Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:3212

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.250.749/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding nakoming omgangsregeling door man die erkend heeft, maar niet de biologische vader is. Hof laat de bijzonder curator toe als informant toe tot het proces. Vordering tot nakoming in hoger beroep alsnog afgewezen gezien de thans ontstane situatie, waaronder contactherstel met biologische vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.250.749/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/558656 / KG ZA 18-1015

Arrest van 29 oktober 2019

Inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.G. Kempenaars te Almere,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.S. Janssen-Polet te Dordrecht.

Het verloop van het geding

De vrouw is op 29 november 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 november 2018 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

In de memorie van grieven van 8 januari 2019 heeft de vrouw twee grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd.

Bij memorie van antwoord van 5 februari 2019 heeft de man verweer gevoerd.

De vrouw heeft bij journaalbericht van 15 augustus 2019 het verslag van de door de rechtbank Rotterdam –in een ander geding van partijen- benoemde bijzondere curator en voorts bij journaalbericht van 17 september 2019 een nadere toelichting in verband met wijziging van omstandigheden in het geding gebracht.

De vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en comparitie van partijen gevraagd.

Op 19 september 2019 is een meervoudige comparitie van partijen gehouden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw J.C. Rijnfrank, tolk in de Portugese taal, alsmede de advocaat van de man. Het hof heeft met overeenkomstige toepassing van artikel 800 van het Wetboek van Rechtsvordering de door de rechtbank Rotterdam in voornoemd ander geding tussen partijen benoemde bijzondere curator mr. L.A. Middelkoop als informant tot het proces toegelaten.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Het hof gaat uit van de navolgende feiten:

- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest tot 11 maart 2016;

- de man heeft met toestemming van de vrouw erkend de minderjarige [volgt naam] , geboren [in] 2010 te [plaatsnaam] , hierna te noemen: de minderjarige;

- de man is niet de biologische vader van de minderjarige;

- bij beschikking van 29 juli 2016 is er tussen de man en [volgt naam] een zorgregeling vastgesteld, inhoudende:

- elke woensdagmiddag uit school tot circa 19.00 uur, en

- om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur, en

- in de week dat de minderjarige in het weekend niet bij de man is, is hij van vrijdagmiddag na school tot 20.00 uur bij de man;

- de minderjarige is bij beschikking van 5 juli 2016 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering. Deze is nadien verlengd tot 5 juli 2018.

- na een incident in oktober 2017 heeft de man de zorgregeling stopgezet;

- bij beschikking van 16 mei 2019 is de minderjarige opnieuw onder toezicht gesteld;

- bij beschikking van 28 mei 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag over de minderjarige te beëindigen afgewezen.

Bestreden vonnis

2. De man vorderde in eerste aanleg de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 29 juli 2016 op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat ter zitting overeenstemming is bereikt over de vordering van de man tot het nakomen van de zorgregeling zoals is vastgesteld in de beschikking van 29 juli 2016.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis als volgt beslist:

5.1

draagt de man en de vrouw op uiterlijk 8 november 2018 [volgt naam] van de hulpverleningsinstelling [volgt naam] per brief of per e-mail te verzoeken het herstel te begeleiden van het contact tussen de man en de minderjarige;

- 5.2 bepaalt dat de minderjarige nadat de begeleiding door [volgt naam] is afgerond, bij de man verblijft gedurende de periode van twee maanden volgens de volgende tijdelijke regeling:

- elke woensdagmiddag uit school tot 19.00 uur, en

- om het weekend van vrijdag na school tot zaterdag 19.00 uur;

- 5.3 veroordeelt de vrouw na ommekomst van de onder 5.2 vermelde twee maanden, tot nakoming van de zorgregeling zoals die is vastgesteld in de beschikking van 29 juli 2016.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Vordering vrouw

3. De vrouw vordert om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door haar aangevoerde grieven gegrond te verklaren en de vorderingen van de man in eerste aanleg alsnog af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

De grieven

4.1

In haar eerste grief stelt de vrouw dat de voorzieningenrechter ten onrechte een voorlopige omgangsregeling heeft vastgesteld.

4.2

Zij voert daartoe aan dat partijen ter zitting slechts overeenstemming hadden bereikt over begeleiding door [volgt naam] van contactherstel, aanmelding bij een kinderpsycholoog in Rotterdam en mogelijk mediation. De man is helemaal niet bezig met het belang van de minderjarige maar met het dwarszitten van de vrouw en zaken op zijn manier willen afdwingen. Partijen zouden baat hebben bij een NIFP onderzoek. Partijen hadden niets afgesproken bij de mondelinge behandeling over eventuele omgang. De vrouw had verwacht dat hetgeen overeengekomen is ter zitting in een proces-verbaal zou worden vastgelegd, maar niet dat een vonnis zou worden gewezen. Zij stelt dat het vonnis een verrassingsbeslissing is. Het begeleidingstraject via [volgt naam] is stopgezet.

Omgang op de woensdag is niet mogelijk omdat de minderjarige op sport zit. Het is niet in het belang van de minderjarige dat hij al gaat overnachten bij de man, nu de minderjarige zelf aangeeft dit niet te willen en de vrouw niet bekend is met de omstandigheden van de man thuis.

