De vrouw verzoekt het hof om het ouderschapsplan te vernietigen op grond van dwaling in de zin van artikelen 6:228 BW jo. 6:216 BW. Hiervoor verwijst de vrouw ook naar ECLI:NL:GHDHA:2016:3756. De vrouw was niet verplicht om ten aanzien van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] afspraken te maken in het ouderschapsplan, maar heeft dit met goede bedoelingen wel gedaan. Voorts beroept de vrouw zich op (naar het hof begrijpt) gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, door te stellen dat sprake is van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.

5.6

De man stelt dat partijen bij het opstellen van het ouderschapsplan expliciet gekozen hebben om ook afspraken ten aanzien van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] te maken. De man stelt dat de zinsnede in het ouderschapsplan ‘zien we af van het vaststellen van een vast alimentatiebedrag’ voor [minderjarige a] , in samenhang moet worden gelezen met de daaropvolgende zinsnede, waarin partijen afspreken een eerlijk deel bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man is dan ook van mening dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de vrouw ten behoeve van [minderjarige a] € 139,- per maand aan de man dient te voldoen. Partijen hebben in het ouderschapsplan ook opgenomen dat, hoewel [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] niet zijn geboren uit de relatie van partijen, zij geen onderscheid zullen maken tussen hen en [minderjarige a] . De man heeft afgezien van zijn aanspraak op partneralimentatie, juist omdat de vrouw zich bereid had verklaard bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van ook [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] .

5.7

De man betwist dat de vrouw er niet van op de hoogte zou zijn dat zij ten aanzien van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] geen wettelijke onderhoudsplicht zou hebben. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de afspraken uit het ouderschapsplan aan de hand van de Haviltex-norm moeten worden uitgelegd. De rechtbank heeft ‘een eerlijk deel’ niet uitgelegd als een ‘gelijk deel’. Correct is dat beiden naar rato van hun inkomen dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van alle drie de kinderen. Ook acht de man het correct dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de afspraak van partijen ziet op alle kosten die voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van de kinderen en dus ook de verblijfsoverstijgende kosten. Voor vernietiging van het ouderschapsplan bestaat volgens de man geen enkele grondslag. Van dwaling is geen sprake, nu de vrouw wist wat de afspraken uit het ouderschapsplan inhielden toen zij hiervoor tekende.

Overeenkomst vernietigbaar?

5.8

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in hoger beroep een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van dwaling. Een overeenkomst is vernietigbaar op grond van dwaling indien is voldaan aan alle vereisten van artikel 6:228 lid 1 BW. Het is aan de vrouw om gemotiveerd en onderbouwd te stellen dat aan alle vereisten is voldaan. Samengevat moet sprake zijn van:

(1) afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken bij de vrouw;

(2) causaal verband tussen die dwaling en de totstandkoming van de overeenkomst;

(3) een geval als omschreven onder a, b of c van artikel 6:228 lid 1 BW;

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd voor een gegrond beroep op dwaling. De enkele stelling van de vrouw dat zij niet wist dat zij geen wettelijke onderhoudsplicht had ten aanzien van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] is hiertoe onvoldoende; gesteld noch gebleken is immers dat er sprake is geweest van één van de onder a, b of c van artikel 6:228 lid 1 BW beschreven gevallen. Daarnaast blijkt uit het ouderschapsplan en de vraag die de vrouw heeft gesteld via de e-mail aan de [naam 4] op 7 januari 2016 dat de vrouw het onderscheid tussen enerzijds [minderjarige a] en anderzijds [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] kende.

5.9

Met betrekking tot het beroep op misbruik van omstandigheden overweegt het hof als volgt. In artikel 3:44 lid 4 BW is bepaald dat sprake is van misbruik van omstandigheden, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw ook in dit kader onvoldoende gesteld en onderbouwd voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet vernietigbaar is zodat deze in stand blijft.

Ingangsdatum; vordering vrouw verblijfsoverstijgende kosten/ontvangen toeslagen en heffingskortingen

5.10

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat met ingang van 1 mei 2016 kinderalimentatie moet worden betaald. Zij voert hiertoe - kort samengevat - aan dat partijen in het ouderschapsplan bewust van kinderalimentatie hebben afgezien. De terugwerkende kracht brengt met zich dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 19.359,73 (het hof merkt op dat de vrouw een overzicht van uitgaven heeft overgelegd met een totaalbedrag van € 19.246,07), in verband met onder meer kleding en verjaardagen. De man dient volgens de vrouw ofwel laatstgenoemd bedrag te betalen, ofwel de helft van de ten behoeve van de minderjarigen ontvangen toeslagen en heffingskortingen aan de vrouw te voldoen. De vrouw acht de ingangsdatum van 1 mei 2016 niet juist en verzoekt het hof de ingangsdatum te bepalen op de datum van de onderhavige beschikking, althans de datum van de bestreden beschikking. Indien de ingangsdatum niet wordt gewijzigd, verzoekt de vrouw het hof de man te veroordelen tot voldoening van alle door de vrouw gemaakte kosten die van de kinderalimentatie hadden moeten worden betaald.