4.3

In haar tweede grief stelt de vrouw dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft bepaald dat de omgangsregeling conform de beschikking van 29 juli 2016 nagekomen dient te worden.

De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man aangezien er sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de man de minderjarige op initiatief van de man maandenlang niet gezien heeft en dit heeft geleid tot een andere opstelling van de minderjarige jegens de man. In het kader van de ondertoezichtstelling-procedure is een raadsonderzoek geïndiceerd. De vrouw acht het van belang dat ook de vraag of en zo ja welke omgang in het belang van de minderjarige is, daarin ook meegenomen zal worden. Nakoming van de zorgregeling conform de beschikking van 29 juli 2016 is nu niet aan de orde, waardoor in de bodemzaak om een gewijzigde zorgregeling verzocht kan worden.

Vordering man

5.1

De man vordert de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren, haar verzoek (het hof leest: vordering) af te wijzen en (het hof leest) het bestreden vonnis te bekrachtigen, kosten rechtens.

5.2

De man betwist bij memorie van antwoord de grieven van de vrouw.

Volgens hem was geen sprake van een verrassingsbeslissing. De raad achtte contactherstel in het belang van de minderjarige. De vrouw was het niet eens met de door [volgt naam] voorgestelde voorwaarden voor het eerste contact tussen de man en de minderjarige. Hij betwist dat hij enkel gericht is op voeren van procedures en verstoren van de rust. Het is de vrouw die niet akkoord is gegaan met een mediationtraject en de voorwaarden van [volgt naam] . Bij een tweede kort geding heeft de vrouw opnieuw aangegeven in te stemmen met het heropstarten van contact tussen de man en de minderjarige waarbij het eerste bezoek zou worden begeleid door [volgt naam] . Dit eerste contactmoment stond gepland voor 7 maart 2019. De man kan de minderjarige op woensdag ook naar sport brengen. De man woont alleen. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen waardoor een overnachting bij de man niet mogelijk zou zijn. De vrouw heeft geen wijziging verzocht van de in de beschikking van 29 juli 2016 vastgestelde zorgregeling.

Oordeel van het hof

6.1.

Het hof overweegt als volgt. Zoals hierboven reeds overwogen heeft het hof de bijzondere curator als informant tot het proces toegelaten. Het hof heeft hierbij in overweging genomen dat in deze zaak de belangen van een minderjarige gemoeid zijn en de bijzondere curator van deze minderjarige een rapport aangaande diens situatie heeft uitgebracht. Het hof slaat om die reden acht op dit rapport.

6.2

Het hof is, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat een door de rechtbank of het gerechtshof vastgestelde zorgregeling in beginsel onverkort dient te worden nageleefd, en dat dit pas anders is indien sprake is van zwaarwegende en klemmende redenen op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de nakoming van de vastgestelde zorgregeling niet langer in het belang van de minderjarige is. Uit de stukken en de comparitie van partijen is gebleken dat partijen diverse procedures hebben gevoerd omtrent de minderjarige. Bovendien is sprake van een zeer gespannen verhouding tussen de man en de vrouw. Hulpverlening voor de minderjarige is gestagneerd omdat de ouders daar niet gezamenlijk uitkwamen. Het herstel van de omgang van de man met de minderjarige is nog niet gestart, en de man heeft met de minderjarige, behoudens twee door [volgt naam] begeleide contacten in maart 2019, inmiddels al twee jaar geen contact meer. De minderjarige werkt op dit moment aan herstel van het contact met zijn biologische vader. Ook is de huidige partner van de moeder betrokken bij de opvoeding van de minderjarige.

6.3

Wat er verder ook zij van een mogelijke overeenstemming tussen partijen, ter terechtzitting bij de voorzieningenrechter over de invulling van de zorgregeling, nadien zijn er weer procedures gevoerd (waaronder een tweede kort geding over de zorgregeling), hebben partijen nog steeds een zeer moeizame communicatie, discussies en strijd. Bovendien zijn de omstandigheden van de minderjarige gewijzigd in die zin dat hij werkt aan het contactherstel met zijn biologische vader. Het vergt op dit moment teveel van de minderjarige daarnaast ook nog zich te richten op contactherstel met de man en het hebben van een zorgregeling met hem. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden dat (onverkorte) handhaving van de bij beschikking van 29 juli 2016 vastgestelde zorgregeling niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht. Het hof zal, nu geen andere beslissing voorligt, de vordering van de vrouw toewijzen en het bestreden vonnis vernietigen, en de vorderingen van de man in eerste aanleg alsnog afwijzen.

Proceskosten

7. Gezien het feit dat het geschil zich voordoet tussen ex-echtgenoten, zal het hof de proceskosten compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 1 november 2018 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de vordering van de man tot nakoming van de zorgregeling van de man met de minderjarige, vastgesteld bij beschikking van 29 juli 2016;

compenseert de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A. van Kempen, J.M. van de Poll en A.R.J. Mulder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019 in aanwezigheid van de griffier.