5.11

De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw na ontbinding van het geregistreerd partnerschap kinderalimentatie aan de man zou betalen. Het geregistreerd partnerschap is ontbonden op 22 april 2016, zodat de vrouw vanaf deze datum gehouden is een bijdrage te voldoen. Dat de vrouw vrijwillig verschillende kosten zou hebben voldaan, doet aan de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie niet af. Voor een verplichting tot terugbetaling van het door de vrouw gevorderde bedrag bestaat volgens de man geen enkele grondslag. Bovendien, zo stelt de man, zijn de bedragen niet rechtstreeks aan de man betaald, maar deze zijn direct ten goede gekomen van de kinderen. Hiermee is door de rechtbank, in de vorm van zorgkorting, rekening mee gehouden.

5.12

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Hoewel in het algemeen heeft te gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een tijdvak in het verleden behoedzaam gebruik dient te maken, staat het de rechter in beginsel vrij een ingangsdatum te bepalen die hem geraden voorkomt.

5.13

Naar het oordeel van het hof is genoegzaam gebleken dat de vrouw in de tijd dat partijen niet samenleefden verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft betaald. De man betwist niet dat de vrouw heeft bijgedragen in de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen; wel betwist hij de hoogte van het door de vrouw gestelde bedrag van € 19.359,73. Nu duidelijk is dat de vrouw over een aanzienlijke periode heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen in de vorm van het betalen van verblijfsoverstijgende kosten, en er tussen partijen tot aan de datum van de bestreden beschikking geen duidelijkheid bestond wie voor welk deel verantwoordelijk was voor welke kosten, ziet het hof aanleiding om de datum van de bestreden beschikking, zijnde 12 februari 2019, als ingangsdatum voor de verplichting van de vrouw tot betaling van kinderalimentatie te bepalen. Hiermee komt het hof niet toe aan het verzoek van de vrouw de man te veroordelen tot voldoening van alle door de vrouw gemaakte verblijfsoverstijgende kosten, en/of tot voldoening aan de vrouw van de helft van de ten behoeve van de minderjarigen ontvangen toeslagen en heffingskortingen.

Uitleg van de overeenkomst

5.14

Partijen verschillen over de wijze waarop de overeenkomst moet worden uitgevoerd, waarbij het voornamelijk gaat om de zinsnede ‘voor een eerlijk deel’. De overeenkomst is voor wat betreft de zinsnede ‘voor een eerlijk deel’ onvoldoende concreet door partijen bepaald en biedt geen duidelijkheid over wat partijen hiermee hebben bedoeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen ieder een volstrekt andere uitleg geven en hebben gegeven aan het begrip ‘eerlijk’. Evenals de rechtbank overweegt het hof dat overeenkomsten niet slechts dienen te worden uitgelegd op basis van hun letterlijke bewoordingen; het komt er bij de uitleg van overeenkomsten aan op de zin die partijen aan hetgeen is overeengekomen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zgn. ‘Haviltex-norm’).

5.15

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank voor wat betreft de bedoeling van partijen om ook na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en bij het maken van afspraken over de kinderen geen onderscheid te maken tussen (de juridische status van) de kinderen en maakt die overwegingen tot de zijne. Het hof is voorts van oordeel dat er in het onderhavige geval onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn om vast te stellen wat de gezamenlijke bedoeling van partijen is geweest als het aankomt op de zinsnede ‘voor een eerlijk deel’ Gelet hierop ziet het hof aanleiding om – evenals de rechtbank – aan te sluiten bij het systeem van de wet als het aankomt op het vaststellen van de verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige] , [minderjarige b] en [minderjarige a] , en de hoogte daarvan. Nu de kinderen alle drie hun hoofdverblijf bij de vader hebben zal het hof hierna – aan de hand van de wettelijke normen – beoordelen of en zo ja tot welk bedrag een verplichting tot betaling van kinderalimentatie door de vrouw aan de man bestaat.

Behoefte

5.16

De vrouw stelt dat partijen als ouders niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, zodat de behoefte van de minderjarigen niet kan worden gerelateerd aan een gezamenlijk gezinsinkomen. Gedurende de periode van 21 februari 2007 tot 22 april 2016 (62 maanden) hebben partijen een gezamenlijke huishouding gevoerd. Ook in de periode waarin partijen niet samenwoonden doch het geregistreerd partnerschap nog voortduurde, zijnde 49 maanden, was er geen regeling. De vrouw stelt dat, indien het hof van oordeel is dat wel een bedrag aan kinderalimentatie moet worden vastgesteld, de behoefte van de minderjarigen € 267,80 per kind per maand is, bij een netto gezamenlijk gezinsinkomen van € 2.973,53 per maand.

5.17

De man stelt dat partijen gedurende het geregistreerd partnerschap met de kinderen een gezin hebben gevormd. Partijen hebben een relatief korte periode niet samengewoond tijdens het geregistreerd partnerschap. Het is onjuist dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van het gemiddeld netto gezinsinkomen. Terecht concludeert de rechtbank dan ook dat de totale behoefte € 1.800,- per maand bedraagt. Het geregistreerd partnerschap is in april 2016 beëindigd, zodat de stelling van de vrouw dat uitgegaan moet worden van het inkomen uit 2014, onjuist is. De zinsnede in het ouderschapsplan waarin partijen afwijken van het vaststellen van een vast alimentatiebedrag voor [minderjarige a] , moet in samenhang worden gelezen met de daaropvolgende zinsnede waarin partijen afspreken ieder voor een eerlijk deel bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.18

Het hof stelt voorop dat, nu het hof de ingangsdatum van de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie vaststelt op 12 februari 2019, de vrouw niet gehouden is om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] . [jongmeerderjarige] heeft op [in] oktober 2018 de leeftijd van 18 jaar bereikt en het ouderschapsplan heeft vanaf die datum ten aanzien van [jongmeerderjarige] geen gelding meer. Voor de bepaling van de behoefte van de minderjarigen [minderjarige b] en [minderjarige a] sluit het hof aan bij de rechtbank. Het geregistreerd partnerschap van partijen is in 2016 ontbonden en in dit jaar is ook het ouderschapsplan opgesteld, zodat het hof - evenals de rechtbank - van dit jaar zal uitgaan voor de bepaling van de behoefte van de minderjarigen [minderjarige a] en [minderjarige b] . Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij in 2016 een bruto jaarinkomen had van € 43.355,- en een pensioeninkomen van € 3.397,- bruto per jaar. Voor de vrouw gaat het hof - evenals de rechtbank - uit van haar jaaropgave 2017, nu zij geen gegevens over 2016 heeft overgelegd. De vrouw heeft volgens haar jaaropgave 2017 een bruto jaarinkomen van € 87.316,-. Het hof houdt bij beide partijen rekening met zowel de algemene heffingskorting als de arbeidskorting. Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de man derhalve op € 2.681,- en het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 4.280,-. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt alsdan € 6.961,- per maand. Dit is hoger dan het maximale tabelbedrag van € 6.000,-, zodat de behoefte van de minderjarigen [minderjarige b] en [minderjarige a] tezamen € 1.440,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte

€ 1.522,-.

Verdeling van de kosten van de kinderen

5.19

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie ter hoogte van € 139,- per maand per kind ten behoeve van [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] aan de man dient te voldoen. De vrouw heeft [jongmeerderjarige] en [minderjarige b] acht van de veertien dagen bij zich en zorgt ervoor dat zij alles krijgen wat zij nodig hebben. Dit doet de vrouw onverplicht vanuit de gedachte bij te willen dragen voor een gelijk deel in het welzijn van de kinderen. De vrouw stelt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij een bedrag aan kinderalimentatie ter hoogte van € 139,- ten behoeve van [minderjarige a] aan de man dient te voldoen. De vrouw stelt dat zij [minderjarige a] vaker bij zich heeft dan de man. Hierdoor wordt het inkomensverschil gelijk getrokken en daarnaast voldoet de vrouw voor [minderjarige a] vrijwel alle verblijfsoverstijgende kosten. De bijdrage van de vrouw (naar rato 63,5%) bedraagt dan 170,- euro per maand. Hier moet de zorgkorting vanaf worden gehaald, zodat een bedrag van € 76,- per maand resteert dat de vrouw aan de man dient te voldoen.

5.20

De man stelt dat de zin in het ouderschapsplan waarin partijen afwijken van het vaststellen van een vast alimentatiebedrag voor [minderjarige a] , in samenhang moet worden gelezen met de daaropvolgende zin, waarin partijen afspreken een eerlijk deel bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man is dan ook van mening dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de vrouw ten behoeve van [jongmeerderjarige] , [minderjarige b] en [minderjarige a] € 139,- per maand per kind aan de man dient te voldoen.

5.21

Het hof overweegt als volgt. Dat partijen een co-ouderschapsregeling hebben afgesproken waarbij de kinderen acht van de veertien dagen bij de vrouw verblijven leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat op de vrouw geen plicht rust tot betaling van kinderalimentatie aan de man. De kinderen hebben immers alle drie hun hoofdverblijf bij de man. Dit betekent dat de man de verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening dient te nemen. Voorts heeft de uitgebreide zorgregeling wel consequenties voor de zorgkorting, hetgeen hierna onder ‘zorgkorting’ zal worden besproken.

Draagkracht man en vrouw

5.22

Blijkens de jaaropgave 2017 van de vrouw bedraagt haar bruto jaarinkomen € 87.316,-, zodat het netto besteedbaar inkomen dat daaruit volgt € 4.293,- per maand bedraagt. Hierbij is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting (tarieven 2017-2). De draagkracht van de vrouw wordt, nu haar netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.575,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [€ 4.293,- - (0.3 x € 4.293,- + € 905,-) = €1.470,-. Derhalve bedraagt de draagkracht van de vrouw geïndexeerd naar 2019 € 1.521,- per maand.

5.23

Uit de door de man overgelegde jaaropgave 2017 volgt dat hij een bruto jaarinkomen had van € 42.965,-. Daarnaast ontvangt de man jaarlijks een bruto pensioenuitkering van € 3.498,- vanuit [verzekeringsmij] in verband met het overlijden van zijn echtgenote. Het totale bruto jaarinkomen van de man over 2017 bedraagt alsdan € 46.463,-, zodat het netto besteedbaar inkomen dat daaruit volgt € 2.964,- per maand bedraagt. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting (met betrekking tot het inkomen uit arbeid) en het kindgebonden budget. Het hof heeft geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, nu de ingangsdatum van de door de vrouw te betalen kinderalimentatie is vastgesteld op 12 februari 2019 en de minderjarige [minderjarige a] op 16 mei 2019 de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. De draagkracht van de man wordt, nu zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.575,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [€ 2.964,- - (0.3 x € 2.964,- + € 905,-) = € 819,-. Derhalve bedraagt de draagkracht van de man geïndexeerd naar 2019 € 848,- per maand. Het hof verwijst voor de specificatie van het netto besteedbaar inkomen van zowel de man als de vrouw naar de door het hof aangehechte berekeningen.

Draagkrachtvergelijking

5.24

Partijen hebben, zoals uit het voorgaande volgt, een totale draagkracht van € 2.369,- per maand. Nu de totale draagkracht van partijen de behoefte van de minderjarige (€1.522,-) overschrijdt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De behoefte van de minderjarigen [minderjarige b] en [minderjarige a] wordt als volgt verdeeld:

- eigen aandeel van de vrouw: € 1.521,- / € 2.369,- x € 1.522 = € 977,-.

- eigen aandeel van de man: € 848,- / € 2.369,- x € 1.522 = 545,-.

Op basis van bovenstaande vergelijking komt de totale behoefte van de minderjarigen [minderjarige b] en [minderjarige a] voor € 977,- per maand voor rekening van de vrouw en € 545,- per maand voor rekening van de man.

Zorgkorting

5.25

Het hof is ter zitting genoegzaam gebleken dat de minderjarigen weliswaar bij de man staan ingeschreven, maar dat partijen een co-ouderschap hebben en de minderjarigen acht van de veertien dagen bij de vrouw verblijven. Het hof acht het redelijk om, gelet op de feitelijke situatie, een zorgkorting van 50% in aanmerking te nemen. Uitgaande van de behoefte van de minderjarigen van € 1.522,- per maand, bedraagt de zorgkorting € 761,- per maand. Het hof zal de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie dan ook vaststellen op € 977,- - € 761,- = 216,- per maand voor beide minderjarigen [minderjarige b] en [minderjarige a] , hetgeen € 108,- per kind per maand bedraagt.

Proceskosten

5.26

De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de advocaat van de vrouw daar onder begrepen.

5.27

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank juist heeft geoordeeld ten aanzien van de proceskosten, nu de proceskosten in zaken van familierechterlijke aard doorgaans worden gecompenseerd. De man verzoekt het hof dit verzoek dan ook af te wijzen.

5.28

Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de vrouw heeft verzocht - de man in de kosten van dit geding in hoger beroep te veroordelen, en zal derhalve de kosten tussen partijen, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, compenseren.

6 De slotsom

Uit vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige a] en [minderjarige b] vaststellen op € 108,- per maand per kind met ingang van 12 februari 2019.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 12 februari 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige a] en [minderjarige b] € 108,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep/beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, J.M. van de Poll en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. N. Metalsi als griffier, en is op 16 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.